Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BM5091

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-05-2010
Datum publicatie
20-05-2010
Zaaknummer
10-2128 WWB-VV + 10-2129 WWB-VV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om voorlopige voorziening. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kan de omstandigheid dat verzoekers geen middelen van bestaan meer hebben niet in verband worden gebracht met de afwijzing van de in de hoofdzaak aan de orde zijnde aanvraag om bijstand.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/2128 WWB-VV

10/2129 WWB-VV

Centrale Raad van Beroep

Voorzieningenrechter

U I T S P R A A K

als bedoeld in artikel 8:84, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van de Beroepswet op het verzoek om voorlopige voorziening van:

[Verzoeker 1] en [Verzoeker 2], wonende te [woonplaats] (hierna: verzoekers),

in verband met het hoger beroep van:

verzoekers

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 9 maart 2010, 09/3177 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

verzoekers

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Tiel (hierna: College)

Datum uitspraak: 6 mei 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens verzoekers heeft mr. E.C. Cerezo-Weijsenfeld, advocaat te Haarlem, hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.

Namens verzoekers heeft mr. Cerezo-Weijsenfeld tevens een verzoek om voorlopige voorziening gedaan.

II. OVERWEGINGEN

1. De voorzieningenrechter gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Verzoekers hebben op 27 februari 2009 herhaalde aanvragen om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De staatssecretaris van Justitie heeft deze aanvragen bij besluiten van 5 maart 2009 afgewezen. Verzoekers hebben hiertegen beroep ingesteld. Tevens hebben zij de voorzieningenrechter van de rechtbank ’s-Gravenhage, nevenzittingsplaats Groningen, verzocht de voorlopige voorziening te treffen dat uitzetting achterwege blijft tot op het beroep is beslist. Bij zijn uitspraak van 27 maart 2009 heeft de voorzieningenrechter het verzoek toegewezen.

1.2. Verzoekers wonen in een huurwoning in [woonplaats]. Tot 1 januari 2010 ontvingen zij van de Stichting Gelders Netwerk Noodopvang Asielzoekers (hierna: Stichting) € 1.200,-- per maand aan leefgeld. Vanaf 1 januari 2010 ontvangen verzoekers geld van de gemeente Tiel, maar niet onder de titel van bijstand.

1.3. Verzoekers hebben, mede namens hun minderjarige kinderen, op 3 november 2008 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor gehuwden aangevraagd. Op 24 maart 2009 hebben verzoekers bezwaar gemaakt tegen het uitblijven van een besluit inzake verlening van bijstand.

1.4. Op 1 april 2009 hebben verzoekers bijstand aangevraagd, voor zover niet reeds een aanvraag is gedaan. Bij besluit van 9 april 2009 heeft het College de aanvraag afgewezen op de grond dat hun verblijfsstatus aan de verstrekking van bijstand in de weg staat. Ten aanzien van de minderjarige kinderen van verzoekers staat een voorliggende voorziening aan de aanwezigheid van zeer dringende redenen als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de WWB in de weg. Verzoekers hebben bezwaar gemaakt tegen dit besluit.

1.5. Bij besluit van 6 juli 2009 heeft het College het bezwaar tegen het niet tijdig nemen van een besluit niet-ontvankelijk verklaard, en het bezwaar tegen het besluit van 9 april 2009 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - met bepalingen omtrent proceskosten en griffierecht - het beroep van verzoekers gegrond verklaard, het besluit van 6 juli 2009 vernietigd voor zover daarbij is beslist op het bezwaar gericht tegen het niet tijdig beslissen op de aanvraag van 3 november 2008 en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde deel van het besluit in stand blijven. De rechtbank heeft, voor zover hier van belang, overwogen dat geen sprake is van zeer dringende redenen in de zin van artikel 16, eerste lid, van de WWB omdat verzoekers maandelijks € 1.200,-- ontvangen van de Stichting, zodat in het midden kan blijven of artikel 16, tweede lid, van de WWB wegens strijd met artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden buiten toepassing moet blijven.

3. Verzoekers hebben zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De voorzieningenrechter komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 21 van de Beroepswet kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank of van de voorzieningenrechter van de rechtbank als bedoeld in artikel 18, eerste lid, van de Beroepswet hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

4.2. Verzoekers hebben aangegeven dat de gemeente op 8 april 2010 heeft medegedeeld dat de betalingen die zij van de gemeente ontvangen per 1 mei 2010 zullen stoppen. Namens verzoekers is verzocht, bij wijze van voorlopige voorziening, te bepalen dat hangende hoger beroep bijstand ter hoogte van de gezinsnorm wordt verstrekt.

4.3. De voorzieningenrechter zal eerst bezien of het door verzoekers gestelde belang bij het treffen van een voorlopige voorziening voldoende spoedeisend is in de zin van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb.

4.4. De voorzieningenrechter stelt daarbij voorop dat in de hoofdzaak de rechtmatigheid van de afwijzing van de aanvraag om bijstand van verzoekers aan de orde is, beoordeeld naar een periode in het verleden van 3 november 2008 dan wel 1 april 2009 (de aanvraagdatum) tot en met 9 april 2009 (de datum van het besluit op de aanvraag).

4.5. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kan de omstandigheid dat verzoekers thans (sinds 1 mei 2010) geen middelen van bestaan meer hebben niet in verband worden gebracht met de afwijzing van de in de hoofdzaak aan de orde zijnde aanvraag om bijstand. Daarbij neemt de Raad, naast de hiervoor vastgestelde periode van beoordeling, tevens in aanmerking dat verzoekers op 22 maart 2010 een nieuwe (spoed)aanvraag om bijstand hebben gedaan en dat een aanspraak op bijstand dient te worden beoordeeld aan de hand van de actuele omstandigheden van verzoekers in het kader van de (nieuwe) aanvraag. De Raad wijst erop dat verzoekers het College in het kader van die nieuwe aanvraag om een voorschot in de zin van artikel 52 van de WWB kunnen verzoeken en zich, indien het College geen of ontoereikende toepassing geeft aan artikel 52 van de WWB, op grond van artikel 81 van de WWB tot de voorzitter van gedeputeerde staten kunnen wenden. Bovendien staan tegen de (eventuele) afwijzing van de nieuwe aanvraag rechtsmiddelen open, waaronder een - bij de voorzieningenrechter van de rechtbank in te dienen - verzoek om voorlopige voorziening.

4.6. Uit het voorgaande volgt dat het verzoek om voorlopige voorziening kennelijk ongegrond is, zodat de voorzieningenrechter, gelet op artikel 8:83, derde lid, van de Awb, uitspraak kan doen zonder zitting.

5. De voorzieningenrechter ziet ten slotte geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans, in tegenwoordigheid van W. Altenaar als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 mei 2010.

(get.) N.J. van Vulpen-Grootjans.

(get.) W. Altenaar.

RB