Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BM5079

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-05-2010
Datum publicatie
20-05-2010
Zaaknummer
07-6787 WW + 08-4172 WW + 09-707 WW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

1) Dagloon WW. Uitgaan van het door de werkgever in de referteperiode daadwerkelijk uitbetaalde SV-loon. Het Uwv heeft terecht 92,5% van de waarde van de vakantiebonnen meegenomen in de berekening van het dagloon. Uwv niet gehouden aan eerdere onjuiste toepassing van de toepasselijke wet- en regelgeving. 2) Geen processueel belang meer bij beoordeling. 3) Besluit onjuist, aangezien bij berekening van het dagloon inderdaad ten onrechte een bedrag van € 31,90 aan vakantierechtwaarden over de tariefuren niet is meegenomen. Indien met dit bedrag wel rekening wordt gehouden, bedraagt het dagloon € 138,22. Vernietiging besluit. Raad voorziet zelf, door dagloon vast te stellen op € 138,22.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/6787 WW

08/4172 WW

09/707 WW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 30 oktober 2007, 06/5217 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv)

Datum uitspraak: 6 mei 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. E.R. Jonkman, advocaat te Woerden, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft het Uwv op 18 juni 2008 een nieuw besluit op bezwaar (hierna: besluit 2) genomen, welk besluit nadien is vervangen door het besluit op bezwaar van 27 januari 2009 (hierna: besluit 3).

Partijen hebben een nadere reactie gegeven.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 maart 2010. Appellant is, met voorafgaand bericht, niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. C.L. Schuren, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een overzicht van de in dit geding relevante feiten en omstandigheden en de relevante wettelijke bepalingen verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat hier met het volgende.

1.1. Bij besluit van 14 maart 2006 heeft het Uwv appellant, die werkzaam was als metselaar bij [werkgever] en in verband met het faillissement van deze werkgever door de curator met ingang van 6 maart 2006 is ontslagen, per laatstgenoemde datum een uitkering krachtens de Werkloosheidswet (WW) toegekend. Bij dit besluit is het dagloon waarnaar de toegekende uitkering wordt berekend vastgesteld op € 116,98. Bij besluit op bezwaar van 23 juni 2006 (hierna: besluit 1) zijn de bezwaren daartegen ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank met bepalingen omtrent de proceskosten en het griffierecht het beroep gegrond verklaard, besluit 1 vernietigd en het Uwv opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak - voor zover in hoger beroep van belang - onderschreven dat het Uwv bij de berekening van de hoogte van het dagloon terecht is uitgegaan van 92,5% van de vakantierechtwaarden als SV-loon (dat is het loon waarover premies worden geheven). Nu echter de gedingstukken geen enkel inzicht geven of het bedrag dat aan appellant vanwege het faillissement van zijn werkgever is uitbetaald over de periode 5 december 2005 tot en met 26 februari 2006 het bruto SV-loon is en of het Uwv daarbij uit is gegaan van een juist basisloon, is de rechtbank tot de conclusie gekomen dat het bedrag van € 6.441,57 zoals vermeld in besluit 1 onvoldoende is gemotiveerd hetgeen in strijd is met het bepaalde in artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

3. Het hoger beroep van appellant richt zich tegen het oordeel van de rechtbank dat het Uwv terecht bij de berekening van het dagloon is uitgegaan van 92,5% van de vakantierechtwaarden als SV-loon in plaats van 100% van deze waarde.

4.1. Zoals reeds aangegeven in rubriek I van deze uitspraak heeft het Uwv ter uitvoering van de aangevallen uitspraak besluit 2 genomen. Daarbij is het bezwaar van appellant gegrond verklaard in die zin dat het dagloon is vastgesteld op € 130,72.

4.2. Bij besluit 3 heeft het Uwv het bezwaar van appellant wederom gegrond verklaard, in die zin dat het dagloon wordt vastgesteld op € 138,10.

4.3. Aangezien de besluiten 2 en 3 aan het beroep niet geheel tegemoet komen, wordt ingevolge de artikelen 6:18, eerste lid, 6:19, eerste lid, en 6:24, van de Awb dit beroep geacht mede te zijn gericht tegen de besluiten 2 en 3.

5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

5.1. Het hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak.

5.1.1. De Raad deelt niet de opvatting van appellant dat het Uwv ten onrechte slechts 92,5% van de waarde van de vakantiebonnen heeft meegenomen in de berekening van het dagloon. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat uitgangspunt bij de vaststelling van het dagloon is het door de werkgever in de referteperiode daadwerkelijk uitbetaalde SV-loon. De Raad stelt vast dat het Uwv de WW-uitkering in overeenstemming met de artikelen 2, eerste lid, en 3, eerste lid, van het Besluit dagloonregels werknemersverzekeringen heeft berekend door uit te gaan van het in de referteperiode volgens de opgave van de werkgever genoten en uitbetaalde loon, waaronder - feitelijk - begrepen 92,5% van de vakantierechtwaarde. Hieraan kan niet afdoen de verwijzing door appellant naar de uitspraak van de rechtbank

’s- Hertogenbosch van 3 december 2007 en naar de uitspraak van de rechtbank Roermond van 14 maart 2007 en de beslissing van het Uwv om in die gevallen bij de uitvoering van deze uitspraken alsnog uit te gaan van 100% van de vakantierechtwaarden. Hiermee heeft het Uwv een onjuiste toepassing gegeven aan de toepasselijke wet- en regelgeving. Het Uwv kan niet gehouden worden geacht op die weg door te gaan. Een beroep op het gelijkheidsbeginsel kan op grond van bovenstaande dan ook eveneens niet slagen.

5.1.2. Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat het hoger beroep faalt. De aangevallen uitspraak, voor zover door appellant aangevochten, komt voor bevestiging in aanmerking.

5.2. Besluiten 2 en 3.

5.2.1. De Raad stelt vast dat het Uwv besluit 2 niet heeft gehandhaafd en dat besluit 3 geheel in de plaats is getreden van besluit 2. Nu de Raad niet is gebleken van enig processueel belang van appellant bij een beoordeling van besluit 2 door de Raad, zal het beroep tegen besluit 2 niet-ontvankelijk worden verklaard.

5.2.2. Appellant heeft tegen besluit 3 aangevoerd dat het erop lijkt dat bij de berekening van het dagloon de tariefuren en de vakantierechtwaarden daarover niet zijn meegenomen. In ieder geval wordt deze post niet expliciet vermeld op bladzijde 2 van het besluit. Ter zitting van de Raad heeft het Uwv erkend dat besluit 3 in zoverre onjuist is, aangezien bij berekening van het dagloon inderdaad ten onrechte een bedrag van € 31,90 aan vakantierechtwaarden over de tariefuren niet is meegenomen. Indien met dit bedrag wel rekening wordt gehouden, bedraagt het dagloon € 138,22, aldus het Uwv.

5.2.3. Gelet op hetgeen is overwogen onder 5.2.2. is het beroep van appellant tegen besluit 3 gegrond. Dat besluit komt wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb voor vernietiging in aanmerking.

5.2.4. Gelet op het oordeel van de Raad over het hoger beroep van appellant tegen de aangevallen uitspraak en nu de Raad in de gedingstukken geen aanleiding ziet voor het oordeel dat het thans door het Uwv berekende dagloon van € 138,22 onjuist is, ziet de Raad aanleiding het geschil finaal te beslechten door, met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb, zelf in de zaak te voorzien. Het dagloon zal - met herroeping van het primaire besluit in zoverre - per 6 maart 2006 worden vastgesteld op € 138,22.

6. De Raad ziet aanleiding het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 322,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;

Verklaart het beroep tegen besluit 2 niet-ontvankelijk;

Verklaart het beroep tegen besluit 3 gegrond en vernietigt dat besluit;

Herroept het besluit van 14 maart 2006 wat betreft de hoogte van het dagloon;

Stelt het dagloon vast op € 138,22;

Veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 322,--;

Bepaalt dat het Uwv aan appellant het door hem in hoger beroep betaalde griffierecht van € 106,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door R.C. Schoemaker als voorzitter en R. Kooper en C. van Viegen als leden in tegenwoordigheid van W. Altenaar als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 mei 2010.

(get.) R.C. Schoemaker.

(get.) W. Altenaar.

JL