Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BM5100

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-04-2010
Datum publicatie
20-05-2010
Zaaknummer
08-3394 AOW + 10-463 AOW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Schorsing toegekende voorschot op de AOW-toeslag, omdat appellant niet had gereageerd op verzoeken om informatie over zijn echtgenote. Beoordelingsperiode. Grote onduidelijkheid over de vraag met wie appellant gehuwd was. Deze informatie is van wezenlijk belang voor de beoordeling van de aanspraak op de toeslag-AOW. De Svb heeft terecht de toeslag geschorst.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 6:18
Algemene wet bestuursrecht 6:19
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2010/190
USZ 2010/219
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/3394 AOW

10/463 AOW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 26 mei 2008, 08/211 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: Svb).

Datum uitspraak: 21 april 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. P.H.A. Brauer, advocaat te Heerlen, hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 29 januari 2010 heeft mr. Brauer nog enige stukken in het geding gebracht. De Svb heeft daarop gereageerd bij brief van 9 februari 2010.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 maart 2010. Appellant is daarbij, met kennisgeving, niet verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Sturmans.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant, geboren [in] 1939, heeft in maart 2004 een aanvraag om een ouderdomspensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW) ingediend bij de Svb. Daarbij heeft hij vermeld dat hij gehuwd is met [echtgenote 1], geboren op

[in] 1941. Ook in de Gemeentelijke Basisadministratie (hierna: GBA) is geregistreerd dat appellant, in 1960, is gehuwd met [echtgenote].

1.2. De Svb heeft vervolgens met ingang van juli 2004 een voorschot op het AOW-pensioen toegekend aan appellant ter hoogte van € 542,37 per maand. Voorts heeft de Svb, in verband met de beoordeling van de mogelijke aanspraak op een toeslag ingevolge de AOW, aan appellant verzocht een levensbewijs van zijn echtgenote toe te sturen. In oktober 2005 heeft appellant een levensbewijs aan de Svb gezonden, waarop is vermeld dat hij op 9 mei 1968 is gehuwd met [echtgenote 2], geboren op [in] 1950. Daarbij is namens appellant aangegeven dat de registratie in de GBA ten aanzien van zijn echtgenote onjuist is.

1.3. Bij besluit van 1 november 2005 heeft de Svb aan appellant tevens een voorschot op de AOW-toeslag toegekend. Vervolgens heeft de Svb nadere inlichtingen ingewonnen over de echtgenote van appellant. Nadat de gemeente Heerlen had gemeld dat [echtgenote 2] niet bekend is, heeft de Svb appellant in de gelegenheid gesteld de registratie in de GBA recht te zetten. Appellant is daarin niet geslaagd.

1.4. Bij besluit van 9 oktober 2007 heeft de Svb het aan appellant toegekende voorschot op de AOW-toeslag met ingang van 1 oktober 2007 geschorst, omdat appellant niet had gereageerd op verzoeken om informatie over zijn echtgenote.

1.5. Bij beslissing op bezwaar van 18 januari 2008 (hierna: bestreden besluit) heeft de Svb het bezwaar van appellant tegen het besluit van 9 oktober 2007 ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het besteden besluit eveneens ongegrond verklaard.

3.1. Namens appellant is in hoger beroep aangevoerd dat de AOW-toeslag ten onrechte is geschorst in 2007.

3.2. De Svb heeft uiteindelijk een onderzoek laten verrichten in Marokko door een medewerker van de Nederlandse ambassade te Rabat. Uit het verslag van dit, in februari 2009 verrichte, onderzoek blijkt dat appellant sinds 1965 geen contact meer heeft gehad met zijn eerste echtgenote, die [echtgenote 1] heette, en dat zij inmiddels overleden zou zijn. De tweede echtgenote van appellant is [echtgenote 2], met wie hij op 9 mei 1968 is gehuwd.

3.3. De Svb heeft na kennisneming van het resultaat van dit onderzoek bij brief van 9 juni 2009 aan appellant medegedeeld dat de schorsing van het voorschot op de AOW-toeslag met ingang van 1 juni 2009 is opgeheven en dat de toeslag over de periode van oktober 2007 tot en met mei 2009 nabetaald zal worden.

3.4. Namens appellant is ten slotte aangevoerd dat de Svb in zoverre niet volledig aan zijn beroep is tegemoet gekomen, dat geen proceskosten zijn vergoed.

4. De Raad overweegt het volgende.

4.1. Voorop moet worden gesteld dat de beoordeling van een schorsingsbesluit als het onderhavige dient te geschieden aan de hand van de situatie ten tijde van het nemen van dat besluit en niet aan de hand van latere ontwikkelingen (zie de uitspraken van 21 januari 2000, RSV 2000/62 en 3 april 2006, LJN: AV8549).

4.2. Het bestreden besluit is gebaseerd op artikel 4 van de op artikel 17 van de AOW gebaseerde Beschikking van 12 juli 1985 (Stcrt. 1985, 136). Ingevolge deze bepaling is de Svb bevoegd, indien hij van oordeel is of vermoedt dat tot intrekking of vermindering van een ouderdomspensioen dient te worden overgegaan, de uitbetaling van het pensioen of een gedeelte ervan te schorsen. Voorts vloeit uit artikel 21 van de AOW voort dat artikel 4 van voornoemd Besluit eveneens van toepassing is op toegekende voorschotten.

4.3. De Raad stelt vast dat in oktober 2007 grote onduidelijkheid bestond over de vraag met wie appellant gehuwd was. Deze informatie is van wezenlijk belang voor de beoordeling van de aanspraak op de toeslag-AOW. Indien nog sprake was van een huwelijk met [echtgenote 1] in oktober 2007 dan zou in ieder geval geen recht meer bestaan op toeslag, gelet op haar geboortedatum. Gelet op deze feiten en omstandigheden heeft de Svb naar het oordeel van de Raad terecht besloten de betaling van het voorschot op de AOW-toeslag van appellant te schorsen.

4.4. Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet kan slagen, zodat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, voor bevestiging in aanmerking komt.

4.5. Uit hetgeen hiervoor is overwogen vloeit evenzeer voort dat het besluit van de Svb van 9 juni 2009 niet aangemerkt kan worden als een besluit waarbij de Svb het bestreden besluit heeft gewijzigd, zodat er reeds op deze grond - nog afgezien van de vraag of met het besluit van 9 juni 2009 niet geheel is tegemoet gekomen aan appellant - geen aanleiding is dit besluit in deze procedure te betrekken.

5. De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten. Daarbij wijst de Raad erop dat de opheffing van de schorsing en de hervatting van de betaling niet kan worden aangemerkt als een tegemoetkoming aan het bezwaar en beroep van appellant tegen het besluit van 9 oktober 2007 en het bestreden besluit. Dat voor appellant met de hervatting van de betaling materieel bezien eenzelfde resultaat is bereikt als hij met zijn beroep heeft willen bereiken, doet aan het vorenstaande niet af.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade als voorzitter en T.L. de Vries en B.J. van der Net als leden, in tegenwoordigheid van W. Altenaar als griffier.

De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 april 2010.

(get.) M.M. van der Kade.

(get.) W. Altenaar.

CVG