Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BM5571

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-05-2010
Datum publicatie
26-05-2010
Zaaknummer
09-2986 WTOS
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

herziening en terugvordering van de tegemoetkoming in de onderwijsbijdrage en schoolkosten over de periode vanaf 1 september 2006. De Raad overweegt allereerst dat, nu appellant vanaf september 2006 tot februari 2007 geen opleiding volgde, hij sowieso geen aanspraak kon maken op een tegemoetkoming als bedoeld in de Wtos. Met betrekking tot de periode na 1 februari 2007 kan de Raad zich geheel vinden in de overwegingen van de rechtbank. Dat appellant vanaf 1 februari 2007 wel in aanmerking had kunnen komen voor studiefinanciering, maakt dit niet anders.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/2986 WTOS

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 14 april 2009, 08/1333 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de hoofddirectie van de Informatie Beheer Groep (hierna: IB-Groep).

Datum uitspraak: 21 mei 2010

I. PROCESVERLOOP

In dit geding is een uitspraak aan de orde over een besluit dat is genomen door de IB-Groep. Op 1 januari 2010 is de Wet van 15 oktober 2009 tot intrekking van de Wet verzelfstandiging informatiseringsbank en wijziging van diverse wetten in verband met de oprichting van de Dienst Uitvoering Onderwijs in werking getreden. Als gevolg hiervan is de IB-Groep opgehouden te bestaan. Ingevolge artikel XXI, eerste lid, van de wet treedt in dit geding de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (hierna: de Minister) in de plaats van de IB-Groep. In deze uitspraak wordt onder de Minister tevens verstaan de IB-Groep.

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De Minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 april 2010. Appellant was niet aanwezig. Voor de Minister was aanwezig mr. K.F. Hofstee.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Blijkens de gedingstukken heeft appellant in de periode van september 2006 tot februari 2007 geen onderwijs/studie gevolgd. Met ingang van 1 februari stond hij ingeschreven bij de Hogeschool INHOLLAND.

1.2. Bij besluit van 19 maart 2008 heeft de Minister ongegrond verklaard het bezwaar van appellant tegen de besluiten van 28 november 2007 (Berichten Tegemoetkoming scholieren 2006, nr.3, 2007, nr.4, en 2008, nr.2) tot herziening en terugvordering van de tegemoetkoming in de onderwijsbijdrage en schoolkosten over de periode vanaf

1 september 2006.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard. Hierbij heeft zij overwogen dat het beroep van appellant is gericht tegen de herziening van de tegemoetkoming en de terugvordering over de periode 1 februari 2007 tot en met juli 2008, nu hij gedurende deze periode onderwijs volgde aan de Hogeschool INHOLLAND. De rechtbank heeft vastgesteld dat, nu appellant vanaf 1 februari 2007 een HBO-opleiding volgde, hij geen aanspraak kon maken op een tegemoetkoming op grond van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten (Wtos). Voorts heeft de rechtbank vastgesteld dat over de maand juli geen tegemoetkoming is verstrekt. De rechtbank heeft geconcludeerd dat de Minister in redelijkheid de tegemoetkoming over de periode februari 2007 tot en met juni 2007 heeft kunnen herzien op grond van het bepaalde in artikel 7.1, tweede lid, aanhef en onder c, van de Wtos. Gezien het bepaalde in artikel 7.3 van de Wtos dient appellant de ten onrechte ontvangen tegemoetkoming terug te betalen.

3. In hoger beroep is aangevoerd dat appellant de OV-studentenkaart maar zes weken in zijn bezit heeft gehad terwijl er voor meerdere maanden is berekend, en dat hij te laat studiefinanciering heeft ontvangen.

4.1. De Raad overweegt allereerst dat, nu appellant vanaf september 2006 tot februari 2007 geen opleiding volgde, hij sowieso geen aanspraak kon maken op een tegemoetkoming als bedoeld in de Wtos. Met betrekking tot de periode na 1 februari 2007 kan de Raad zich geheel vinden in de overwegingen van de rechtbank. Dat appellant vanaf 1 februari 2007 wel in aanmerking had kunnen komen voor studiefinanciering, maakt dit niet anders.

4.2. Het door appellant in hoger beroep aangevoerde valt buiten de omvang van het geding. Het besluit van 19 maart 2008 betreft niet de toekenning van studiefinanciering en evenmin een OV-schuld.

4.3. Gelet op het bovenstaande dient de aangevallen uitspraak te worden bevestigd.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door G. van der Wiel, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 mei 2010.

(get.) G. van der Wiel.

(get.) T.J. van der Torn.

KR