Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BM5023

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-05-2010
Datum publicatie
20-05-2010
Zaaknummer
08-1131 WWB + 08-1132 WWB + 08-2110 WWB + 08-2111 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstand. Schending inlichtingenverplichting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/1131 WWB

08/1132 WWB

08/2110 WWB

08/2111 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], appellant, en [Appellante], appellante, beiden wonende te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 7 januari 2008, 07/413 en 07/1447 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellanten

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente ’s-Hertogenbosch (hierna: College)

Datum uitspraak: 4 mei 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. J.W. Weehuizen, advocaat te ’s-Hertogenbosch, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 maart 2010. Appellanten zijn, zoals tevoren bericht, niet verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door J.M.M. van Lokven, werkzaam bij de gemeente ’s-Hertogenbosch.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellanten ontvingen met ingang van 14 augustus 2001 bijstand naar de norm voor gehuwden. Naar aanleiding van een signaal van de belastingdienst, inhoudende dat appellanten beschikten over een girorekening, [rekeningnummer], waarvan het saldo op 31 december 2004 € 7.608,71 bedroeg, is vanwege het College een nader onderzoek ingesteld naar de financiële situatie van appellanten. Uit dit onderzoek is onder meer gebleken dat op genoemde girorekening in de periode van 30 december 2003 tot en met 22 juli 2005 stortingen op eigen rekening hebben plaatsgevonden van aanzienlijke geldbedragen, totaal € 21.975,--, en geldopnamen van die rekening hebben plaatsgevonden. Appellant heeft ter zake verklaringen afgelegd. De resultaten van het onderzoek zijn vervat in het rapport verificatie van 7 december 2006.

1.2. Bij besluit van 7 december 2006 heeft het College onder meer het recht op bijstand van appellanten met ingang van 1 december 2006 opgeschort.

1.3. Bij besluit van 29 januari 2007 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 7 december 2006 ongegrond verklaard.

1.4. Bij besluit van 13 februari 2007 heeft het College de bijstand van 1 januari 2004 tot 1 december 2006 ingetrokken en een bedrag van € 43.779,45 aan in die periode gemaakte kosten van bijstand van appellanten teruggevorderd.

1.5. Bij besluit van 27 maart 2007 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 13 februari 2007 ongegrond verklaard. Daarbij is tevens aangegeven dat de bijstand is beëindigd (lees: ingetrokken) met ingang van 1 december 2006. Aan de besluitvorming ligt ten grondslag dat appellanten de inlichtingenverplichting hebben geschonden door geen mededeling te doen van genoemde girorekening en de daarop gestorte gelden en door geen duidelijkheid te verschaffen omtrent de kasstortingen, de herkomst van de gestorte gelden en de besteding van de geldopnamen. Als gevolg hiervan kan volgens het College het recht op bijstand van appellanten niet worden vastgesteld.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de opschorting van de bijstand in stand gelaten en voorts geoordeeld dat de intrekking in stand kan blijven voor zover het de periode van 1 januari 2004 tot 1 augustus 2005 betreft. Verder heeft de rechtbank geoordeeld dat de intrekking over de periode van 1 augustus 2005 tot 19 december 2005 op een onjuiste grondslag berust, nu het recht op bijstand naar haar oordeel wel kan worden vastgesteld, zij het op nihil, gelet op de overschrijding van de voor appellanten toepasselijke vermogensgrens gedurende die periode. Ten slotte heeft de rechtbank geoordeeld dat met betrekking tot de periode van 19 december 2005 tot 13 februari 2007 onvoldoende grondslag bestaat voor intrekking van de bijstand. Gelet op het vorenstaande heeft de rechtbank, met bepalingen omtrent het griffierecht en de proceskosten, het beroep tegen de opschorting ongegrond verklaard, het beroep tegen de intrekking gegrond verklaard, het besluit van 27 maart 2007 vernietigd en bepaald dat het College een nieuw besluit dient te nemen, met inachtneming van het in de uitspraak overwogene.

3. Appellanten hebben zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd, voor zover het gaat om de opschorting, de intrekking over de periode van 1 januari 2004 tot 19 december 2005 en de terugvordering.

3.1. Bij besluit van 1 april 2008 heeft het College, ter uitvoering van de uitspraak van de rechtbank, de intrekking van de bijstand beperkt tot de periode van 1 januari 2004 tot 19 december 2005 op de in de aangevallen uitspraak aangegeven gronden en heeft het College het bedrag van de terugvordering bepaald op € 31.469,87. Het bezwaar tegen het besluit van 13 februari 2007 is gegrond verklaard voor zover het betreft de periode van 19 december 2005 tot 13 februari 2007 en is voor het overige ongegrond verklaard.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De Raad merkt het besluit van 1 april 2008 aan als een besluit dat op grond van de artikelen 6:18, 6:19, eerste lid, en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) mede in de beoordeling moet worden betrokken. De Raad stelt vast dat het College bij dit besluit een juiste uitvoering heeft gegeven aan hetgeen de rechtbank in de aangevallen uitspraak heeft overwogen en beslist.

4.2. Voor zover het hoger beroep betrekking heeft op de opschorting van de bijstand met ingang van 1 december 2006, stelt de Raad vast dat uit het besluit van 1 april 2008 voortvloeit dat appellanten met ingang van 19 december 2005 weer voor bijstand in aanmerking komen. Dit betekent dat appellanten, die niet om toepassing van artikel 8:73 van de Awb hebben verzocht, thans geen processueel belang meer hebben bij handhaving van het hoger beroep inzake de opschorting van de bijstand. De Raad zal het hoger beroep in zoverre dan ook niet-ontvankelijk verklaren.

4.3. Met betrekking tot het hoger beroep van appellanten dat ziet op de intrekking van de bijstand over de periode van 1 januari 2004 tot 19 december 2005 overweegt de Raad het volgende.

4.4. Vastgesteld moet worden dat appellanten gedurende de periode van 1 januari 2004 tot 1 augustus 2005 op onregelmatige tijdstippen aanzienlijke geldbedragen hebben gestort op hun girorekening en grote bedragen van die rekening hebben opgenomen en dat appellant omtrent de herkomst van de gestorte gelden en de besteding van de opgenomen bedragen uiteenlopende verklaringen heeft afgelegd en hierover ook overigens geen duidelijkheid heeft gegeven. Gelet op de omvang van de kasstortingen acht ook de Raad niet aannemelijk dat het hier uitsluitend spaargelden zou betreffen welke appellanten overhielden van hun bijstandsuitkering. Appellanten hebben ook niet door middel van verifieerbare bewijsstukken aannemelijk gemaakt dat de gelden niet hen toebehoorden, maar de vader van appellant. Uit de verklaringen van appellant blijkt ook niet dat de opgenomen gelden niet voor eigen gebruik zijn aangewend. In dit verband tekent de Raad aan dat appellant heeft verklaard dat appellanten een bedrag van € 2.000,-- hebben besteed aan een vakantie in Marokko in 2004 en een bedrag van € 3.000,-- aan een vakantie in 2006. Voorts zou nog een bedrag van € 2.700,-- zijn besteed aan de verhuizing naar het huidige adres van appellanten. Grote bedragen zouden volgens appellant ook maar ten dele op de girorekening zijn gestort en ten dele op andere wijze zijn besteed. Appellant heeft niet kunnen aantonen dat de contante bedragen die op zijn rekening zijn gestort afkomstig waren van zijn vader.

4.5. Omdat appellanten van de betreffende girorekening en van de kasstortingen geen mededeling hebben gedaan en voorts over de herkomst van de gestorte bedragen en de besteding van de opgenomen bedragen onvoldoende inzicht hebben gegeven, hebben appellanten de op hen rustende inlichtingenverplichting geschonden. Als gevolg hiervan kan niet (meer) worden vastgesteld of appellanten in de periode van 1 januari 2004 tot 1 augustus 2005 recht hadden op bijstand.

4.6. Met betrekking tot de intrekking over de periode van 1 augustus 2005 tot 19 december 2005 is de Raad met de rechtbank van oordeel dat appellanten, gelet op de beschikbare giroafschriften, gedurende deze gehele periode hebben beschikt over een saldo op hun girorekening dat de voor appellanten toepasselijke vermogensgrens, welke in 2005 € 10.210,-- bedroeg, overschreed. Om die reden hadden appellanten in deze periode geen recht op bijstand. Nu appellanten van hun girorekening en het daarop staande banksaldo in strijd met de op hen rustende inlichtingenverplichting geen mededeling hebben gedaan, hebben zij ook over deze periode ten onrechte bijstand ontvangen.

4.7. Gelet op het onder 4.4 tot en met 4.6 overwogene was het College bevoegd om met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, de bijstand in te trekken en over de gehele periode van 1 januari 2004 tot 19 december 2005. Hieruit volgt dat het College tevens bevoegd was om met toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB de bijstand over die periode terug te vorderen. Over de wijze waarop het College van haar bevoegdheden gebruik heeft gemaakt zijn geen afzonderlijke grieven aangevraagd.

4.8. De aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, komt dan ook voor bevestiging in aanmerking.

4.9. Uit het onder 4.1 en 4.8 overwogene vloeit tevens voort dat het beroep tegen het besluit van 1 april 2008 ongegrond dient te worden verklaard.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk, voor zover betrekking hebbende op de opschorting;

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 1 april 2008 ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en J.M.A. van der Kolk-Severijns en N.M. van Waterschoot als leden, in tegenwoordigheid van M.C.T.M. Sonderegger als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 mei 2010.

(get.) A.B.J. van der Ham.

(get.) M.C.T.M. Sonderegger.

AV