Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BM5058

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-05-2010
Datum publicatie
19-05-2010
Zaaknummer
09-813 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking ZW-uitkering. Betrokkene wordt in staat geacht haar laatst verrichtte arbeid als secretaresse te vervullen.

Uit de onderzoeken van de verzekeringsartsen zijn voldoende gegevens naar voren gekomen om tot een afgewogen oordeel over de voor betrokkene geldende beperkingen te komen en er is geen aanleiding om het medisch onderzoek door de verzekeringsartsen onzorgvuldig te achten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/813 ZW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 9 december 2008, 08/1227 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 19 mei 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. R.S. Pot, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 19 maart 2010 heeft mr. Pot de gronden van het hoger beroep aangevuld en nadere medische gegevens overgelegd.

Het Uwv heeft daarop met een schrijven van 26 maart 2010 gereageerd, met als bijlage een rapport van de bezwaarverzekeringsarts P. Momberg van 25 maart 2010.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 april 2010. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Pot. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door C. van Nood.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellante was laatstelijk van 1 juni 2004 tot 1 november 2004 via een uitzendbureau werkzaam als secretaresse. Nadien is haar een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet verstrekt. Vanuit deze uitkeringssituatie heeft appellante zich op 4 mei 2006 ziek gemeld met darmklachten en is haar een uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) verstrekt. Op het spreekuur van 1 oktober 2007 is zij door de verzekeringsarts R.H.G. Thung per 4 oktober 2007 hersteld verklaard voor haar arbeid. Bij besluit van 1 oktober 2007 is aan appellante meegedeeld dat zij dienovereenkomstig geen recht meer heeft op ziekengeld.

1.2. Het tegen het besluit van 1 oktober 2007 gerichte bezwaar is na een herbeoordeling door de bezwaarverzekeringsarts P. Momberg bij besluit van 10 januari 2008 (hierna: het bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard.

3.1. In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat de (bezwaar)verzekeringsarts van het Uwv, anders dan de behandelende artsen, haar functioneren en gezondheidstoestand te positief heeft ingeschat en dat de nader ingebrachte medische informatie een ander licht op de zaak werpt.

3.2. Het Uwv heeft zich in het verweerschrift op het standpunt gesteld dat ingevolge artikel 19 van de ZW bepalend is of appellante ongeschikt is tot het verrichten van haar arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte. Gemeten naar deze maatstaf is het Uwv van oordeel, met verwijzing naar het voornoemde rapport van de bezwaarverzekeringsarts van 25 maart 2010, dat appellante ook in hoger beroep deze ongeschiktheid niet met (nieuwe) medische gegevens heeft kunnen aantonen.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. Ingevolge artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid, als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken recht op ziekengeld. Volgens vaste jurisprudentie van de Raad dient onder ”zijn arbeid” in de zin van artikel 19 van de ZW te worden verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding feitelijk verrichte arbeid, in casu de laatstelijk verrichte arbeid als secretaresse.

4.2. De Raad stelt vast dat de (bezwaar)verzekeringsartsen bij de beoordeling beschikten over een door appellante op 12 juni 2006 ingevulde praktische werkomschrijving en ziet geen aanknopingspunten voor twijfel aan het oordeel van de (bezwaar)verzekeringsarts dat het hier gaat om fysiek niet te zware arbeid in een kantooromgeving.

4.3. De Raad verenigt zich met het oordeel van de rechtbank, dat uit de onderzoeken van de verzekeringsartsen voldoende gegevens naar voren zijn gekomen om tot een afgewogen oordeel over de voor appellante geldende beperkingen te komen en ziet geen aanleiding het medisch onderzoek door de verzekeringsartsen onzorgvuldig te achten. De Raad stelt vast dat de bezwaarverzekeringsarts Momberg in de bezwaarfase beschikte over het -ook in hoger beroep overgelegde- schrijven van 24 december 2007 van de behandelend gynaecoloog/arts-assistent L.R. Kodan, mede ondertekend door de gynaecoloog prof. dr. F.M. Helmerhorst, en dit bij haar beoordeling heeft betrokken.

4.4. De Raad overweegt dat de in hoger beroep overgelegde medische informatie niet tot een ander oordeel leidt. De Raad stelt daarbij voorop, dat de bezwaarverzekeringsarts Momberg in haar rapport van 25 maart 2010 voldoende inzichtelijk heeft gemotiveerd waarom die informatie haar geen aanleiding geeft het eerder ingenomen standpunt te wijzigen. Dat mogelijk een andere (gynaecologische) oorzaak voor de klachten kan worden aangewezen betekent niet dat daarmee de inschatting van de beperkingen van appellante door de (bezwaar)verzekeringsartsen onjuist is. Zonder af te willen en kunnen doen aan de door appellant ervaren klachten kan de subjectieve beleving daarvan bij de beoordeling in het kader van de ZW niet leidend zijn. De Raad kan er voorts niet aan voorbij zien dat de datum, waarop zij blijkens een schrijven van de chirurg

dr. B.A. Bonsing van 3 november 2009 in ernstig zieke toestand op de spoedeisende hulp van het Leids Universitair Medisch Centrum is binnengekomen, 26 mei 2009 was en derhalve ver na de hier in geding zijnde datum 4 oktober 2007 ligt.

4.5. Het vorenstaande leidt de Raad tot de slotsom dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. Voor een proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht ziet de Raad geen aankleding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.P.J. Goorden, in tegenwoordigheid van A.L. de Gier als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 mei 2010.

(get.) C.P.J. Goorden.

(get.) A.L. de Gier.

JL