Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BM5055

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-05-2010
Datum publicatie
20-05-2010
Zaaknummer
09-5017 WAJONG
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WAJONG-uitkering. Bij de vaststelling van de beperkingen is voldoende rekening gehouden met het hypermobiliteitssyndroom en de gevolgen die dat syndroom heeft voor de belastbaarheid van appellante. Voldoende onderbouwing gegeven aan de passendheid van de geselecteerde functies.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/5017 WAJONG

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 17 juli 2009, 09/169 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 19 mei 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante is hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 april 2010. Namens appellante is verschenen mr. L.J. van der Veen, advocaat te Groningen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door W. Metus.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de bepalingen van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (WAJONG), zoals die luidden tot 1 januari 2010.

1.2. Appellante, geboren [in] 1986, heeft op 29 maart 2008 verzocht om toekenning van een uitkering krachtens de WAJONG met ingang van 2 juni 2004. Daarbij heeft zij aangegeven dat zij studerende is en zich vanwege een aangeboren afwijking sedert 2002 arbeidsongeschikt acht.

1.3. Bij besluit van 21 juli 2008 heeft het Uwv geweigerd appellante in aanmerking te laten komen voor een WAJONG-uitkering, omdat zij op en na 2 juni 2004 minder dan 25% arbeidsongeschikt is. Daaraan ligt het standpunt ten grondslag dat er bij appellante sprake is van een hypermobiliteitssyndroom, maar dat zij met inachtneming van haar medische beperkingen, vastgelegd in een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML), gedurende de gehele dag in staat is arbeid te verrichten met een lichte belasting en voldoende mogelijkheid tot vertreding. Het door appellante tegen dit besluit gemaakte bezwaar is door het Uwv bij besluit van 8 januari 2009 (hierna: bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

2.1. Met betrekking tot de medische grondslag van het bestreden besluit heeft de rechtbank geoordeeld dat zij in de beschikbare medische gegevens geen aanleiding heeft gezien te twijfelen aan de juistheid van het geneeskundig onderzoek zoals door de artsen van het Uwv is verricht. De rechtbank is niet gebleken dat de diagnose hypermobiliteitssyndroom tot het aannemen van meer beperkingen had moeten leiden. De rechtbank heeft vastgesteld dat appellante geen (nieuwe) medische gegevens heeft ingezonden die haar standpunt ondersteunen dat zij verdergaand beperkt is dan door het Uwv is aangenomen.

2.2. Met betrekking tot de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit heeft de rechtbank overwogen dat uit de gedetailleerde beschrijvingen van de in de aan de schatting ten grondslag gelegde functies blijkt dat de belastingen die in deze functies optreden de met betrekking tot appellante vastgestelde belastbaarheid niet te boven gaan. Het betreft merendeel zittende functies en rekening is gehouden met de noodzakelijke mogelijkheid om te vertreden. Geoordeeld moet worden dat appellante met de geduide functies inkomsten kan verwerven op het niveau van het minimumloon, zodat er geen sprake is van een relevant verlies aan verdiencapaciteit.

3.1. Appellante heeft in hoger beroep haar standpunt gehandhaafd dat zij op en na 2 juni 2004 volledig arbeidsongeschikt is in de zin van de WAJONG. Zij acht zich meer beperkt dan in de FML is vastgelegd. Verder meent zij dat in de geduide functies onvoldoende mogelijkheid tot vertreden bestaat. Ter ondersteuning van haar standpunt heeft appellante erop gewezen dat het Uwv haar met ingang van 31 december 2009 in aanmerking heeft gebracht voor een WAJONG-uitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

3.2. In verweer heeft het Uwv verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Met betrekking tot de medische beoordeling van het bestreden besluit heeft de Raad geen aanleiding gezien om tot een ander oordeel te komen dan de rechtbank heeft gegeven en hij stelt zich achter de overwegingen die de rechtbank in de aangevallen uitspraak aan dat oordeel ten grondslag heeft gelegd. Ook de Raad is uit het geheel van de voorliggende medische gegevens niet gebleken dat de artsen van het Uwv bij de vaststelling van de beperkingen van appellante onvoldoende rekening hebben gehouden met het hypermobiliteitssyndroom en de gevolgen die dat syndroom heeft voor de belastbaarheid van appellante. Evenmin als in beroep heeft appellante in hoger beroep medische gegevens in het geding gebracht, die twijfel doen rijzen over de juistheid van de FML in het hier te beoordelen tijdvak. Met een eventuele verslechtering van de gezondheidstoestand van appellante na deze datum kan in dit geding geen rekening worden gehouden. Dit zou anders kunnen zijn indien uit die verslechtering blijkt dat – achteraf – de gezondheidstoestand van appellante op en na 2 juni 2004 anders beoordeeld had moeten worden dan is geschied. Hiervan is de Raad uit de beschikbare gegevens niet gebleken.

4.2. Aldus uitgaande van de juistheid van de met betrekking tot appellante vastgestelde medische beperkingen is de Raad van oordeel dat de functies die uiteindelijk aan de schatting ten grondslag zijn gelegd, gelet op de daaraan verbonden belastende aspecten, als voor appellante in medisch opzicht geschikt dienen te worden aangemerkt. In aanmerking genomen de diverse rapportages van de (bezwaar)arbeidsdeskundige van het Uwv is ook de Raad van oordeel dat een als genoegzaam aan te merken onderbouwing is gegeven aan de passendheid van de geselecteerde functies. Met betrekking tot de in de FML opgenomen vereiste van afwisseling van zitten, staan en lopen overweegt de Raad nog dat reeds uit de formulieren Resultaat Functiebeoordeling van de bij de schatting in aanmerking genomen functies blijkt dat aan de vereiste afwisseling is voldaan.

4.3. Uit hetgeen is overwogen in 4.1 en 4.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. Voor een veroordeling van een partij in de proceskosten van een andere partij ziet de Raad geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom als voorzitter, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 mei 2010.

(get.) T. Hoogenboom.

(get.) M.A. van Amerongen.

TM