Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BM5053

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-05-2010
Datum publicatie
20-05-2010
Zaaknummer
09-2745ZW+09-2747ZW+09-2748WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering. Geen recht (meer) op een uitkering ingevolge de ZW. 09/2748 WAO: Voldoende arbeidskundige grondslag. 09/2745 ZW en 09/2747 ZW: De Raad is met de rechtbank van oordeel dat bij de beoordeling van de medische grondslag van de bestreden besluiten 2 en 3 terecht betekenis is toegekend aan de omstandigheid dat de psychiater Tilanus op verzoek van het Uwv op 26 november 2007 rapport heeft uitgebracht over de gezondheidstoestand van appellant en daarbij het oordeel van de behandelende artsen van appellant heeft betrokken. Geen sprake van een situatie van moeilijk objectiveerbare aandoeningen. Appellant moet in staat worden geacht tenminste één van de destijds in het kader van de WAO passend bevonden functies te vervullen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/2745 ZW, 09/2747 ZW en 09/2748 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraken van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 9 april 2009, 08/1805 (hierna: aangevallen uitspraak 1) en 08/345 en 08/60 (hierna aangevallen uitspraak 2),

in de gedingen tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 19 mei 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.P. Ufkes, advocaat te Helmond, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 april 2010. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Ufkes. Als tolk is verschenen B. Arabi. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A. Ooms.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.2. Appellant is op 29 november 1999 uitgevallen voor zijn werk als huismeester met lichamelijke en psychische klachten. Na het voltooien van de wachttijd is hem een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend.

Bij besluit van 31 juli 2003 heeft het Uwv de WAO-uitkering per 30 september 2003 ingetrokken, onder de overweging dat de mate van arbeidsongeschiktheid minder dan 15% bedroeg. Het daartegen ingediende bezwaar is bij besluit van 26 januari 2004 ongegrond verklaard. Het tegen dit besluit van 26 januari 2004 ingestelde beroep is bij uitspraak van de rechtbank van 16 september 2004, 03/508 en 04/472, voor zover hier van belang, ongegrond verklaard. Appellant heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld.

1.3. Bij uitspraak van 31 oktober 2006, LJN AZ2040, voor zover in dit geding van belang, heeft de Raad, evenals de rechtbank, de medische grondslag van het besluit van 26 januari 2004 onderschreven. Ten aanzien van de arbeidskundige grondslag heeft de Raad overwogen geen twijfel te hebben aan de louter rekenkundige aspecten daarvan. De Raad heeft voorts geoordeeld dat de notities functiebelasting niet voldoen aan de in de uitspraken van 9 november 2004, LJN AR4716 e.v., gestelde motiveringseisen en heeft de uitspraak van 16 september 2004 en het besluit van 26 januari 2004 vernietigd.

1.4. Ter uitvoering van die uitspraak van de Raad heeft de bezwaararbeidsdeskundige A.M. Beckers de arbeidskundige grondslag van de schatting opnieuw beoordeeld en in haar rapport van 3 april 2008 de geschiktheid van de functies in medisch opzicht nader toegelicht. Vervolgens heeft het Uwv een nieuw besluit op bezwaar van 18 april 2008 (hierna: bestreden besluit 1) genomen, waarbij, voor zover hier van belang, appellant per 30 september 2003 ongewijzigd minder 15% arbeidsongeschikt is bevonden.

1.5. Aan appellant is na de intrekking van zijn WAO-uitkering een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) verstrekt. Vanuit deze uitkeringssituatie heeft appellant zich verschillende malen ziek gemeld. Dit heeft uiteindelijk geresulteerd in:

- een besluit van 29 juni 2007, waarmee appellant is meegedeeld dat hij per 2 juli 2007 geen recht (meer) heeft op een uitkering ingevolge de ZW omdat hij per die datum niet langer ongeschikt wordt geacht om te werken;

- een besluit van 9 oktober 2007, waarmee appellant is meegedeeld dat hij per 15 oktober 2007 geen recht (meer) heeft op een uitkering ingevolge de ZW.

Bij de besluiten op bezwaar van respectievelijk 14 december 2007 en 3 januari 2008 (hierna: bestreden besluiten 2 en 3) heeft het Uwv het bezwaar tegen voormelde besluiten ongegrond verklaard.

2.1. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak 1 het beroep tegen bestreden besluit 1 ongegrond verklaard, onder overweging dat in beroep enkel nog de arbeidskundige grondslag van de schatting aan de orde is en dat in overeenstemming met de onder 1.3 genoemde uitspraken van de Raad het bestreden besluit 1 is voorzien van een zodanig deugdelijke toelichting en motivering, dat op grond daarvan voldoende inzicht is geboden in die grondslag en dat appellant in staat moet worden geacht de aan de schatting ten grondslag gelegde functies te vervullen.

2.2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak 2 het beroep tegen de bestreden besluiten 2 en 3 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe, kort samengevat, overwogen dat het Uwv, mede gelet op een expertise van de psychiater dr. J.D.J. Tilanus, voldoende zorgvuldig onderzoek heeft gedaan naar de medische beperkingen van appellant en dat die beperkingen naar het oordeel van de rechtbank niet zijn onderschat.

09/2748 WAO

3.1. De Raad stelt, met de rechtbank, voorop dat, gelet op de onder 1.3 genoemde uitspraak van de Raad van 31 oktober 2006, in dit geding enkel nog de arbeidskundige grondslag van de WAO-schatting aan de orde is. Hieruit volgt dat het uitgangspunt voor de schatting de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 30 juni 2003 is. Voor zover de gemachtigde van appellant in hoger beroep heeft beoogd aan te voeren dat er een discrepantie is tussen de medische rapporten van de (bezwaar)verzekeringsarts en voornoemde FML blijft dit buiten beschouwing.

3.2. Ten aanzien van de arbeidskundige grondslag onderschrijft de Raad het oordeel van de rechtbank, zoals weergegeven onder 2.1. De Raad voegt daaraan toe dat de bezwaararbeidsdeskundige F.J.M. van den Bliek in haar rapport van 18 augustus 2009 de in hoger beroep naar voren gebrachte argumenten, op grond waarvan de functies op arbeidskundige niet passend zouden zijn, voldoende heeft weersproken.

3.3. Het vorenstaande leidt de Raad tot de slotsom dat de aangevallen uitspraak 1 voor bevestiging in aanmerking komt.

09/2745 ZW en 09/2747 ZW

4.1. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat bij de beoordeling van de medische grondslag van de bestreden besluiten 2 en 3 terecht betekenis is toegekend aan de omstandigheid dat de psychiater Tilanus op verzoek van het Uwv op 26 november 2007 rapport heeft uitgebracht over de gezondheidstoestand van appellant en daarbij het oordeel van de behandelende artsen van appellant heeft betrokken. Hetgeen in hoger beroep namens appellant is aangevoerd maar overigens niet is onderbouwd met nadere medische gegevens, biedt onvoldoende aanknopingspunten om tot een ander oordeel te komen of tot het instellen van een nader medisch onderzoek.

4.2. De Raad oordeelt voorts dat de stelling van de gemachtigde van appellant, dat het Uwv ten onrechte niet heeft getoetst aan de MAOC-richtlijn, met name aan punt 4.6 Problematiek rond ’moeilijk objectiveerbare’ aandoeningen, appellant niet kan baten. De Raad overweegt dat er geen sprake is van een situatie van moeilijk objectiveerbare aandoeningen, waarbij door het Uwv in het geheel geen beperkingen als gevolg van ziekte of gebrek zijn vastgesteld. De Raad stelt met de rechtbank vast dat er reeds ten tijde van de WAO-beoordeling per 30 september 2003 in de FML van 30 juni 2003 lichamelijke en psychische beperkingen zijn opgenomen. De Raad ziet geen aanknopingspunten voor twijfel aan het standpunt van de betrokken (bezwaar)verzekeringsartsen, dat appellant per 2 juli 2007 respectievelijk 15 oktober 2007 in staat moet worden geacht tenminste één van de destijds in het kader van de WAO passend bevonden functies te vervullen.

4.3. Het vorenstaande leidt de Raad tot de slotsom dat de aangevallen uitspraak 2 voor bevestiging in aanmerking komt.

5. Voor een proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht ziet de Raad geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraken.

Deze uitspraak is gedaan door C.P.J.Goorden, in tegenwoordigheid van A.L. de Gier als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 mei 2010.

(get.) C.P.J. Goorden.

(get.) A.L. de Gier.

JL