Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BM5008

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-05-2010
Datum publicatie
20-05-2010
Zaaknummer
07-6400 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering. Zorgvuldig deskundigenonderzoek. De Raad kan zich vinden in het resultaat van het door bezwaararbeidsdeskundige Van Dijk ingestelde onderzoek. Betreffende de Maoc-richtlijn merkt de Raad op dat anders dan appellant meent - niet alle in deze zaak betrokken medische specialisten op één lijn zitten, zodat aan die richtlijn geen aanspraak op honorering van appellants standpunt kan worden ontleend. Toewijzing proceskosten wegens aan appellant in beroep en in hoger beroep verleende rechtsbijstand.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/6400 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 15 oktober 2007, 06/1158 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 7 mei 2010

I. PROCESVERLOOP

Mr. J. Choufoer - van der Wel, advocaat te Den Haag, heeft namens appellant hoger beroep ingesteld en het Uwv heeft verweer uitgebracht.

Ter zitting op 6 maart 2009 heeft onderzoek plaatsgevonden. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Choufoer - van der Wel. Voor het Uwv is verschenen J.L. Gerritsen.Van oordeel dat het onderzoek tot dan niet volledig is geweest, heeft de Raad het onderzoek heropend en als deskundige ingeschakeld orthopedisch chirurg dr. J.B.A. van Mourik, die appellant heeft onderzocht en op 5 oktober 2009 rapport van zijn bevindingen heeft uitgebracht

Ter zitting op 26 maart 2010 heeft wederom onderzoek plaatsgevonden. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Choufoer - van der Wel alsook [naam chef], zijn directe chef. Voor het Uwv is verschenen mr. M.W.A. Blind.

I. OVERWEGINGEN

1. Appellant was sedert 1 januari 1988 als [naam functie] voltijds werkzaam bij de Belastingdienst toen hij, nadat hij een voetbal tegen zijn hoofd had gekregen, op 28 februari 2000 is uitgevallen voor zijn werk met diverse fysieke klachten, vermoeidheidsklachten en ook cognitieve klachten. Nadat een verzekeringsarts een FML had opgesteld met daarin onder meer als beperking opgenomen dat appellant (niet meer dan) 16 uren per week kan werken, is aan appellant per 26 februari 2001 naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 65-80% WAO-uitkering toegekend.

2. In het kader van een herbeoordeling heeft de verzekeringsarts A.P. Stolk als externe deskundige ingeschakeld neuro- en gezondheidszorgpsycholoog drs. E. van der Scheer die appellant heeft onderzocht en op 29 maart 2004 rapport van haar bevindingen heeft uitgebracht en die bij brief van 1 maart 2005 heeft gereageerd op een door appellant ingebracht onderzoeksrapport van klinisch psycholoog W.D. van der Zwaag, verbonden aan het Whiplash Instituut Nederland, van 28 januari 2005, die op zijn beurt bij brief van 20 juli 2005 heeft gereageerd op de brief van Van der Scheer van 1 maart 2005.

3. Op basis van onder meer de van Van der Scheer en Van der Zwaag alsook uit nader ingesteld eigen onderzoek verkregen gegevens heeft Stolk een FML opgesteld die de arbeidsdeskundige M. Welle aanleiding heeft gegeven tot de conclusie dat appellant niet langer ongeschikt is zijn eigen (maatman-)functie volledig uit te oefenen. Vervolgens is bij besluit van 28 juli 2005 de WAO-uitkering per 30 juli 2005 ingetrokken.

4. Bij besluit van 31 maart 2006 is appellants bezwaar tegen het besluit van 28 juli 2005 ongegrond verklaard onder overweging dat er geen aanleiding bestaat appellants aan het besluit van 28 juli 2005 ten grondslag liggende belastbaarheid te herzien.

5. Bij de aangevallen uitspraak is appellants beroep tegen het besluit van 31 maart 2006 ongegrond verklaard.

Daartoe heeft de rechtbank overwogen op grond van de bevindingen van de door haar als deskundige ingeschakelde klinisch neurospycholoog dr. A. Bons, die appellant op 8 november 2006 heeft onderzocht, van oordeel te zijn dat het Uwv appellants belastbaarheid per 30 juli 2005 juist heeft vastgesteld en op juiste gronden heeft kunnen besluiten de WAO-uitkering per 30 juli 2005 in te trekken onder overweging dat appellant per die datum in staat moet worden geacht zijn arbeid te verrichten. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat uit het neuropsychologisch onderzoek niet blijkt van duidelijke afwijkingen welke zouden moeten leiden tot beperkingen van appellants functionele mogelijkheden; de deskundige Bons heeft gesteld dat het cognitieve functioneren - waarvan de kwaliteit onder specifieke omstandigheden afneemt - op zichzelf niet primair leidt tot beperkingen in activiteiten en dat ook de licht toegenomen geprikkeldheid niet leidt tot strubbelingen of conflicten op het werk of verdere sociale activiteiten.

6. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat de rechtbank zich ten onrechte heeft beperkt tot de - vervolgens onjuist beantwoorde - vraag of hij arbeidsongeschikt is in de zin van artikel 18 van de WAO. De rechtbank is namelijk niet ingegaan op hetgeen hij in beroep overigens heeft aangevoerd, zodat hij datgene in hoger beroep wederom aanvoert.

Voorts heeft de rechtbank ten onrechte de conclusies van de deskundige Bons volledig overgenomen. Er is sprake van energetische beperkingen, aangezien appellant in korte tijd veel energie verbruikt en dan op straffe van verkramping rust moet nemen. Bons is niet deskundig, omdat hij heeft aangegeven niet bekwaam te zijn om te beoordelen of appellant op 30 juli 2005 in staat was zijn eigen werk te verrichten, reden waarom appellant de Raad verzoekt een andere, ter zake wel deskundige in te schakelen.Er zijn door de neuropsycholoog drs. H.J.F. Gieling die hem in de tweede helft van 2004 heeft behandeld, afwijkingen van de nek geconstateerd. Voorts heeft de orthopedisch chirurg drs. E.P. Abbink in diens brief van 15 oktober 2002 aangegeven dat röntgen- en MRI-onderzoek hebben uitgewezen dat er sprake is van discusinstabiliteit op het niveau C5/C6 welke onder meer hoofdpijn en nekspierpijn veroorzaakt.

7. Van oordeel dat het onderzoek tot dan niet volledig is geweest, heeft de Raad na het onderzoek ter zitting op 6 maart 2009 het onderzoek heropend en als deskundige orthopedisch chirurg Van Mourik ingeschakeld. Deze heeft kennis genomen van de tot dan voorhanden medische en andere gedingstukken, appellant op 2 september 2009 onderzocht, röntgenfoto’s van de cervicale wervelkolom in 4 richtingen laten maken en op 5 oktober 2009 aan de Raad rapport van zijn bevindingen uitgebracht. Hij is gekomen tot de conclusies dat:

- appellant op 30 juli 2005 (de datum thans in geding) geringe cervicale spondylose had op grond waarvan volledig normaal functioneren van zijn cervicale wervelkolom niet mogelijk was,

- hij zich niet volledig kan verenigen met de door de verzekeringsarts vastgestelde belastbaarheid van appellant,

- die belastbaarheid enigszins dient te worden bijgesteld in die zin dat appellant geen werkzaamheden kan verrichten waarbij hij constant de nek voorover of achterover gebogen moet houden of waarbij hij de nek verder dan 45 graden moet roteren,

- appellant op 30 juli 2005 in staat was tot het voltijds verrichten van aangepast werk alsook, mits het eigen werk voldoet aan de door hem aangegeven beperkingen, in staat was tot het voltijds verrichten van zijn eigen werk en

- onderzoek door een psycholoog of psychiater wellicht mogelijk is, gezien de permanente discussie over het wel of niet adequaat zijn van appellants copinggedrag.

8. Vervolgens heeft de Raad het Uwv gevraagd gemotiveerd aan te geven of appellant met de door Van Mourik aangegeven beperkingen op 30 juli 2005 in staat was te achten tot het voltijds verrichten van zijn eigen werk; daarbij heeft de Raad aangetekend arbeidskundig onderzoek naar de belastende aspecten van appellants eigen werk bij de eigen werkgever (nog steeds de Belastingdienst) aangewezen te achten.

Bij brief van 14 december 2009 heeft het Uwv een tweetal rapporten ingebracht. Het van 5 november 2009 daterende rapport van bezwaarverzekeringsarts M. Bakker mondt uit in de conclusie dat - medisch gezien - appellant zelfs met inachtneming van de door Van Mourik beschreven lichte beperking wat de nek betreft zijn eigen functie moet kunnen uitoefenen. Het van 11 december 2009 daterende rapport van bezwaararbeidsdeskundige J. van Dijk mondt (op basis van een door appellants directe chef verstrekte omschrijving van appellants functie, meerdere malen contact met die chef alsook overleg met de bezwaarverzekeringsarts en eigen onderzoek) uit in de conclusie dat - arbeidskundig gezien - appellant in staat moet worden geacht zijn eigen functie volledig en voltijds te verrichten. In een nader rapport van 1 februari 2010 heeft bezwaarverzekeringsarts Bakker gemotiveerd aangegeven dat het rapport van Van Mourik geen aanleiding geeft om bij aspect 5.8 (het hoofd in een bepaalde stand houden tijdens het werk) van de FML een beperking op te nemen.

9. In reactie op het rapport van Van Mourik heeft appellant ingebracht een commentaar van orthopedisch chirurg Abbink bij brief van 6 november 2009 waarin deze onder meer opmerkt dat vaak voorbij wordt gegaan aan het herkennen en onderkennen van een instabiele discus. Ter zitting heeft appellant hieraan nog toegevoegd dat de door Van Mourik van de nek gemaakte foto’s onvoldoende zijn (met andere woorden: Van Mourik is voorbij gegaan aan het herkennen en onderkennen van een instabiele discus) en voorts dat Van Mourik ten onrechte heeft nagelaten contact met Abbink op te nemen alvorens tot conclusies te komen, dat Van Mourik weliswaar orthopedisch chirurg is, maar gespecialiseerd is in heupen en dat dus inschakeling als deskundige door de Raad van een nek-gespecialiseerde orthopedisch chirurg die beschikt over de mogelijkheden om volledig onderzoek te doen en die niet thuishoort in het kamp van de “non believers” in whiplash, in de rede ligt.

10.1. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

10.2. Het geschil wordt beheerst door het antwoord op de vraag of appellant met name wat zijn nek betreft zozeer meer is beperkt dan door het Uwv en ook de rechtbank is aangenomen dat hij niet meer dan 16 uur per dag zijn eigen, enigermate aangepaste werk kan verrichten. Naar vaste rechtspraak van de Raad wordt van de bevindingen van een door de bestuursrechter ingeschakelde deskundige slechts bij uitzondering afgeweken. Evenmin als de rechtbank ziet de Raad aanleiding om te oordelen dat zich hier zo’n uitzonderlijk geval voordoet rechtbank heeft neuropsycholoog Bons en de Raad orthopedisch chirurg Van Mourik als deskundige ingeschakeld. Beiden hebben op hun vakgebied onderzoek gedaan en zijn tot gefundeerde en consistente conclusies gekomen. Appellant heeft weliswaar gesteld dat Van Mourik niet is gespecialiseerd in de nek, maar heeft geen gegevens ter tafel gebracht waaruit zou kunnen worden afgeleid dat Van Mourik als orthopedisch chirurg niet met gezag een gefundeerd standpunt met betrekking tot de nek kan innemen. Zodanige gegevens zijn in zijn rapport ook niet te vinden. Niet valt in te zien dat Van Mourik zich had moeten verstaan met Abbink alvorens tot conclusies te komen. Tot de Van Mourik bekende gedingstukken behoort een brief van Abbink van 15 oktober 2002 waarin deze heeft vermeld dat röntgen- en MRI-onderzoek heeft uitgewezen dat er sprake is van discusinstabiliteit op het niveau C5/C6. In zijn brief van 6 november 2009 heeft Abbink vermeld dat vaak wordt voorbij gegaan aan de complexiteit van een segmentinstabiliteit en daaruit mogelijk voortvloeiende klachten en dat slechts discografisch onderzoek (met het inbrengen van contrastvloeistof in de discus) de instabiliteit zichtbaar kan maken. Daargelaten of uit de eerstgenoemde brief van Abbink niet al is af te leiden dat er zijns inziens sprake is van discusinstabiliteit en niet goed is in te zien waarom de röntgenfoto’s in 4 richtingen die Van Mourik heeft laten maken onvoldoende inzicht kunnen bieden, appellant heeft zelf naar aanleiding van de tweede brief van Abbink geen discografisch onderzoek door Abbink of door een andere daarin gespecialiseerde orthopedisch chirurg laten uitvoeren. Immers, met het resultaat daarvan had hij - wellicht - niet alleen voor zichzelf, maar ook met het oog op de aanhangige WAO-procedure (meer, mogelijk doorslaggevende) duidelijkheid kunnen verkrijgen. De Raad ziet in hetgeen appellant heeft aangevoerd onvoldoende aanleiding om wederom tot inschakeling van een medisch specialist als deskundige over te gaan. at appellants beroep op de zogenoemde Maoc-richtlijn betreft merkt de Raad op dat anders dan appellant meent - niet alle in deze zaak betrokken medische specialisten op één lijn zitten, zodat aan die richtlijn geen aanspraak op honorering van appellants standpunt kan worden ontleend.

10.3. Rest nog de vraag of appellant, uitgaande van de juistheid van de op aanwijzing van Van Mourik enigszins aangescherpte FML, in staat moet worden geacht zijn eigen werk volledig te verrichten. De Raad kan zich vinden in het resultaat van het door bezwaararbeidsdeskundige Van Dijk ingestelde onderzoek. Aan de door appellants directe chef met appellant opgedane ervaringen op de werkplek wat werktijd betreft kan geen overwegende betekenis worden toegekend. Die ervaringen zijn gedurende de laatste twee jaren, dus ver na de datum thans in geding, opgedaan en kunnen voorts niet anders dan subjectief van aard zijn.

11. Gelet op het in 10.2 en 10.3 overwogene faalt het hoger beroep. De aangevallen uitspraak dient dan ook te worden bevestigd.

12. Aangezien, zoals Van Mourik heeft aangegeven, de FML enige aanscherping behoefde en bijgevolg de medische grondslag van het besluit op bezwaar niet geheel correct is geweest, ziet de Raad aanleiding het Uwv te veroordelen in appellants proceskosten wegens aan hem in beroep en in hoger beroep verleende rechtsbijstand tot een bedrag van € 644,-- in beroep en € 966,-- in hoger beroep en voorts te bepalen dat het Uwv aan appellant het door hem in beroep (€ 38,--) en in hoger beroep (€ 106,--) betaalde griffierecht vergoedt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Veroordeelt het Uwv in appellants proceskosten wegens aan hem in beroep en in hoger beroep verleende rechtsbijstand tot een bedrag van in totaal € 1.610,--;

Bepaalt dat het Uwv het door appellant in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van in totaal € 144,-- aan hem vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door G. van der Wiel als voorzitter en G.J.H. Doornewaard en J. Brand als leden, in tegenwoordigheid van R.L. Venneman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 mei 2010.

(get.) G. van der Wiel.

(get.) R.L. Venneman.

TM