Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BM5849

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-05-2010
Datum publicatie
27-05-2010
Zaaknummer
09-3823 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering. Voldoende medische en arbeidskundige gronddslag. Geen aanleiding tot twijfel aan de juistheid van de in de FML van 20 februari 2008 neergelegde beperkingen van appellant. De Raad overweegt verder dat het gegeven dat appellant bij beoordelingen in het verleden in verband met zijn psychische gezondheidstoestand steeds volledig arbeidsongeschikt is beschouwd, geen twijfel oproept aan de juistheid van de medische grondslag van het besluit van 20 augustus 2008. De Raad is voorts, met de rechtbank, van oordeel dat appellant met de door het Uwv in aanmerking genomen beperkingen in staat moet worden geacht de aan de schatting ten grondslag liggende functies te verrichten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/3823 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 29 mei 2009, 08/3814 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 21 mei 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. E. Wolter, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 april 2010. Appellant was vertegenwoordigd door mr. Wolter en het Uwv door mr. R.A. Sowka.

II. OVERWEGINGEN

1. Het Uwv heeft aan appellant ingaande 19 juli 1991 een volledige WAO-uitkering toegekend in verband met psychische klachten.

2.1. Het hoger beroep is gericht tegen de aangevallen uitspraak waarbij de rechtbank ongegrond heeft verklaard het beroep van appellant tegen het besluit op bezwaar van 20 augustus 2008 waarbij de WAO-uitkering van appellant per 10 juni 2008 is ingetrokken, omdat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant per die datum is afgenomen naar minder dan 15%.

2.2. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak geoordeeld dat het besluit van 20 augustus 2008 op een deugdelijke medische en arbeidskundige grondslag berust. De rechtbank heeft hiertoe overwogen dat zij geen aanknopingspunten heeft gevonden voor het oordeel dat de door het Uwv, in navolging van de bezwaarverzekeringsarts, voor appellant vastgestelde belastbaarheid onjuist is te achten en voorts dat in de aan de schatting ten grondslag liggende functies de belastbaarheid van appellant niet wordt overschreden.

3. In hoger beroep heeft appellant de in beroep aangevoerde grieven herhaald. Kort samengevat is het volgende aangevoerd. Appellant begrijpt niet dat bij een ongewijzigde medische situatie ten opzichte van beoordelingen in het verleden, waarbij hij vanaf 1991 steeds volledig arbeidsongeschikt is geacht, thans tot intrekking van de WAO-uitkering wordt besloten. Verder stelt appellant dat hij gelet op zijn lichamelijke en psychische klachten, waarvan herstel wordt belemmerd door zware psycho-sociale gezinsomstandigheden, meer beperkt is dan is verwoord in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML). In het bijzonder dient volgens appellant vanuit energetisch en preventief oogpunt een urenbeperking te worden aangenomen. Ten slotte heeft appellant herhaald dat hij niet in staat is tot het verrichten van de voor de schatting geselecteerde voltijdse functies.

4.1. De Raad overweegt het volgende.

4.2. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat geen aanleiding tot twijfel bestaat aan de juistheid van de in de FML van 20 februari 2008 neergelegde beperkingen van appellant en stelt zich volledig achter de overwegingen van de rechtbank terzake. De in hoger beroep overgelegde brief van huisarts D. van Wijngaarden van 30 maart 2010 leidt niet tot een andere conclusie aangezien daarin geen nieuwe informatie is vermeld ten aanzien van de psychische belastbaarheid van appellant op de datum in geding.

4.3. De Raad overweegt verder dat het gegeven dat appellant bij beoordelingen in het verleden in verband met zijn psychische gezondheidstoestand steeds volledig arbeidsongeschikt is beschouwd, geen twijfel oproept aan de juistheid van de medische grondslag van het besluit van 20 augustus 2008. De Raad merkt in dit verband op dat appellant voorafgaande aan de thans aan de orde zijnde herbeoordeling laatstelijk in januari 1997 op het spreekuur van een verzekeringsarts is gezien en beoordeeld. De Raad overweegt in dit verband verder dat de bezwaarverzekeringsarts zich bij de vaststelling van de psychische belastbaarheid op de datum in geding mede heeft gebaseerd op de bevindingen en conclusies van psychiater W.M.J. Hassing, die appellant op 11 februari 2008 heeft onderzocht.

4.4. De Raad is voorts, met de rechtbank, van oordeel dat appellant met de door het Uwv in aanmerking genomen beperkingen in staat moet worden geacht de aan de schatting ten grondslag liggende functies te verrichten.

4.5. Gelet op het voorgaande slaagt het hoger beroep niet. De aangevallen uitspraak dient dan ook te worden bevestigd. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door G. van der Wiel, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 mei 2010.

(get.) G. van der Wiel.

(get.) T.J. van der Torn.

KR