Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BM5944

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-05-2010
Datum publicatie
27-05-2010
Zaaknummer
09-5259 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen recht meer op ziekengeld. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank, dat appellante geschikt is te achten voor de maatgevende arbeid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/5259 ZW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 17 augustus 2009, 09/173 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 19 mei 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. W.P.J.M. van Gestel, werkzaam bij ARAG rechtsbijstand te Leusden, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 april 2010. Appellante is verschenen, bijgestaan door haar dochter. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A. Ooms.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellante was werkzaam als officemanager voor 28 uur per week toen zijn per 10 februari 2003 voor dit werk met nek- en rugklachten is uitgevallen. Na ommekomst van de wettelijke wachttijd die destijds 52 weken bedroeg, heeft het Uwv haar bij besluit van 5 februari 2004 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), geweigerd. Aan dit besluit ligt ten grondslag een rapportage van de arbeidsdeskundige C.H.J. de Vries-van Hulten van 3 februari 2004 waarin is aangegeven dat zij zowel voor haar eigen werk als officemanager als – onder meer – de functies van telefoniste/receptioniste, verkoper groothandel en schadecorrespondent geschikt kan worden geacht. Appellante heeft zich vervolgens wegens psychische klachten tweemaal ziek gemeld, voor het laatst op 22 mei 2006 vanuit een uitkeringssituatie ingevolge de Werkloosheidswet (WW). Naar aanleiding van deze ziekmelding heeft appellante meerdere malen het spreekuur bezocht van een verzekeringsarts. Tijdens het laatste spreekuur op 24 september 2007 is de verzekeringsarts A.B. Schippers-Juergens tot de conclusie gekomen dat appellante op en na 25 september 2007 geschikt is te achten voor de in het kader van de WAO-beoordeling eerder voorgehouden functie van schadecorrespondent. Bij besluit van 24 september 2007 heeft het Uwv appellante meegedeeld dat zij dienovereenkomstig met ingang van 25 september 2007 geen recht meer heeft op ziekengeld. Het tegen dit besluit gerichte bezwaar heeft het Uwv bij besluit van 9 januari 2008 ongegrond verklaard.

1.2. De rechtbank heeft bij uitspraak van 7 oktober 2008 het beroep tegen het besluit van 9 januari 2008, gegrond verklaard onder de overweging dat het Uwv een onjuiste maatstaf arbeid heeft gehanteerd bij de beoordeling van appellantes geschiktheid voor haar arbeid in de zin van artikel 19 van de Ziektewet (ZW).

1.3. Ter uitvoering van de uitspraak van de rechtbank 7 oktober 2008 heeft het Uwv bij besluit van 4 december 2008 (hierna: het bestreden besluit) het bezwaar van appellante wederom ongegrond verklaard. Aan dit besluit ligt ten grondslag een rapportage van de bezwaarverzekeringsarts E.J.M. van Paridon van 27 november 2008. In deze rapportage komt Van Paridon – onder verwijzing naar de onder 1.1 genoemde rapportage van de arbeidsdeskundige – tot de conclusie dat appellante per 25 september 2007 geschikt is te achten voor haar werk als officemanager voor 28 uur per week.

2. De rechtbank heeft het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellante zich op het standpunt gesteld dat sprake is van meer beperkingen dan door de (bezwaar)verzekeringsarts zijn vastgesteld, waardoor zij niet in staat was haar arbeid per 25 september 2007 te verrichten. Ter onderbouwing heeft appellante informatie van de Stichting Psycho Eindhoven, een melding van verslechterde gezondheid van 7 maart 2010, een toekenningsbeschikking in het kader van een persoonsgebonden budget van 3 juni 2009 en een indicatiebesluit in het kader van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten van het Centrum indicatiestelling zorg van 9 maart 2010, overgelegd.

4.1. De Raad overweegt als volgt.

4.2. Ingevolge artikel 19, eerste en vierde lid, van de Ziektewet (ZW) heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid, als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld.

4.3. Volgens vaste jurisprudentie van de Raad dient onder “zijn arbeid” in voormelde zin te worden verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding feitelijk verrichte arbeid. Deze regel lijdt echter in zoverre uitzondering dat, wanneer de verzekerde na het volbrengen van de voorgeschreven wachttijd, blijvend ongeschikt is voor zijn oude werk en niet in enig werk heeft hervat, als maatstaf geldt arbeid, zoals die nader is geconcretiseerd bij de beoordeling van betrokkenes aanspraak op een uitkering ingevolge de WAO. Van geschiktheid in de zin van de ZW is geen sprake indien de verzekerde geschikt is voor ten minste één van de functies die zijn geselecteerd bij de schatting in het kader van de WAO.

4.4. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank, dat appellante per 25 september 2007 geschikt is te achten voor de maatgevende arbeid. Daarbij overweegt de Raad dat de verzekeringsarts Schipper-Juergens appellante psychisch heeft onderzocht en daarbij de beschikking had over de informatie van de behandelend psychiater B. van Hal van

25 april 2007 waaruit blijkt dat de depressieve stoornis en de ADHD middels medicatie grotendeels onder controle zijn. De bezwaarverzekeringsarts Vervloet heeft vervolgens dossierstudie verricht – waarbij ook de informatie van de psychiater van Hal van 18 oktober 2007 en 19 december 2007 en van de klinisch psycholoog E.M.A.H. Thelosen van 22 oktober 2007 is meegewogen – en appellante op het spreekuur van 14 november 2007 onderzocht. Vervloet is, in navolging van de verzekeringsarts Schipper-Juergens, tot de conclusie gekomen dat bij appellante sprake is van ADHD, deels in remissie en een depressieve persoonlijkheidsstoornis in remissie. Naar aanleiding van de uitspraak van de rechtbank van 7 oktober 2008 heeft de bezwaarverzekeringsarts Van Paridon een rapport uitgebracht van 27 november 2008. Onder verwijzing naar de diagnose zoals gesteld door de bezwaarverzekeringsarts Vervloet, heeft Van Paridon in deze rapportage aangegeven dat appellante beperkt moet worden geacht ten aanzien van mentaal stresserende omstandigheden in de zin van hoge werkdruk, krappe deadlines, conflicthantering, leidinggeven, multitasking en de omgang met grote groepen onbekenden. Voorts is zij aangewezen op gestructureerd werk met in de samenwerking goed afgebakende taakindeling en de mogelijkheid om zonodig op iemand terug te kunnen vallen. De eigen functie van officemanager voor 28 uur per week is overzichtelijk, zonder veel werkdruk en met veel regelmogelijkheden waarbij met bekenden wordt samengewerkt, echter niet in teamverband. Voorts deed appellante in ondersteunende zin taken, die relatief afgebakend en qua inhoud gestructureerd waren. Nu in de functie geen sprake is van veel en gelijktijdig uit te voeren taken en opdrachten worden derhalve geen bovennormale eisen gesteld wat betreft multitasking en is appellante voor deze functie dan ook geschikt te achten, aldus de bezwaarverzekeringsarts. Ten aanzien van de in hoger beroep overgelegde informatie van Stichting Psycho Eindhoven is de Raad – mede gelet op de rapportage van Van Paridon van 17 maart 2010 – van oordeel dat daarin onvoldoende aanknopingspunten zijn te vinden om de bevindingen van de bezwaarverzekeringsarts voor onjuist te houden. Daarbij tekent de Raad nog aan dat het door de psycholoog Y.J.L. van Baars op 19 januari 2010 uitgevoerde neuropsychologisch onderzoek ziet op een datum na de datum hier in geding, te weten 25 september 2007, hetgeen ook geldt voor de overgelegde toekenningsbeschikking en het indicatiebesluit. De Raad kan aan de in hoger beroep overgelegde informatie derhalve niet die betekenis toekennen die appellante daaraan gehecht wil zien. Gelet op het vorenstaande is de Raad van oordeel dat het Uwv op goede gronden heeft besloten appellante met ingang van 25 september 2007 niet langer in aanmerking te brengen voor een uitkering ingevolge de ZW.

4.5. Uit hetgeen hiervoor onder 4.2 tot en met 4.4 is overwogen volgt dan ook dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursecht inzake de vergoeding van de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.P.J. Goorden, in tegenwoordigheid van A.L. de Gier als de griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 mei 2010.

(get.) C.P.J. Goorden.

(get.) A.L. de Gier.

JL