Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BM5942

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-05-2010
Datum publicatie
27-05-2010
Zaaknummer
09-4493 WSF
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Omzetting beurs naar de norm voor een uitwonende studerende in een beurs naar de norm voor een thuiswonende studerende. Het recht op studiefinanciering naar de norm voor een uitwonende studerende is mede afhankelijk gesteld van de formele toekenningsvoorwaarde dat het adres dat de uitwonende studerende aan de Minister als woonadres heeft opgegeven overeenkomt met het adres waarop deze studerende ingeschreven staat in de GBA, met dien verstande dat de uitwonende studerende wordt geacht met terugwerkende kracht aan deze voorwaarde te hebben voldaan indien hij een gebleken afwijking na bekendmaking ervan aan hem binnen vier weken ongedaan maakt of laat maken (LJN AX8837 en LJN BJ1650). Vaststaat dat er sprake was van een dergeljke adresafwijking. Geen feiten of omstandigheden aangevoerd die maken dat appellante van de adresafwijking redelijkerwijs geen verwijt kan worden gemaakt. geen aanleiding tot toepassing hardheidsclausule.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/4493 WSF

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Assen van 2 juli 2009, 08/955 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de hoofddirectie van de Informatie Beheer Groep (hierna: IB-Groep).

Datum uitspraak: 21 mei 2010

I. PROCESVERLOOP

In dit geding is een uitspraak aan de orde over een besluit dat is genomen door de IB-Groep. Op 1 januari 2010 is de Wet van 15 oktober 2009 tot intrekking van de Wet verzelfstandiging informatiseringsbank en wijziging van diverse wetten in verband met de oprichting van de Dienst Uitvoering Onderwijs in werking getreden. Als gevolg hiervan is de IB-Groep opgehouden te bestaan. Ingevolge artikel XXI, eerste lid, van de wet treedt in dit geding de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (hierna: de Minister) in de plaats van de IB-Groep. In deze uitspraak wordt onder de Minister tevens verstaan de IB-Groep.

Namens appellante heeft mr. W. Lindeboom, advocaat te Den Haag, hoger beroep ingesteld.

De Minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 april 2010.

Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Lindeboom. De Minister was vertegenwoordigd door mr. K.F. Hofstee.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Bij brief van 14 juni 2008 heeft de Minister aan appellante meegedeeld dat is geconstateerd dat het woonadres dat zij aan de Minister heeft opgegeven ([adres 1] te [plaatsnaam]) in de maand mei 2008 afwijkt van het adres waarop zij in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (GBA) staat ingeschreven ([adres 2] te [woonplaats]). Aangegeven is daarbij dat indien appellante haar (nieuwe) woonadres nog niet heeft doorgegeven aan de gemeente, dit binnen vier weken alsnog moet gebeuren. Verder is aangegeven dat indien het woonadres dat aan de Minister is doorgegeven niet (meer) juist is, appellante dat ook alsnog binnen vier weken door moet geven. Appellante is in die brief gewaarschuwd dat indien zij de afwijking tussen beide adressen niet binnen vier weken ongedaan maakt, de haar toegekende beurs naar de norm voor een uitwonende studerende met ingang van mei 2008 wordt omgezet in een beurs naar de norm voor een thuiswonende studerende.

1.2. De Minister heeft bij besluit van 16 augustus 2008 de aan appellante toegekende beurs naar de norm voor een uitwonende studerende met ingang van mei 2008 omgezet in een beurs naar de norm voor een thuiswonende studerende. Overwogen is daartoe dat appellante heeft nagelaten de afwijking tussen het aan de Minister opgegeven woonadres en het adres waarop zij in de GBA ingeschreven staat ongedaan te maken.

1.3. Bij besluit van 9 oktober 2008 heeft de Minister onder verwijzing naar artikel 1.5 van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000) het bezwaar van appellante tegen het besluit van 16 augustus 2008 ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het besluit van 9 oktober 2008 ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep is namens appellante aangevoerd dat de aangevallen uitspraak lijdt aan een motiveringsgebrek nu daarin niet is ingegaan op het ter zitting ingenomen standpunt dat onder het door de studerende verstrekte adres in artikel 1.5, eerste lid, van de Wsf 2000 niet valt het door de studerende verstrekte adres van de ouder(s). Verder is aangevoerd dat de aangevallen uitspraak en het besluit van 9 oktober 2008 wegens een onjuiste toepassing van artikel 1.5 van de Wsf 2000 voor vernietiging in aanmerking komen. Met een beroep op het doel en de wetsgeschiedenis van de Koppelingswet stelt appellante zich op het standpunt dat met het door de studerende verstrekte adres in artikel 1.5, eerste lid, van de Wsf 2000 slechts bedoeld is het (onjuist) opgegeven uitwonende adres. Artikel 1.5 Wsf 2000 strekt er slechts toe dat het feitelijk uitwonende adres wordt geregistreerd in de GBA. Subsidiair stelt appellante zich op het standpunt dat haar redelijkerwijs geen verwijt kan worden gemaakt van de adresafwijking, dan wel dat in haar geval toepassing had moeten worden gegeven aan de hardheidsclausule van artikel 11.5 van de Wsf 2000.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De Raad overweegt in de eerste plaats dat in de overwegingen van de aangevallen uitspraak onmiskenbaar ligt besloten dat de door appellante voorgestane uitleg van het door de studerende verstrekte adres in artikel 1.5, eerste lid, van de Wsf 2000 door de rechtbank niet wordt gevolgd. De Raad is dan ook van oordeel dat de grief ten aanzien van het motiveringsgebrek faalt.

4.2. De Raad overweegt vervolgens dat de rechtbank voor de uitleg van artikel 1.5 van de Wsf 2000 met juistheid heeft verwezen naar vaste rechtspraak van de Raad, waaronder de uitspraak van 2 december 2005, LJN AU7521. Het in LJN AU7521 neergelegde oordeel is nadien door de Raad meermalen herhaald, bijvoorbeeld in de uitspraken van 9 juni 2006, LJN AX8837 en 26 juni 2009, LJN BJ1650. Ingevolge artikel 1.5 van de Wsf 2000 is het recht op studiefinanciering naar de norm voor een uitwonende studerende mede afhankelijk gesteld van de formele toekenningsvoorwaarde dat het adres dat de uitwonende studerende aan de Minister als woonadres heeft opgegeven overeenkomt met het adres waarop deze studerende ingeschreven staat in de GBA, met dien verstande dat de uitwonende studerende wordt geacht met terugwerkende kracht aan deze voorwaarde te hebben voldaan indien hij een gebleken afwijking na bekendmaking ervan aan hem binnen vier weken ongedaan maakt of laat maken. Wie er op het door de studerende verstrekte woonadres woont is voor het toepassingsbereik van artikel 1.5 van de Wsf 2000 irrelevant. Iedere adresafwijking moet in beginsel worden hersteld door òf aanpassing van het GBA-adres aan het aan de Minister opgegeven woonadres of aanpassing van het aan de Minister opgegeven woonadres aan het GBA-adres, met dien verstande dat de beide adressen zoveel mogelijk de juiste situatie moeten weergeven. De voorwaarde van met elkaar overeenkomende adresregistraties geldt slechts niet indien de uitwonende studerende van de afwijking tussen beide woonadresregistraties redelijkerwijs geen verwijt kan worden gemaakt.

De volstrekt heldere tekst van artikel 1.5 van de Wsf 2000 en de wetsgeschiedenis bij artikel 1.5 van de Wsf 2000 bieden geen aanknopingspunten voor de door appellante voorgestane uitleg van het door de studerende verstrekte adres als bedoeld in artikel 1.5, eerste lid, van de Wsf 2000.

4.3. De Raad stelt vast dat er ten tijde van belang sprake was van een adresafwijking in de zin van artikel 1.5 van de Wsf 2000. Er zijn naar het oordeel van de Raad geen feiten of omstandigheden aangevoerd die maken dat appellante van de adresafwijking redelijkerwijs geen verwijt kan worden gemaakt.

4.4. Voor toepassing van de hardheidsclausule bestaat slechts aanleiding in een geval waarin de uitvoering van de wet leidt tot gevolgen die de wetgever bij de totstandkoming van de wet niet heeft voorzien. Hiervan is in dit geval geen sprake.

4.5 Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door G. van der Wiel, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 mei 2010.

(get.) G. van der Wiel.

(get.) T.J. van der Torn.

EK