Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BM5552

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-05-2010
Datum publicatie
26-05-2010
Zaaknummer
09-2658 WSF
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Niet-ontvankelijk verklaring van het hoger beroep. Het door appellante met het hoger beroep beoogde resultaat van voortzetting van haar studiefinanciering is inmiddels bereikt door een nader besluit, waarbij de Minister aan appellante alsnog een studiefinanciering heeft toegekend nadat aan appellante een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd is verleend. Daardoor is het procesbelang aan appellantes hoger beroep komen te ontvallen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/2658 WSF

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 1 april 2009, 09/38 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de hoofddirectie van de Informatie Beheer Groep (hierna: IB-Groep).

Datum uitspraak: 21 mei 2010

I. PROCESVERLOOP

In dit geding is een uitspraak aan de orde over een besluit dat is genomen door de IB-Groep. Op 1 januari 2010 is de Wet van 15 oktober 2009 tot intrekking van de Wet verzelfstandiging informatiseringsbank en wijziging van diverse wetten in verband met de oprichting van de Dienst Uitvoering Onderwijs in werking getreden. Als gevolg hiervan is de IB-Groep opgehouden te bestaan. Ingevolge artikel XXI, eerste lid, van de wet treedt in dit geding de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (hierna: de Minister) in de plaats van de IB-Groep. In deze uitspraak wordt onder de Minister tevens verstaan de IB-Groep.

Namens appellante heeft mr. J.J.M. Heuvelmans, advocaat te Simpelveld, hoger beroep ingesteld.

De Minister heeft een verweerschrift ingediend en voorts een nader besluit van 18 juli 2009 overgelegd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 april 2010. Appellante is niet verschenen. De Minister was vertegenwoordigd door drs. P.M.S. Slagter.

II. OVERWEGINGEN

1. Bij besluit van 28 november 2008 heeft de Minister, beslissend op bezwaar, gehandhaafd zijn besluit van 7 november 2008 waarbij is geweigerd aan appellante vanaf 1 juli 2009 studiefinanciering toe te kennen omdat zij vanaf 24 juni 2009 niet langer voldoet aan de nationaliteitseis, wegens het per die datum aflopen van haar verblijfsvergunning voor bepaalde tijd.

2. De rechtbank heeft het tegen het besluit van 28 november 2008 ingestelde beroep bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Het is vaste rechtspraak van de Raad dat er sprake is van voldoende procesbelang indien het resultaat, dat de indiener van een bezwaar- of (hoger)beroepschrift met het maken van bezwaar of het instellen van (hoger) beroep nastreeft, ook daadwerkelijk kan worden bereikt en het resultaat voor deze indiener feitelijk betekenis kan hebben.

4.2. De Raad stelt vast dat het door appellante met het hoger beroep beoogde resultaat van voortzetting van studiefinanciering per juli 2009 inmiddels is bereikt door het nadere besluit van 18 juli 2009, waarbij de Minister aan appellante vanaf 1 juli 2009 studiefinanciering heeft toegekend nadat bij Beschikking van 19 juni 2009 aan appellante met ingang van 24 juni 2009 een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd is verleend. Daardoor is het procesbelang aan appellantes hoger beroep komen te ontvallen. Dat appellante een antwoord wil op de door haar tegen de aangevallen uitspraak en het besluit van 28 november 2008 geuite grieven valt niet als een rechtens te honoreren procesbelang aan te merken nu het beantwoorden van die grieven niet kan leiden tot een voor appellante gunstiger materieel resultaat.

4.3. Nu ook anderszins niet is gebleken dat appellante nog belang heeft bij het namens haar ingestelde hoger beroep, dient het hoger beroep niet-ontvankelijk te worden verklaard. Aan een beoordeling van de beroepsgronden tegen de aangevallen uitspraak komt de Raad dan ook niet toe.

5. De Raad ziet ten slotte geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door J. Brand, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 mei 2010.

(get.) J. Brand.

(get.) M.A. van Amerongen.

KR