Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BM5947

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-05-2010
Datum publicatie
27-05-2010
Zaaknummer
09-3833 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAO-uitkering. De Raad ziet, evenals de rechtbank, geen aanleiding te twijfelen aan de juistheid van de door de verzekeringsartsen vastgestelde belastbaarheid van appellante. Geen aanleiding voor verdergaande urenbeperking. De Raad stelt vast dat de schatting, zoals blijkt uit de rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige uiteindelijk berust op de functies van inpakker (sbc-code 111190), wikkelaar, samensteller elektronische apparatuur (sbc-code 267050) en productiemedewerker industrie (sbc-code 111180). De belasting in de functies levert geen overschrijding van de belastbaarheid van appellante op.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/3833 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 3 juni 2009, 08/4595 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 26 mei 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. P.J. van der Meulen, advocaat te Tilburg, hoger beroep ingesteld.

Bij schrijven van 6 augustus 2009 heeft H.J.A. Aerts, juridisch medewerker van Delescen advocaten te Roermond, zich als opvolgend gemachtigde gesteld en heeft hij namens appellante de gronden van het hoger beroep aangevuld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 april 2010. Appellante is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Het Uwv heeft zich, na kennisgeving, niet laten vertegenwoordigen.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellante ontvangt sedert 1987 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), laatstelijk berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

1.2. In verband met een herbeoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid is appellante op 24 januari 2007 onderzocht door de arts M. Susnja.

Deze arts heeft geconcludeerd dat appellante in staat is arbeid te verrichten die in overeenstemming is met haar beperkingen, zoals weergegeven in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 19 februari 2007. Vervolgens heeft de arbeidsdeskundige C.J.M. Depmann op 16 november 2007 een rapport uitgebracht. In dit rapport is hij tot de conclusie gekomen dat appellante geschikt kan worden geacht voor functies die vanuit het Claim Beoordelings- en Borgingssusteem (CBBS) zijn verkregen. Op grond van drie van de vier geselecteerde functies heeft de arbeidsdeskundige het verlies aan verdiencapaciteit van appellante vastgesteld op 28,2 %. In overeenstemming hiermee heeft het Uwv bij besluit van 29 november 2007 de WAO-uitkering van appellante met ingang van 30 januari 2008 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%.

1.3. Bij besluit van 28 augustus 2008 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante ongegrond verklaard. Hieraan ten grondslag liggen rapportages van de bezwaarverzekeringsarts E.J.M. van Paridon van 4 juli 2008 en de bezwaararbeidsdeskundige C.H.J. de Vries-van Hulten van 7 augustus 2008.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak geen aanleiding gezien te twijfelen aan de juistheid van de door de betrokken verzekeringsartsen vastgestelde medische beperkingen. Aangezien een afdoende arbeidskundige onderbouwing door het Uwv eerst in beroep was geleverd, heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van dat vernietigde besluit, met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), geheel in stand blijven.

3. In hoger beroep houdt appellante haar opvatting staande dat haar beperkingen niet volledig in de FML zijn opgenomen en dat ten onrechte op grond van energetische problemen geen urenbeperking is aangenomen. Als gevolg van forse fysieke, cognitieve en psychische klachten en beperkingen acht appellante zich op en na de datum in geding niet in staat tot het duurzaam en fulltime verrichten van arbeid. Appellante is dan ook van oordeel dat zij onveranderd als volledig arbeidsongeschikt in de zin van de WAO dient te worden aangemerkt. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft appellante een rapportage van de psychiater A.R. Hertroijs van 28 februari 2010 overgelegd, alsmede een verklaring van de internist oncoloog-hematoloog H.Th.J. Roerdink van 16 maart 2010.

4.1. De Raad overweegt als volgt.

4.2. Allereerst stelt de Raad vast dat het Uwv op 13 april 2010, derhalve met overschrijding van de termijn van tien dagen als bedoeld in artikel 8:58 van de Awb, per faxbericht nog een rapportage heeft toegezonden van bezwaarverzekeringsarts

E.J.M. van Paridon van 12 april 2010. Deze rapportage is op dezelfde dag door het Uwv ook naar de gemachtigde van appellante gefaxt. Nu de gemachtigde van appellante ter zitting van de Raad desgevraagd heeft verklaard bezwaar te hebben tegen het bij de behandeling betrekken van deze rapportage, heeft de Raad aanleiding gezien om deze rapportage buiten beschouwing te laten.

4.3. De Raad ziet, evenals de rechtbank, geen aanleiding te twijfelen aan de juistheid van de door de verzekeringsartsen vastgestelde belastbaarheid van appellante. Daartoe overweegt de Raad dat de arts Susnja op grond van lichamelijk en psychisch onderzoek van appellante heeft geconcludeerd dat er sprake is van een dysthyme stoornis en een lichte vorm van fybromyalgie. De arts acht appellante fysiek beperkt voor zwaar lichamelijk en rugbelastend werk. Qua psychische belasting acht hij appellante aangewezen op werk zonder continu hoge werkdruk, zonder hoge eisen op het vlak van flexibiliteit en conflicthantering. De bezwaarverzekeringsarts Van Paridon heeft appellante eveneens onderzocht en de bevindingen van de primaire arts onderschreven. Vanwege medicijnengebruik heeft de bezwaarverzekeringsarts wel aanleiding gezien een beperking aan te nemen bij item 1.9.9 (persoonlijk risico) en een nieuwe FML van 10 juli 2008 opgesteld. In de onder 1.3 genoemde rapportage heeft de bezwaarverzekeringsarts, naar het oordeel van de Raad, voorts afdoende gemotiveerd waarom voor het stellen van een verdergaande urenbeperking geen aanleiding bestaat. Er is geen sprake van een voorgeschreven behandeling die maakt dat appellante een substantieel deel van de dag niet beschikbaar is voor arbeid. Ook is geen sprake van energetische beperkingen of van een preventieve beperking.

4.4. Ten aanzien van de in beroep overlegde informatie van reumatoloog dr. M.J.H. Wijnands van 29 mei 2008 en fysiotherapeut P. Smulders van 27 maart 2009 onderschrijft de Raad - evenals de rechtbank - het commentaar van de bezwaarverzekeringsarts Van Paridon, zoals vermeld in het rapport van 1 april 2009. De Raad ziet voorts in de door appellante in hoger beroep ingebrachte rapportage van psychiater Hertroijs van 28 februari 2010 geen aanknopingspunten om te twijfelen aan de juistheid van het standpunt van de bezwaarverzekeringsarts. De psychiater spreekt van een ongedifferentieerde somatoforme stoornis en stelt dat van kinds af aan sprake is van ADHD. Stoornissen in de cognitieve functies heeft hij bij onderzoek niet vastgesteld. De psychiater is verder van oordeel dat er op en na de datum in geding sprake is van het ontbreken van duurzaam benutbare mogelijkheden. De Raad acht het standpunt van de psychiater dat appellante vanwege haar psychiatrische aandoeningen geen duurzame benutbare mogelijkheden heeft onvoldoende onderbouwd en verwijst in dit verband naar zijn uitspraak van 30 januari 2007, LJN AZ7854. Ook de in hoger beroep overgelegde verklaring van de internist Roerdink van 16 maart 2010 met betrekking tot de schildklierklachten van appellante kan naar het oordeel van de Raad niet tot een ander oordeel leiden nu deze verklaring geen nieuwe nog niet eerder onderkende medische gegevens bevat.

4.5. Ten aanzien van de ter zitting opgeworpen grief dat de schatting berust op verouderde medische gegevens merkt de Raad op dat de primaire arts Susnja op 19 maart 2008 telefonisch contact heeft gehad met appellante en hiervan in een rapport van 23 april 2008 verslag heeft gedaan. Uit de rapportage komt naar voren dat de medische situatie van appellante, over de periode vanaf het verzekeringsgeneeskundig onderzoek (24 januari 2007) tot aan de arbeidskundige schatting

(16 november 2007), in essentie niet is veranderd, hetgeen overigens nog eens ter zitting door appellante en haar gemachtigde is bevestigd.

4.6. Met betrekking tot de arbeidskundige grondslag overweegt de Raad als volgt.

4.7. De Raad stelt vast dat de schatting, zoals blijkt uit de rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige De Vries-van Hulten van 7 augustus 2008, uiteindelijk berust op de functies van inpakker (sbc-code 111190), wikkelaar, samensteller elektronische apparatuur (sbc-code 267050) en productiemedewerker industrie (sbc-code 111180). De bezwaararbeidsdeskundige heeft deze functies met inachtneming van de gewijzigde FML van 10 juli 2008 beoordeeld en de mate van arbeidsongeschiktheid ongewijzigd vastgesteld op 25 tot 35%.

4.8. Naar het oordeel van de Raad heeft de bezwaararbeidsdeskundige De Vries-van Hulten in de rapportages van

7 augustus 2008, 6 november 2008 en 20 maart 2009, aangevuld met de rapportage van 3 februari 2010, in samenhang bezien, genoegzaam gemotiveerd waarom de belasting in de functies geen overschrijding oplevert van de belastbaarheid van appellante.

4.9. De Raad komt dan ook tot de slotsom dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, dient te worden bevestigd.

5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en C.P.J. Goorden en A.A.H. Schifferstein als leden, in tegenwoordigheid van M. Mostert als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 mei 2010.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) M. Mostert.

JL