Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BM5017

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-05-2010
Datum publicatie
20-05-2010
Zaaknummer
08-3120 ANW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beëindiging nabestaandenuitkering. Periode 1: voldoende aanknopingspunten om gezamenlijke huishouding aan te nemen. Periode 2: onvoldoende feitelijke grondslag om uit te gaan van een gezamenlijke huishouding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/3120 ANW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 23 april 2008, 07/3783 en 07/3784 (hierna: aangevallen uitspraak),

in de gedingen tussen:

appellante en [betrokkene] (hierna: betrokkene),

en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: Svb)

Datum uitspraak: 11 mei 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. P.A.R. Dijkers, advocaat te Hellevoetsluis, hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 2 maart 2010 heeft mr. Dijkers meegedeeld dat hij zich als gemachtigde van appellante onttrekt en haar niet langer bijstaat in deze procedure.

Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met het onderzoek in het geding met reg.nr. 08/3118, plaatsgevonden op 30 maart 2010. Appellante is niet verschenen.

De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.E. Eind, werkzaam bij de Sociale verzekeringsbank. Na de sluiting van het onderzoek ter zitting zijn de zaken weer gesplitst. In deze zaak wordt heden afzonderlijk uitspraak gedaan.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante ontving sinds november 2002 een nabestaandenuitkering op grond van de Algemene Nabestaandenwet (Anw). Zij stond vanaf 31 maart 2000 in de gemeentelijke basisadministratie (GBA) ingeschreven op het adres [adres 1] te [plaatsnaam 1], het adres van recreatiepark [recreatiepark], waar appellante een recreatiewoning bewoonde.

Betrokkene ontving sinds januari 1998 eveneens een nabestaandenuitkering op grond van de Anw. Sinds 28 augustus 1989 stond hij in de GBA ingeschreven op het adres [adres 2] te [plaatsnaam 2].

1.2. Tijdens een administratief onderzoek op het recreatiepark “Nieuw Zeeland” te [plaatsnaam 1], waar appellante vanaf 31 maart 2000 een recreatiewoning bewoonde, is gebleken dat zij uit dit park was vertrokken. Uit het administratieve onderzoek dat daarna volgde is gebleken dat zij van 7 oktober 2005 tot 30 november 2005 in de GBA ingeschreven heeft gestaan op het adres van betrokkene, [adres 2] te [plaatsnaam 2]. Met ingang van laatstgenoemde datum staat zij ingeschreven op het adres [adres 3] te [plaatsnaam 2]. Op grond van deze gegevens is het vermoeden ontstaan dat appellante en betrokkene een gezamenlijke huishouding voeren. De sociale recherche van de Sociale verzekeringsbank heeft vervolgens een nader onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante en betrokkene verstrekte nabestaandenuitkeringen. In dat kader is dossieronderzoek gedaan, zijn bij diverse instanties inlichtingen ingewonnen, is een vijftal waarnemingen verricht aan de adressen [adres 2] en [adres 3] en zijn verscheidene getuigen gehoord. Voorts zijn appellante en betrokkene meerdere keren verhoord. De bevindingen van het onderzoek zijn vastgelegd in een proces-verbaal dat op 6 februari 2007 is afgesloten. Op grond van de resultaten van het onderzoek heeft de Svb bij besluit van 26 april 2007 appellante meegedeeld dat haar nabestaandenuitkering eindigt op 31 maart 2000 op de grond dat zij een gezamenlijke huishouding is gaan voeren. Tevens is haar meegedeeld dat tot eind december 2006 nog ten onrechte nabestaandenuitkering is betaald.

1.3. De Svb heeft het door appellante gemaakte bezwaar tegen het besluit van 26 april 2007, bij besluit van 10 september 2007 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 10 september 2007 ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Zij betwist dat zij met betrokkene een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd. Volgens appellante heeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat het op grond van het proces-verbaal van 6 februari 2007 aannemelijk is geworden dat zij vanaf eind maart 2000 tot en met december 2006 feitelijk haar hoofdverblijf heeft gehad in dezelfde woning als betrokkene. De verklaringen die de getuigen hierover hebben afgelegd zijn gestoeld op subjectieve conclusies en niet op objectieve feiten.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Ingevolge artikel 16, eerste lid, aanhef en onder b, van de Anw - voor zover hier van belang - eindigt het recht op nabestaandenuitkering indien de nabestaande een gezamenlijke huishouding gaat voeren anders dan ten behoeve van een hulpbehoevende.

4.2. Ingevolge artikel 3, derde lid, van de Anw is sprake van een gezamenlijke huishouding indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.

4.3. Naar vaste rechtspraak van de Raad dient de vraag of in een bepaald geval sprake is van een gezamenlijke huishouding te worden beantwoord aan de hand van objectieve criteria. Daarbij zijn de omstandigheden die tot het voeren van een gezamenlijke huishouding hebben geleid, de motieven van de betrokkenen en de aard van hun onderlinge relatie niet van belang.

4.4. De vraag waar iemand zijn hoofdverblijf heeft moet volgens vaste rechtspraak worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. Vaststaat dat appellante en betrokkene in de in geding zijnde periode, met uitzondering van de periode van 7 oktober 2005 tot 30 november 2005, niet op hetzelfde adres stonden ingeschreven. Het aanhouden van verschillende adressen hoeft echter niet aan het hebben van hoofdverblijf in dezelfde woning in de weg te staan. In dat geval zal redelijkerwijs aannemelijk moeten zijn dat desondanks een feitelijke situatie van samenwoning bestaat doordat slechts een van beide ter beschikking staande woningen wordt gebruikt dan wel doordat op een andere wijze zodanig gebruik van de woningen wordt gemaakt dat in feite van samenwoning moet worden gesproken.

4.5. Wederzijdse verzorging kan blijken uit een bepaalde mate van financiële verstrengeling tussen de betrokkenen die verder gaat dan het uitsluitend delen van de woonlasten en hiermee samenhangende lasten. Indien van een zodanige verstrengeling niet of slechts in geringe mate sprake is, kunnen ook andere feiten en omstandigheden voldoende zijn om aan te nemen dat de betrokkenen in elkaars verzorging voorzien. Een afweging van alle ten aanzien van betrokkenen gebleken feiten en omstandigheden, die niet van subjectieve aard zijn, zal bepalend zijn voor de vraag of aan het verzorgingscriterium in een concreet geval is voldaan.

4.6. Anders dan de rechtbank is de Raad van oordeel dat het proces-verbaal van 6 februari 2007 geen toereikende grondslag biedt voor het standpunt van de Svb dat gedurende de gehele periode van 31 maart 2000 tot en met december 2006 sprake is geweest van een gezamenlijke huishouding tussen appellante en betrokkene. Een toereikende grondslag acht de Raad wel aanwezig voor de periodes van 31 maart 2000 tot november 2004 en van 7 oktober 2005 tot december 2006, maar niet voor de periode van november 2004 tot 7 oktober 2005.

4.7. De periodes van 31 maart 2000 tot november 2004 en van 7 oktober 2005 tot eind december 2006.

4.7.1. De Raad kent wat betreft de periode van 31 maart 2000 tot november 2004 doorslaggevende betekenis toe aan de door appellante en betrokkene zelf afgelegde verklaringen. Op grond van deze verklaringen acht de Raad het voldoende aannemelijk dat appellante en betrokkene afwisselend in de woning op het recreatiepark te [plaatsnaam 1] en in de woning aan de [adres 2] te [plaatsnaam 2] hebben verbleven. De verklaringen van appellante en betrokkene vinden steun in de verklaringen van de als getuigen gehoorde buurtbewoners op het recreatiepark te [plaatsnaam 1] en in de omgeving van het adres [adres 2] te [plaatsnaam 2]. Deze getuigenverklaringen dienen in dit verband als aanvullend bewijs te worden gezien en zijn als zodanig voldoende concreet.

4.7.2. Uit het onderzoek van de sociale recherche is gebleken dat de woning aan de [adres 2] te [plaatsnaam 2] in de periode van oktober 2003 tot mei 2004 werd bewoond door mevrouw [v. G.] (hierna: [v. G.]) en haar kinderen. [v. G.] heeft verklaard dat betrokkene gedurende deze periode niet op het adres [adres 2] heeft verbleven. Hoewel dit in tegenspraak is met de verklaringen van appellante en betrokkene over het afwisselend verblijf in [plaatsnaam 2] en [plaatsnaam 1], acht de Raad het, gelet op de inconsistente verklaringen die betrokkene en appellante met betrekking tot de hier besproken periode hebben afgelegd, aannemelijk dat ook in de periode van oktober 2003 tot mei 2004 sprake was hoofdverblijf in dezelfde woning. Betrokkene heeft aanvankelijk verklaard dat hij in laatstgenoemde periode ook op het adres [adres 2] verbleef. Na confrontatie met de verklaring van [v. G.] heeft betrokkene verklaard dat hij in die periode bij appellante verbleef en ook bij zijn ouders in [plaatsnaam 4].

4.7.3. Vaststaat dat appellante en betrokkene in de periode van 7 oktober 2005 tot 30 november 2005 ingeschreven stonden op adres [adres 2]. Naar het oordeel van de Raad is het aannemelijk dat appellante en betrokkene in die periode en ook in de periode daarna hun hoofdverblijf hadden in dezelfde woning. Appellante heeft verklaard dat zij sinds december 2005 grotendeels op het adres [adres 2] bij betrokkene verbleef. Deze verklaring wordt ondersteund door de bij het energiebedrijf ingewonnen informatie dat er in de periode van 1 november 2005 tot en met 11 december 2006 geen energieaansluiting in de woning aan de [adres 3] is geweest. In oktober 2006 hebben twee sociaal rechercheurs waargenomen dat de woning aan de [adres 3] niet voorzien was van vloerbedekking en dat de koelkast niet aangesloten was. Voorts heeft de beheerster van het appartementencomplex verklaard dat appellante zelden in haar woning aanwezig was.

4.7.3. Naar het oordeel van de Raad biedt het proces-verbaal van 6 februari 2007 voldoende aanknopingspunten voor de vaststelling dat appellante en betrokkene in de periode van 31 maart 2000 tot eind december 2006 aan het criterium van wederzijdse verzorging voldeden. Ook ten aanzien van dit criterium hecht de Raad veel waarde aan de verklaringen van appellante en betrokkene tegenover de sociale recherche. Beiden hebben verklaard dat zij samen boodschappen deden en samen aten. Samen gebruikten zij één auto en bezochten ze wederzijdse familie. Betrokkene verzorgde de tuin van appellante in [plaatsnaam 1], deed klusjes in en rondom de recreatiewoning, kookte voor haar en bracht haar naar de dokter. Appellante paste enkele keren per week op de hond van betrokkene, als betrokkene op zondag en woensdag bingo draaide. Betrokkene heeft voorts verklaard dat hij en appellante alles samen deden vanaf het moment dat appellante aan de [adres 2] woonachtig was. Appellante heeft deze verklaring niet weersproken.

4.7.4. Gelet op het vorenstaande is de Raad van oordeel dat appellante in de periodes van 31 maart 2000 tot november 2004 en van 7 oktober 2005 tot en met december 2006 een gezamenlijke huishouding met betrokkene heeft gevoerd. Dit betekent, gelet op artikel 16, eerste lid, aanhef en onder b, van de Anw, dat het recht op nabestaandenuitkering op 31 maart 2000 eindigde. De Svb was dan ook ingevolge artikel 34, eerste lid, van de Anw gehouden de nabestaandenuitkering van appellante over deze periodes in te trekken. De Raad ziet in hetgeen is aangevoerd geen dringende redenen als bedoeld in artikel 34, tweede lid, van de Anw om geheel of gedeeltelijk van intrekking af te zien.

4.8. Periode november 2004 tot 7 oktober 2005.

4.8.1. Appellante en betrokkene hebben ontkend dat zij in deze periode hun gezamenlijk hoofdverblijf op het adres [adres 2] hadden. Appellante heeft in eerste instantie verklaard dat zij na de gedwongen verkoop van haar recreatiewoning, vanaf november 2004, bij haar zoon in [plaatsnaam 3] is gaan wonen. Later is zij hiervan teruggekomen en heeft zij verklaard dat zij bij de ouders van betrokkene in [plaatsnaam 4] heeft gewoond. Betrokkene heeft deze verklaring van appellante bevestigd. De enkele omstandigheid dat appellante tegenover de sociale recherche wisselend heeft verklaard over haar verblijfplaats in de hier besproken periode is echter onvoldoende om te kunnen vaststellen dat zij in die periode haar hoofdverblijf heeft gehad op het adres van betrokkene. Het wreekt zich in dit verband dat de ouders van betrokkene niet als getuigen zijn gehoord, terwijl de verklaringen van de getuigen uit de directe omgeving van het adres [adres 2] te [plaatsnaam 2] te weinig concreet zijn om te kunnen concluderen dat appellante en betrokkene in de periode van november 2004 tot 7 oktober 2005 hun hoofdverblijf hadden in dezelfde woning.

4.8.2. Gelet op hetgeen is overwogen onder 4.8.1 is de Raad van oordeel dat er onvoldoende feitelijke grondslag is voor de conclusie dat in deze periode sprake was van een gezamenlijke huishouding. De rechtbank heeft dit niet onderkend.

5. Het hiervoor overwogen leidt tot de conclusie dat het hoger beroep ten dele slaagt. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep tegen het besluit van 10 september 2007 gegrond verklaren en dat besluit vernietigen wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. De Raad zal de Svb opdragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak.

6. De Raad ziet aanleiding de Svb te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze worden begroot op € 644,-- in beroep en € 322,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 10 september 2007 gegrond en vernietigt dat besluit;

Bepaalt dat de Svb een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;

Veroordeelt de Svb in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 966,--;

Bepaalt dat de Svb aan appellante het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 146,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen als voorzitter en R. Kooper en W.F. Claessens als leden, in tegenwoordigheid van N.M. van Gorkum als griffier.

De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 mei 2010.

(get.) C. van Viegen.

(get.) N.M. van Gorkum.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH ‘s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding.

AV