Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BM5952

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-05-2010
Datum publicatie
28-05-2010
Zaaknummer
09-3202 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verlaging WAO-uitkering. Voldoende medische en arbeidskundige grondslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/3202 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 1 mei 2009, 07/2241 (hierna: de aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, (hierna: Uwv)

Datum uitspraak: 26 mei 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant stelde mr. A.G.B. Bergenhenegouwen, werkzaam bij ARAG Rechtsbijstand, hoger beroep in en zond met een brief van 25 september 2009 nadere medische stukken in.

Het Uwv voerde verweer en reageerde op de nadere medische stukken met de inzending van een verzekeringsgeneeskundig rapport van 1 oktober 2009.

Het onderzoek ter zitting vond plaats op 9 oktober 2009. De Raad heropende het onderzoek om vragen voor te leggen aan het Uwv en de door de rechtbank geraadpleegde internist dr. E.W. van der Hoek.

Met een brief van 4 november 2009 verschafte mr. Bergenhenegouwen informatie over de actuele medische situatie van appellant.

Voor het antwoord op de hem door de Raad voorgelegde vragen verwees het Uwv naar een arbeidskundig rapport van

5 november 2009.

De deskundige Van der Hoek beantwoordde de hem gestelde vragen in een brief van 13 november 2009.

De vervolgzitting vond plaats op 28 april 2010. Appellant verscheen niet. Namens het Uwv verscheen A.J.J.M. van Eijk.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Het inleidende beroep richt zich tegen het ter uitvoering van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) genomen besluit van 30 maart 2007 waarbij het Uwv besliste op het bezwaar van appellant tegen zijn besluit van

23 augustus 2006.

1.2. Met het besluit van 23 augustus 2006 verlaagde het Uwv de WAO-uitkering van appellant per 9 oktober 2006. Het Uwv deelde appellant vanaf die datum in de arbeidsongeschiktheidsklasse 45-55% in. Met zijn besluit van 30 maart 2007 handhaaft het Uwv die verlaging.

2. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond.

3.1. De Raad gaat uit van de volgende feiten.

3.2. Appellant staakte in november 1992 zijn werk als groepsleider zakelijke kredieten wegens rugklachten. In verband hiermee kende het Uwv hem per 6 november 1993 een WAO-uitkering toe naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80-100%. Partijen zijn het er over eens dat appellant zijn eigen werk niet meer kan doen en ook de Raad gaat hier van uit.

3.3. In februari 2006 onderzocht de verzekeringsarts appellant. De voor hem geldende medische beperkingen verwoordde zij in een zogenoemde Functionele Mogelijkhedenlijst (FML). De bezwaarverzekeringsarts onderschrijft die FML.

3.4. Aan de hand van de FML selecteerde de arbeidsdeskundige een aantal functies. De bezwaararbeidsdeskundige lichtte de geschiktheid van (een deel van) deze functies toe in zijn rapport van 26 maart 2007.

3.5.1. De door de rechtbank geraadpleegde deskundige Van der Hoek onderzocht appellant op 28 juli 2008. In zijn op

17 september 2008 door de rechtbank ontvangen verslag beargumenteert hij dat op het terrein van de interne geneeskundige voor appellant alleen een beperking voor langdurig staan bestaat. Van der Hoek is het eens met de FML.

3.5.2. Van der Hoek beantwoordde met zijn brief van 13 november 2009 een aantal bij de Raad levende vragen. Hij zet daarin uiteen dat en waarom de later ingebrachte nieuwe medische informatie hem geen aanleiding geeft zijn visie voor de in geding zijnde datum, 9 oktober 2006, te wijzigen.

4. In hoger beroep herhaalt appellant dat de FML de voor hem op 9 oktober 2006 geldende medische beperkingen niet juist weergeeft. Verder voert appellant aan dat de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies voor hem niet toegankelijk zijn voor zover zij een opleiding op HBO-niveau vergen.

5.1. Het is vaste rechtspraak dat de bestuursrechter het oordeel van de door hem geraadpleegde deskundige volgt als dat oordeel begrijpelijk is onderbouwd en de conclusie logisch volgt uit de onderbouwing. De Raad ziet geen reden om in dit geval van dit uitgangspunt af te wijken. Het advies van Van der Hoek overtuigt de Raad. Dat betekent dat de tegen de medische component van het bestreden besluit gerichte beroepsgrond niet slaagt.

5.2. De arbeidsdeskundige van het Uwv onderbouwde voldoende dat de aan de voor de schatting gebruikte functies verbonden belasting blijft binnen de grenzen van de belastbaarheid als verwoord in de FML.

5.3. Het arbeidskundig rapport van 5 november 2009 overtuigt de Raad er van dat het opleidingsniveau van appellant – appellant beschikt over een MULO-diploma, behaalde het Praktijkdiploma Boekhouden, volgde diverse op het bank- en verzekeringswezen gerichte vakcursussen, en rondde de opleiding NIBE met goed gevolg af – in combinatie met zijn werkervaring in managementfuncties in een groot bankbedrijf, ten minste op HBO-niveau kan worden gewaardeerd.

6. Het hoger beroep slaagt niet.

7. De Raad ziet geen reden voor een kostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en R.C. Stam en M. Greebe als leden, in tegenwoordigheid van R.L. Venneman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 mei 2010.

(get.) D.J. van der Vos.

(get.) R.L. Venneman.

EK