Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BM5495

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-05-2010
Datum publicatie
26-05-2010
Zaaknummer
08-3678 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering. Voldoende medische grondslag. Voldoende zorgvuldig medische onderzoek. Terecht aangenomen dat er geen sprake is van een psychiatrische stoornis of een persoonlijkheidsstoornis. Appellante wordt in staat geacht gangbare arbeid te verrichten en dus ook de geduide functies te vervullen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/3678 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 30 mei 2008, 07/1187 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 21 mei 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft F. Westerveld te ’s-Gravendeel hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend onder bijvoeging van een rapport van bezwaarverzekeringsarts J.C.H. Schnitger-Horsthuis (hierna: de bezwaarverzekeringsarts) van 29 juli 2008.

Bij brieven van 24 april 2009, 22 oktober 2009, 18 december 2009 en 4 maart 2010 heeft appellante aanvullende stukken ingediend, waarop door het Uwv is gereageerd met rapporten van de bezwaarverzekeringsarts van 9 juni 2009, 4 november 2009 en 8 maart 2010.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 maart 2010. Appellante en haar gemachtigde zijn verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.H.J. van Kuilenburg.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellante was werkzaam als administratief medewerkster toen zij zich met ingang van 15 juni 1983 voor haar werkzaamheden ziek heeft gemeld in verband met psychische klachten na een auto-ongeval. In aansluiting op de wettelijke wachttijd is haar een arbeidsongeschiktheidsuitkering toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80% of meer.

1.2. Appellante is in het kader van een herbeoordeling op grond van het aangepaste Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten (aSB) onderzocht door de arts

W.R. van Oostendorp. Hoewel appellante tijdens dat onderzoek claimde niet te kunnen werken vanwege haar knie- en rugklachten, geheugen- en concentratievermindering en angsten voor openbare ruimten, kon Van Oostendorp bij lichamelijk onderzoek vrijwel geen objectief aantoonbare afwijkingen aan de rug en knieën vaststellen behoudens enige beperkingen in bewegingsexcursies die hij toeschreef aan deconditionering. Ook ten aanzien van de cognitieve klachten vond deze arts onvoldoende aanwijzingen dat deze zodanig ernstig waren dat daarvoor arbeidsbeperkingen moesten worden aangenomen. Voor het opnemen van structurele beperkingen in verband met de door appellante aangegeven angsten in openbare ruimten zag Van Oostendorp evenmin aanleiding. De belangrijkste oorzaak van haar klachten achtte hij gelegen in deconditionering, en dus gedrag, ontstaan door irreële angsten. Uitgaande van de diagnose karakterneurose, concludeerde deze arts dat appellante in staat diende te worden geacht om normaal te functioneren, zij het - vanwege haar persoonlijkheidsstructuur - met enige beperkingen ten aanzien van het persoonlijk en sociaal functioneren. In de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 9 februari 2006 noteerde hij deze beperkingen als “beperkende toelichtingen” in de rubrieken 1 en 2. Op basis van deze FML concludeerde de arbeidsdeskundige B.F. Ensie in zijn rapport van 20 juni 2006 - na functieduiding - dat er geen verlies aan verdiencapaciteit optrad, waarna het Uwv bij besluit van 21 juni 2006 de WAO-uitkering van appellante met ingang van 22 augustus 2006 introk.

2.1. Uit het verslag van de - naar aanleiding van het door appellante gemaakte bezwaar tegen het besluit van 21 juni 2006 - op 11 september 2006 gehouden hoorzitting komt naar voren dat de aldaar ook aanwezige bezwaarverzekeringsarts aan appellante heeft voorgesteld om een psychiater een expertise te laten verrichten. Appellante ging daarmee akkoord, mits sprake was van een onafhankelijke psychiater en op voorwaarde dat deze niet de eerder in 1984 en 1995 over appellante opgemaakte rapporten onder ogen zou krijgen. Appellante kon wel instemmen met het voorstel van de bezwaarverzekeringsarts om in een begeleidende brief melding te maken van de in het verleden gestelde diagnoses en ook van de twijfel of deze nu nog van toepassing zijn.

2.2. Op 20 december 2006 rapporteerde de aldus aangezochte psychiater mr. drs. J. Groenendijk. Uit deze expertise komt naar voren dat deze psychiater bij appellante een psychiatrische stoornis in engere zin noch een persoonlijkheidsstoornis heeft kunnen vaststellen. In verband met de vele lichamelijke klachten adviseerde Groenendijk een neuroloog of orthopeed te laten rapporteren.

2.3. In haar rapport van 5 februari 2007 heeft de bezwaarverzekeringsarts neergelegd dat de bevindingen van Van Oostendorp en haar eigen bevindingen bij het onderzoek na afloop van de hoorzitting geen duidelijke psychopathologie lieten zien en een normaal persoonlijk en sociaal functioneren, terwijl uit de bij appellante verrichte psychiatrische expertise naar voren is gekomen dat er geen sprake is van een psychiatrische diagnose, zodat er geen beperkingen zijn aan te geven in het persoonlijk en sociaal functioneren. Ten aanzien van de somatische klachten van appellante heeft de bezwaarverzekeringsarts genoteerd dat bij het door haar verrichte lichamelijk onderzoek geen functiebeperkingen in het rechter (lees: linker) been zijn vastgesteld. Gelet op haar dagelijks functioneren en het feit dat appellante voor deze klachten niet meer onder behandeling was en ook geen pijnstillende medicatie gebruikte, was er geen reden daarvoor beperkingen op te nemen, aldus de bezwaarverzekeringsarts. Ten slotte heeft zij beargumenteerd waarom er geen indicatie voor een urenbeperking was. De door Van Oostendorp in de FML opgenomen beperkende toelichtingen ten aanzien van het persoonlijk en sociaal functioneren werden door haar geschrapt en ook overigens werden geen beperkingen in de door haar opgestelde (kritische) FML van 6 februari 2007 vastgelegd.

2.4. Bij besluit van 6 februari 2007 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar tegen het besluit van 21 juni 2006 ongegrond verklaard. Nu er geen sprake is van ziekte of gebrek is er geen reden om beperkingen toe te kennen. Appellante wordt in staat geacht gangbare arbeid te verrichten en dus ook de geduide functies te vervullen.

3. In beroep heeft appellante de juistheid van het bestreden besluit gemotiveerd bestreden. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien te twijfelen aan de juistheid van de medische beoordeling van de bezwaarverzekeringsarts, die haar conclusie voldoende heeft onderbouwd. Evenmin is de rechtbank gebleken dat het medisch onderzoek onvolledig is geweest. Het aan het door Van Oostendorp, zijnde niet een geregistreerd verzekeringsarts, verrichte onderzoek klevende gebrek is naar het oordeel van de rechtbank in bezwaar hersteld. Omdat ook de aan de schatting ten grondslag gelegde functies in medisch opzicht geschikt voor appellante zijn, heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard.

4.1. In hoger beroep heeft appellante - kort samengevat - aangevoerd dat het medisch onderzoek onzorgvuldig is geweest en dat haar beperkingen zijn onderschat. Voorts is aangevoerd dat het aSB onverbindend is wegens strijd met verschillende Europeesrechtelijke bepalingen en is kritiek geuit op het CBBS en de geschiktheid van de functies.

4.2. Het Uwv heeft hierop gereageerd in het verweerschrift en de hiervoor onder I vermelde rapporten.

5. De Raad is tot de volgende beoordeling gekomen.

5.1. Evenals de rechtbank is ook de Raad van oordeel dat het medisch onderzoek voldoende zorgvuldig is te achten. Weliswaar was Van Oostendorp ten tijde van zijn onderzoek niet geregistreerd als verzekeringsarts, maar dat gebrek is in bezwaar hersteld, nu de bezwaarverzekeringsarts bij de hoorzitting aanwezig is geweest, appellante aansluitend heeft onderzocht en een psychiatrische expertise heeft laten verrichten. Hoewel het opmerkelijk is dat de bezwaarverzekeringsarts is meegegaan met het bezwaar van appellante tegen het meesturen van de eerder over haar uitgebrachte rapporten, was psychiater Groenendijk door de begeleidende brief van de bezwaarverzekeringsarts van 12 september 2006 wel adequaat geïnformeerd over de daarin neergelegde diagnosen. Gelet op de uitkomsten van het door Groenendijk bij appellante verrichte onderzoek, waarover zij op 20 december 2006 inzichtelijk en deugdelijk gemotiveerd aan de bezwaarverzekeringsarts heeft gerapporteerd, ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat de daarin getrokken conclusie over het ontbreken van een psychiatrische stoornis of een persoonlijkheidsstoornis niet zou dienen te worden gevolgd dan wel dat anderszins de psychische belastbaarheid van appellante door het Uwv zou zijn overschat. Met betrekking tot de gestelde lichamelijke klachten is naar het oordeel van de Raad door de bezwaarverzekeringsarts in haar eerder vermelde rapporten voldoende onderbouwd waarom deze niet tot nader specialistisch onderzoek, zoals door Groenendijk gesuggereerd, dan wel het aannemen van beperkingen in de FML behoren te leiden.

5.2. Het moge zo zijn dat appellante gedurende vele jaren een arbeidsongeschiktheidsuitkering heeft ontvangen, dit laat onverlet dat het Uwv - na een zorgvuldig verricht onderzoek - genoegzaam heeft onderbouwd dat er bij appellante op 22 augustus 2006 geen verminderd arbeidsvermogen als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek bestond, zodat appellante per die datum geen aanspraak op een WAO-uitkering kon maken.

5.3. Hieruit vloeit voort dat de overige door appellante naar voren gebrachte gronden niet meer hoeven te worden beoordeeld, zoals ook ter zitting met partijen - in veronderstellende zin - is besproken.

5.4. Uit de overwegingen 5 tot en met 5.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en C.W.J. Schoor en J.P.M. Zeijen als leden, in tegenwoordigheid van D.E.P.M. Bary als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 mei 2010.

JL