Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BM5209

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-05-2010
Datum publicatie
21-05-2010
Zaaknummer
08-315 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

College heeft zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat appellant niet woonachtig was op het door hem opgegeven adres. Dit betekent dat het besluit wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht dient te worden vernietigd, evenals de aangevallen uitspraak. De Raad merkt op dat het College eerst nader onderzoek zal dienen te verrichten naar de vraag of ook de hoofdhuurder op het betrokken adres zijn hoofdverblijf heeft en indien dat het geval is, of gesproken kan worden van wederzijdse zorg.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/315 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 18 december 2007, 06/4481 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: College)

Datum uitspraak: 4 mei 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. drs. C.M.E. Schreinemacher, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 april 2010. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. drs. Schreinemacher. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.M. Tjen A Kwoei, werkzaam bij de gemeente Amsterdam.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Op 2 februari 2006 heeft appellant een aanvraag om bijstand ingediend. Bij besluit van 24 maart 2006 is deze aanvraag afgewezen op de grond dat appellant niet heeft gereageerd op oproepen, waardoor de woonsituatie op het opgegeven adres, [adres ] te [woonplaats], niet kon worden vastgesteld.

1.2. Op 28 maart 2006 heeft appellant een nieuwe, verkorte aanvraag om bijstand ingediend. Bij deze aanvraag heeft appellant hetzelfde adres opgegeven en vermeld aldaar inwonend te zijn bij een vriend. Naar aanleiding van die aanvraag heeft het College een onderzoek ingesteld naar de woonsituatie van appellant. In dat kader is op 16 mei 2006 een huisbezoek afgelegd op het door appellant aangegeven adres. Op grond van de bevindingen van dat huisbezoek, neergelegd in een rapportage van 18 mei 2006, heeft het College bij besluit van 19 mei 2006, kennelijk onder intrekking van het besluit van 24 maart 2006, de aanvraag van 2 februari 2006 afgewezen. Het College heeft zich op het standpunt gesteld dat appellant niet woont op het door hem opgegeven adres en dat als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of hij recht heeft op bijstand.

1.3. Bij besluit van 27 juli 2006 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 19 mei 2006 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 27 juli 2006 ongegrond verklaard.

3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd, overweegt de Raad het volgende.

3.1. Ingevolge artikel 40, eerste lid, van de WWB bestaat recht op bijstand jegens het college van de gemeente waar de belanghebbende woonplaats heeft als bedoeld in de artikelen 10, eerste lid, en 11 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek. De vraag waar iemand zijn woonadres heeft, dient naar vaste rechtspraak te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. De belanghebbende is verplicht juiste en volledige informatie over zijn woonadres te verstrekken, aangezien dat gegeven van essentieel belang is voor de verlening van bijstand. In geval het gaat om een aanvraag ligt het op de weg van de aanvrager hierover de nodige duidelijkheid te verschaffen. Vervolgens is het aan het bijstandverlenend orgaan om deze inlichtingen op juistheid en volledigheid te controleren. Indien de belanghebbende niet aan de inlichtingenverplichting voldoet, is dat een grond voor weigering van de bijstand indien als gevolg van het niet nakomen van die verplichting het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

3.2. Tussen partijen zijn de navolgende feiten en omstandigheden niet in geschil. Appellant beschikte over de sleutels van de tweekamerwoning, in de woning waren levensmiddelen aanwezig, de woning was ook verder bewoonbaar, in de woning was een lederen tas van appellant met daarin zijn persoonlijke administratie en een koffer van hem met wat kledingstukken. Verder gaat het College er inmiddels vanuit, zo is ter zitting meegedeeld, dat appellant in de woning beschikte over een eigen tandenborstel en kam. De Raad neemt voorts in aanmerking een door appellant in bezwaar ingebrachte verklaring van de hoofdbewoner, dat appellant sinds oktober 2005 bij hem verblijft en op de bank slaapt, welk gegeven spoort met het aantreffen van een laken op de bank bij het huisbezoek. Appellant heeft toegelicht dat de hoofdbewoner veel bij zijn vriendin verblijft. Omtrent de door het College van belang geachte omstandigheid dat verder geen persoonlijke spullen van appellant in de woning zijn aangetroffen, heeft appellant naar voren gebracht dat hij bij zijn aankomst in Nederland, enkele jaren geleden, komende uit Suriname, over erg weinig persoonlijke spullen beschikte, dat hij na zijn scheiding spullen in de woning van zijn ex-partner heeft achtergelaten en dat het weinige dat hij bezat zich in zijn koffer bevond, maar dat deze koffer bij het huisbezoek niet diepgaand is doorzocht. In aanmerking genomen dat omtrent de bevindingen van de koffer bij het huisbezoek niet een door appellant ondertekende verklaring is opgemaakt, acht de Raad deze toelichting van appellant niet ongeloofwaardig.

3.3. Op grond van de onder 3.2 weergegeven feiten en omstandigheden is de Raad, anders dan de rechtbank, van oordeel dat het College zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat appellant ten tijde hier van belang niet woonachtig was op het door hem opgegeven adres. Dit betekent dat het besluit van 27 juli 2006 wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht dient te worden vernietigd, evenals de aangevallen uitspraak, waarbij dat besluit ten onrechte in stand is gelaten. Het College zal opnieuw op het bezwaar van appellant tegen het besluit van 19 mei 2006 dienen te beslissen. Naar aanleiding van de in het besluit van 27 juli 2006 opgenomen niet nader gemotiveerde overweging ten overvloede dat sprake zou zijn van een gezamenlijke huishouding merkt de Raad op dat het College eerst nader onderzoek zal dienen te verrichten naar de vraag of ook de hoofdhuurder op het betrokken adres zijn hoofdverblijf heeft en indien dat het geval is, of gesproken kan worden van wederzijdse zorg.

4. De Raad ziet aanleiding het College te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze worden begroot op € 644,-- in beroep en op eveneens € 644,-- in hoger beroep, wegens verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het besluit van 27 juli 2006;

Bepaalt dat het College een nieuw besluit neemt op het bezwaar tegen het besluit van 19 mei 2006, met inachtneming van deze uitspraak;

Veroordeelt het College in de proceskosten van appellant in beroep ten bedrage van € 644,-- te betalen aan de griffier van de Raad;

Veroordeelt het College in de proceskosten van appellant in hoger beroep ten bedrage van € 644,--;

Bepaalt dat het College aan appellant het door hem in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 144,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J.C.F. Talman, in tegenwoordigheid van E. Heemsbergen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 mei 2010.

(get.) J.C.F. Talman.

(get.) E. Heemsbergen.

AV