Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BM5903

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-05-2010
Datum publicatie
27-05-2010
Zaaknummer
08-7329 ANW + 09-4868 ANW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering om terug te komen van besluit, waarbij de nabestaanden- en halfwezenuitkering is beëindigd. Geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/7329 ANW

09/4868 ANW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats]. Vicente, Kaapverdië (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 7 augustus 2008, 07/2706 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: Svb).

Datum uitspraak: 4 mei 2010

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 maart 2010. Appellante is niet verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door A. van der Weerd.

II. OVERWEGINGEN

1.1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.2. De Svb heeft aan appellante, geboren [in] 1958, een nabestaandenuitkering en een halfwezenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet (ANW) toegekend, in verband met het overlijden van haar partner [naam partner] op 15 juli 1997.

1.3. Bij besluit van 21 maart 2005 heeft de Svb de nabestaanden- en halfwezenuitkering van appellante beëindigd, op de grond dat het jongste kind van appellante op 27 juni 2005 de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt.

1.4. Vanaf 25 augustus 2005 heeft appellante de Svb vervolgens herhaaldelijk verzocht de betaling van haar nabestaanden- en halfwezenuitkering te hervatten. De Svb heeft deze verzoeken afgewezen, laatstelijk bij besluit van 12 oktober 2006.

1.5. Bij besluit van 9 maart 2007, zoals gewijzigd bij het besluit van 3 juli 2007, heeft de Svb het bezwaar van appellante tegen het besluit van 12 oktober 2006 kennelijk niet-ontvankelijk verklaard, op de grond dat zij haar bezwaarschrift niet tijdig heeft ingediend en dat niet is gebleken dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat het beroepschrift te laat is ingediend.

3.1. Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

3.2. Bij besluit van 26 augustus 2008 heeft de Svb zich nader op het standpunt gesteld dat de termijnoverschrijding in de bezwaarfase verschoonbaar is en heeft zij vervolgens het bezwaar van appellante ongegrond verklaard. Daarbij heeft de Svb aangegeven dat het besluit van 21 maart 2005 in rechte vaststaat, maar dat zij zich bevoegd acht in het voordeel van appellante terug te komen van dit besluit als het besluit onmiskenbaar onjuist is als gevolg van een fout van de Svb. Van een onjuist besluit als gevolg van een fout van de Svb is sprake als de Svb op basis van de gegevens die ten tijde van de toekenning beschikbaar waren, of die bij een normaal onderzoek van de Svb beschikbaar zouden zijn geweest, de uitkering correct had kunnen vaststellen aan de hand van de toen geldende wetgeving en beleidsregels, en de belanghebbende alle relevante informatie tijdig heeft verstrekt. Nu niet is gebleken dat het besluit van 21 maart 2005 onmiskenbaar onjuist is en appellante geen nieuwe feiten of omstandigheden heeft aangedragen waaruit blijkt dat alsnog recht op een Anw-uitkering kan bestaan, ziet de Svb geen reden om terug te komen van het besluit van 21 maart 2005.

4.1. De Raad stelt voorop dat de rechtbank bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard op de grond dat het beroep niet tijdig was ingesteld en geen sprake was van een verschoonbare termijn overschrijding. Dit betekent dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

4.2. Met het besluit van 26 augustus 2008 heeft de Svb het aan de aangevallen uitspraak ten grondslag liggende besluit op bezwaar ingetrokken. Nu met het besluit van 26 augustus 2008 niet geheel is tegemoet gekomen aan de bezwaren van appellante, dient de Raad dit besluit gelet op artikel 6:19, in verbinding met artikel 6:24, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), mede in zijn beoordeling te betrekken. In geschil is de beantwoording van de vraag of de Svb op goede gronden heeft geweigerd om terug te komen van haar besluit van 21 maart 2005, waarbij de nabestaanden- en halfwezenuitkering van appellante is beëindigd.

4.3. De Raad stelt voorop dat ook naar het oordeel van de Raad niet kan worden gezegd dat in datgene wat door appellante is aangevoerd nieuwe feiten of veranderde omstandigheden besloten liggen als bedoeld in artikel 4:6, eerste lid, van de Awb. Daaruit volgt dat het bestreden besluit in beginsel stand kan houden. Gelet op de jurisprudentie van de Raad in het kader van artikel 4:6 van de Awb stelt de Raad verder vast dat een bestuursorgaan in beginsel bevoegd is ten gunste van een betrokkene terug te komen van een eerder ambtshalve genomen besluit. Gebruikmaking van deze discretionaire bevoegdheid kan echter niet de weg openen naar een toetsing als betrof het een oorspronkelijk besluit. Dienaangaande hanteert de Svb het beleid dat zij zich in redelijkheid gehouden acht terug te komen van een rechtens onaantastbaar besluit, indien dit besluit onmiskenbaar onjuist moet worden geacht en de onjuistheid een gevolg is van een fout van de Svb. Nu de Svb gevallen als het onderhavige beoordeelt aan de hand van de hiervoor weergegeven uitgangspunten dient de Raad te toetsen of de Svb heeft gehandeld in strijd met deze uitgangspunten. De Raad heeft in de gedingstukken geen aanknopingspunten gevonden om deze vraag bevestigend te beantwoorden. De Raad voegt hieraan toe dat de toepassing van deze uitgangspunten in de onderhavige zaak, gezien de door appellante aangevoerde gronden, niet in strijd komt met het recht.

4.4. Het vorenstaande leidt tot de slotsom dat het beroep van appellante tegen het besluit van 26 augustus 2008 niet slaagt.

5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb inzake een vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 26 augustus 2008 ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door T.L. de Vries als voorzitter en H.J. de Mooij en B.W.N. de Waard als leden, in tegenwoordigheid van W. Altenaar als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 mei 2010.

(get.) T.L. de Vries.

(get.) W. Altenaar.

TM