Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BM5200

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-05-2010
Datum publicatie
20-05-2010
Zaaknummer
09-4857 WIA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WGA-uitkering. Voldoende medische grondslag. Uitgaande van de juistheid van de voor appellant vastgestelde belastbaarheid in de FML is de Raad van oordeel dat de aan appellant geduide functies voor appellant in medisch opzicht geschikt zijn te achten. De Raad is van oordeel dat er geen aanknopingspunten zijn dat appellant de geduide functies gelet op zijn kennis van de Nederlandse taal, ervaring en opleidingsniveau niet zou kunnen verrichten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/4857 WIA

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 22 juli 2009, 08/8850 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 12 mei 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.C. Kwakkelstein-Doornbos, advocaat te Delft, hoger beroep ingesteld en een stuk ingezonden.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft bij schrijven van 14 december 2009 een expertise in het geding gebracht, waarop door het Uwv onder toezending van een rapport van een bezwaarverzekeringsarts is gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 maart 2010. Appellant is verschenen bijgestaan door haar gemachtigde. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J. van Riet.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant heeft op 9 augustus 2004 vanwege rugklachten, die indertijd werden toegeschreven aan wervelkanaalstenose, zijn werkzaamheden als productiemedewerker gestaakt. Het Uwv heeft vastgesteld dat voor appellant ingaande 7 augustus 2006 recht is onstaan op een loongerelateerde WGA-uitkering, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

1.2. Bij besluit van 23 juni 2008, gehandhaafd bij besluit op bezwaar van 4 november 2008 (hierna: het bestreden besluit), heeft het Uwv de WGA-uitkering van appellant ingaande 23 augustus 2008 ingetrokken onder de overweging dat de mate van zijn arbeidsongeschiktheid minder bedraagt dan 35%. Dit besluit berust op het standpunt van het Uwv dat appellant ten gevolge van chronische lage rugpijnklachten, die niet verklaard kunnen worden door een specifieke lichamelijk oorzaak, beperkt is in zijn belastbaarheid en ongeschikt is te achten voor de maatmanfunctie. Het verlies aan verdiencapaciteit is door het Uwv op grond van een theoretische schatting berekend op 13,1%.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft over de medische grondslag van het bestreden besluit geoordeeld dat zij geen redenen heeft om te twijfelen aan de zorgvuldigheid van het medisch onderzoek door het Uwv en de juistheid van de conclusies daarvan. Over de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit heeft de rechtbank geoordeeld dat het Uwv genoegzaam heeft aangetoond dat de voor appellant geduide functies in medisch opzicht geschikt te achten zijn voor hem. De rechtbank heeft appellant niet gevolgd in zijn stelling dat hij vanwege zijn gebrekkige kennis van de Nederlandse taal en zijn opleidingsniveau de geduide functies niet kan verrichten.

3.1. In hoger beroep heeft appellant de juistheid van de aangevallen uitspraak aangevochten.

3.2. Appellant kan zich niet vinden in het oordeel van de rechtbank dat het medisch onderzoek zorgvuldig is geweest. Hij acht de omvang van de door het Uwv verrichte medische onderzoeken daarvoor te beperkt. Verder heeft appellant aangevoerd dat het Uwv zijn belastbaarheid niet juist heeft vastgesteld. Appellant acht zich op psychische en lichamelijke gronden zwaarder beperkt dan is aangenomen door het Uwv. Ter onderbouwing daarvan heeft appellant verwezen naar een brief van revalidatiearts E. Pirard van 6 juli 2009 en de conclusies van een - op zijn verzoek uitgebrachte - expertiseverslag van verzekeringsarts C.J. Ockeloen. Uit het verslag van 22 september 2009 van Ockeloen blijkt naar de mening van appellant dat hij ten gevolge van de aanvankelijk vastgestelde - en later onjuist gebleken - diagnose wervelkanaalstenose een pathologische angst voor pijn heeft ontwikkeld. Die pathologische angst heeft mede zijn gedrag bepaald. Ockeloen zou, zo stelt appellant, hebben vastgesteld dat er bij hem sprake is van een psychische stoornis. Appellant benadrukt dat ook door Pirard is vastgesteld dat bij hem sprake is van lijdensdruk.

3.3. Over de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit heeft appellant gesteld dat de belasting in voor hem geduide functies niet in overeenstemming is met zijn belastbaarheid. Appellant heeft herhaald dat hij de geduide functies vanwege zijn beperkte kennis van de Nederlandse taal en zijn opleidingsniveau niet kan verrichten.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1.1. De Raad heeft in hetgeen appellant in hoger beroep heeft gesteld geen aanleiding gezien om over de medische grondslag van het bestreden besluit een ander oordeel te geven dan de rechtbank.

4.1.2. Met de rechtbank en op de door haar in de aangevallen uitspraak vermelde overwegingen is de Raad van oordeel dat het medisch onderzoek zorgvuldig is geweest en dat niet valt in te zien dat de bezwaarverzekeringsarts niet mocht varen op zijn eigen oordeel. De Raad volgt appellant niet in zijn stelling dat de bezwaarverzekeringsarts niet had mogen afgaan op de door hem ter hoorzitting gedane mededeling over de uitkomsten van een in juni 2008 gemaakte MRI-scan in de Sint Maartenskliniek. De Raad neemt daarbij in aanmerking dat appellant goed op de hoogte was van zijn medische situatie en van de uitkomsten van dat onderzoek.

4.1.3. Het is de Raad niet gebleken dat het Uwv de beperkingen van appellant op medische gronden naar objectieve maatstaven gemeten heeft onderschat. De verzekeringsartsen van het Uwv hebben op basis van ontvangen informatie van de behandelend artsen vastgesteld dat bij appellant sprake is van enige discopathie op L4-5 en L5-S1. De verzekeringsartsen hebben een duidelijke discrepantie waargenomen tussen de gepresenteerde (rugpijn)klachten en de objectieve bevindingen. Zij hebben daarbij in aanmerking genomen dat andere specifieke lichamelijke oorzaken voor de rugpijn, zoals een HNP of kanaalstenose, zijn uitgesloten. Het door appellant ervaren onvermogen berust naar het standpunt van de bezwaarverzekeringsarts van het Uwv grotendeels op pijnvermijdend, pijncontingent gedrag dat niet als uiting van ziekte beschouwd kan worden. De chronische lage rugpijnklachten hebben de verzekeringsartsen aanleiding gegeven in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) beperkingen te formuleren ten aanzien van de rubrieken ‘aanpassing aan fysieke omgevingseisen’, ‘dynamische handelingen’ en ‘statische houdingen’. Bij hun onderzoek hebben de verzekeringsartsen van het Uwv geen aanwijzingen voor psychopathologie en/of ernstige persoonlijkheidsproblematiek vastgesteld. De geclaimde verhoogde prikkelbaarheid en verminderde aandachtsconcentratie is naar de mening van de bezwaarverzekeringsarts te beschouwen als een ‘normale’ respons op een frustrerende situatie en niet als uiting van ziekte. Beperkingen ten aanzien van het persoonlijk en sociaal functioneren zijn om deze reden niet aangenomen. De in hoger beroep in geding gebrachte medische stukken hebben de bezwaarverzekeringsarts geen aanleiding gegeven een ander standpunt in te nemen ten aanzien van de belastbaarheid van appellant. De bezwaarverzekeringsarts heeft daartoe overwogen dat de in hoger beroep in geding gebrachte verklaring van revalidatiearts Pirard geen nieuwe gezichtspunten laat zien vergeleken met zijn eerder schrijven van 4 februari 2009 welke in beroep in het geding is gebracht en ten aanzien waarvan is overwogen dat daaruit niet blijkt van psychische klachten of een psychische stoornis, maar enkel van de noodzaak van psychologische begeleiding met als doel te leren omgaan met pijn. Ten aanzien van het expertiseverslag van Ockeloen heeft de bezwaarverzekeringsarts gesteld dat hij de door deze vastgestelde diagnose ‘pijnstoornis’ niet kan delen omdat niet is voldaan het daarvoor noodzakelijke criterium dat psychische factoren worden verondersteld een belangrijke rol te spelen bij het begin, de ernst, de verergering of het voortduren van de rugpijn. Zelfs indien aangenomen dient te worden dat toch sprake is van een pijnstoornis, dan is daarmee, aldus de bezwaarverzekeringsarts, niet gezegd dat de psychische belastbaarheid verminderd is. De bezwaarverzekeringsarts heeft Ockeloen verder niet gevolgd in zijn stelling dat appellant na vier uur actief te zijn, één uur dient te liggen omdat dit niet gedragen wordt door de zeer geringe objectieve afwijkingen en antirevaliderend werkt. De Raad onderschrijft deze overwegingen van de bezwaarverzekeringsarts.

4.2. Uitgaande van de juistheid van de voor appellant vastgestelde belastbaarheid in de FML van 10 april 2008 is de Raad van oordeel dat de aan appellant geduide functies, gelet op de daaraan verbonden belastende aspecten, voor appellant in medisch opzicht geschikt zijn te achten. De onderbouwing hiervoor is gegeven in de notitie functiebelasting van 10 april 2008 en het rapport van bezwaararbeidsdeskundige J.M.H. Veugelaers van 3 november 2008. Hierin wordt een als genoegzaam aan te merken toelichting gegeven op de bij de geselecteerde functies aangebrachte signaleringen. Evenals de rechtbank en op de door haar in de aangevallen uitspraak vermelde overwegingen is de Raad van oordeel dat er geen aanknopingspunten zijn dat appellant de geduide functies gelet op zijn kennis van de Nederlandse taal, ervaring en opleidingsniveau niet zou kunnen verrichten.

4.3. Uit hetgeen onder 4.1 en 4.2 is overwogen volgt dat het hoger beroep van appellant niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H. Bolt, in tegenwoordigheid van M. Mostert als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 mei 2010.

(get.) H. Bolt.

(get.) M. Mostert.

JL