Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BM5939

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-05-2010
Datum publicatie
27-05-2010
Zaaknummer
08-2767 WAO-T
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Tussenuitspraak. Herziening WAO-uitkering. Het primaire medisch onderzoek is verricht door een arts die destijds niet was geregistreerd als verzekeringsarts, en dit gebrek is in de bezwaarfase niet hersteld, aangezien de bezwaarverzekeringsarts naast het dossieronderzoek dat hij heeft verricht, uitsluitend de huisarts van appellante heeft bevraagd en noch uit de reactie van de huisarts daarop noch anderszins is gebleken dat nader medisch onderzoek geen toegevoegde waarde kan hebben. Naar het oordeel van de Raad is daarom geen sprake geweest van een toereikende verzekeringsgeneeskundige heroverweging. De Raad ziet aanleiding met toepassing van artikel 21, zesde lid, van de Beroepswet het Uwv op te dragen het aangeduide gebrek te herstellen. Daarbij geldt dat appellante ten minste nader moet worden onderzocht door een bezwaarverzekeringsarts.

Wetsverwijzingen
Beroepswet 21
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/2767 WAO-T

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

T U S S E N U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 3 april 2008, 06/4303 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 19 mei 2010

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

De Raad heeft het Uwv bij brief van 4 januari 2010 gevraagd om aan te geven hoe het door het Uwv bij verweerschrift ingenomen standpunt zich verhoudt tot de rechtspraak van de Raad over primair medisch onderzoek dat is verricht door een verzekeringsarts in opleiding en de wijze waarop dit gebrek kan worden hersteld.

Vervolgens heeft het Uwv appellante uitgenodigd om een afspraak te maken voor nader medisch onderzoek.

Hierop heeft appellante het Uwv bij brief van 26 januari 2010 meegedeeld dat zij bereid is mee te werken aan nader medisch onderzoek, maar niet voordat de Raad een oordeel heeft gegeven over de grieven die zij in hoger beroep heeft aangevoerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 februari 2010. Appellante is niet verschenen. Het Uwv was vertegenwoordigd door drs. P.M. Klootwijk.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Bij besluit van 17 februari 2006 heeft het Uwv de aan appellante ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering toegekende uitkering, die voordien werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65%, herzien en - op basis van een theoretische schatting - met ingang van 22 februari 2006 nader vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%.

1.2. Het door appellante tegen het besluit van 17 februari 2006 gemaakte bezwaar is bij besluit van 17 juli 2006 (hierna: besluit op bezwaar) ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het door appellante tegen het besluit op bezwaar ingestelde beroep ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep bestrijdt appellante de aangevallen uitspraak met de stelling dat de rechtbank ten onrechte het standpunt heeft verworpen dat artikel 9, aanhef en onder a, van het Schattingsbesluit 2004 buiten toepassing had moeten worden gelaten wegens strijd met artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EP). Verder bestrijdt appellante de aangevallen uitspraak met de stelling dat de ernst en omvang van haar medische arbeidsbeperkingen zijn onderschat en dat het onderzoek dat ten grondslag ligt aan het besluit op bezwaar niet zorgvuldig is uitgevoerd, aangezien het primaire medisch onderzoek is verricht door een verzekeringsarts in opleiding en de bezwaarverzekeringsarts dat gebrek niet heeft hersteld met een toereikend eigen onderzoek.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat de toepassing van het Schattingsbesluit 2004 in het onderhavige geval wel heeft geleid tot een inbreuk op het eigendomsrecht van appellante, maar niet tot schending van artikel 1 van het EP.

Ter onderbouwing van dit oordeel verwijst de Raad naar zijn uitspraak van 10 juli 2008

(LJN BD8561).

4.2. Anders dan de rechtbank is de Raad van oordeel dat het medisch onderzoek dat aan het besluit op bezwaar ten grondslag ligt niet voldoende zorgvuldig is uitgevoerd. Het primaire medisch onderzoek is verricht door een arts die destijds niet was geregistreerd als verzekeringsarts, en dit gebrek is in de bezwaarfase niet hersteld, aangezien de bezwaarverzekeringsarts naast het dossieronderzoek dat hij heeft verricht, uitsluitend de huisarts van appellante heeft bevraagd en noch uit de reactie van de huisarts daarop noch anderszins is gebleken dat nader medisch onderzoek geen toegevoegde waarde kan hebben. Naar het oordeel van de Raad is daarom geen sprake geweest van een toereikende verzekeringsgeneeskundige heroverweging.

4.3. De Raad ziet aanleiding met toepassing van artikel 21, zesde lid, van de Beroepswet het Uwv op te dragen het in 4.2 aangeduide gebrek te herstellen. Daarbij geldt dat appellante ten minste nader moet worden onderzocht door een bezwaarverzekeringsarts.

4.4. De Raad geeft appellante in overweging om indien zij beschikt of kan beschikken over objectieve medische gegevens waaruit kan worden afgeleid dat haar medische arbeidsbeperkingen op de datum in geding door het Uwv zijn onderschat, deze gegevens zo spoedig mogelijk aan het Uwv en de Raad te doen toekomen.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep:

Draagt het Uwv op om binnen tien weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek in het besluit op bezwaar te herstellen met inachtneming van hetgeen de Raad heeft overwogen.

Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade als voorzitter en T.L. de Vries en H.J. Simon als leden, in tegenwoordigheid van N.M. van Gorkum als griffier.

De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 mei 2010.

(get.) M.M. van der Kade.

(get.) N.M. van Gorkum.

KR