Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BM4993

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-05-2010
Datum publicatie
20-05-2010
Zaaknummer
09-4261 BESLU + 09-4262 BESLU
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Heropening wegens mogelijke overschrijding van de redelijke termijn. Geen compensatie van een langere behandelingsduur in de ene rechterlijke fase door een kortere behandelingsduur in een andere rechterlijke fase. De overschrijding dient per rechterlijke fase te worden bezien. Compensatie is slechts mogelijk tussen de verschillende rechterlijke instanties binnen één fase ( LJN BL4247). Schadevergoeding ten laste van de Staat van € 1.000,-. Schadevergoeding ten laste van het College van € 1.500,-.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/4261 BESLU

09/4262 BESLU

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het verzoek om schadevergoeding van:

[Betrokkene], wonende te [woonplaats], (hierna: betrokkene),

met als partijen:

betrokkene

en

de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie) (hierna: Staat)

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: College).

Datum uitspraak: 4 mei 2010

I. PROCESVERLOOP

Betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 4 juli 2008, 06/1142, in het geding tussen betrokkene en het College.

Bij uitspraak van 11 augustus 2009 (LJN BJ5402) heeft de Raad uitspraak gedaan op dit hoger beroep. Daarbij heeft de Raad bepaald dat het onderzoek onder de in de aanhef van deze uitspraak genoemde nummers wordt heropend ter voorbereiding van een nadere uitspraak over het verzoek van betrokkene om schadevergoeding met betrekking tot de mogelijke overschrijding van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), en heeft de Raad naast het College de Staat aangemerkt als partij in die procedure.

Namens het College heeft mr. M.M. Tjen A Kwoei een schriftelijke uiteenzetting gegeven en namens de Staat mr. drs. E.C. Gijselaar, advocaat te ’s-Gravenhage. Namens betrokkene heeft mr. R. de Glas, advocaat te Nijmegen, daarop schriftelijk gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 maart 2010. Voor de Staat is verschenen mr. F.E. de Bruijn, advocaat te ’s-Gravenhage. Betrokkene en het College zijn met kennisgeving niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1.1. De uitspraak van de Raad van 11 augustus 2009 betrof een procedure tussen betrokkene en het College, die betrekking had op betrokkenes aanspraken op grond van de Wet inkomensvoorziening kunstenaars. In genoemde uitspraak heeft de Raad overwogen dat tijdens de tweede rechtbankprocedure een verzoek om schadevergoeding in verband met overschrijding van de redelijke termijn is gedaan en dat de rechtbank verzuimd heeft daarop te beslissen. Voorts is, onder verwijzing naar vaste rechtspraak van de Raad, overwogen dat de rechtbank bij de beoordeling van het verzoek had moeten uitgaan van een redelijke termijn van in beginsel twee jaar voor de procedure tot aan de dag van haar tweede uitspraak. Vanaf de ontvangst op 19 januari 2004 van het bezwaarschrift tot de datum van de tweede uitspraak van de rechtbank op 4 juli 2008 zijn vier jaar en ruim vijf maanden verstreken, zodat sprake lijkt van een overschrijding van de redelijke termijn van twee jaar en ruim vijf maanden. De Raad is tot de slotsom gekomen dat het vermoeden bestaat dat de redelijke termijn zowel in de bestuurlijke fase als ten tijde van de tweede rechtbankprocedure is overschreden.

1.2. Namens de Staat is - kort weergegeven - het standpunt ingenomen dat de behandeling in de tweede fase door de rechtbank weliswaar langer dan anderhalf jaar is geweest, maar dat dit wordt gecompenseerd door een kortere behandelingsduur in de eerste rechterlijke fase. De Staat wijst erop dat de eerste rechtbank procedure circa negen maanden heeft geduurd, bij een normtijd van anderhalf jaar, waarmee de langere behandelingsduur van ruim tien maanden in de tweede rechtbank procedure ten dele kan worden gecompenseerd, zodat een overschrijding van de redelijke termijn resteert van één maand. Naar het oordeel van de Staat is er derhalve aanleiding tot een vergoeding ten laste van de Staat van € 500,-.

1.3. Namens het College is aangevoerd dat een belangrijk deel van de vertraging in deze procedure toegerekend moet worden aan het processuele gedrag van de gemachtigde van betrokkene, nu die na het inleidend beroepschrift van 27 februari 2006 eerst na ontvangst van de brief van de rechtbank van 7 november 2007 de gronden heeft aangevuld.

1.4. Betrokkenes gemachtigde heeft naar voren gebracht dat de vertraging in de tweede rechtbank procedure is ontstaan, omdat lange tijd onduidelijk is geweest welke rechtbank zich bevoegd achtte dit beroep te behandelen. Onder deze omstandigheden kan die vertraging volgens betrokkene niet aan hem worden toegerekend. Voorts is aangevoerd dat de totale schadevergoeding € 2.500,- dient te bedragen, waarvan € 1.500,- te betalen door het College en € 1.000,- door de Staat.

2. De Raad overweegt het volgende.

2.1. De Raad stelt voorop dat al eerder is overwogen, onder meer in de uitspraak van 25 maart 2009 (LJN BH9991), dat in een geval waarin een vernietiging van een besluit op bezwaar leidt tot een hernieuwde behandeling van het bezwaar en – eventueel – een hernieuwde behandeling door de rechter, de overschrijding van de redelijke termijn in beginsel volledig aan het bestuursorgaan moet worden toegerekend. Indien echter in de loop van de hele procedure een of meer keren sprake is (geweest) van een langere behandelingsduur bij een rechterlijke instantie dan gerechtvaardigd, dan komt de periode waarmee die rechterlijke instantie de behandelingsduur heeft overschreden, niet voor rekening van het bestuursorgaan maar van de Staat (het ministerie van Justitie).

2.2. Partijen verschillen van mening over de vragen of een langere behandelingsduur in de tweede rechtbankprocedure gerechtvaardigd is in verband met het processuele gedrag van de gemachtigde van betrokkene en in hoeverre de Staat aansprakelijk is voor de overschrijding van de redelijke termijn in de onderhavige procedure.

2.3. De Raad ziet geen grond om voor de behandeling in de tweede rechtbankprocedure een langere behandelingduur dan anderhalf jaar gerechtvaardigd te achten. Er is weliswaar een lange periode verstreken na ontvangst door de rechtbank van het inleidend beroepschrift en het verzoek van de rechtbank aan de gemachtigde van betrokkene om de aanvullende gronden kenbaar te maken, doch deze vertraging is niet primair door de gemachtigde van betrokkene veroorzaakt. Deze vertraging is met name het gevolg van onduidelijkheid over de vraag welke rechtbank bevoegd was de zaak te behandelen.

2.4. De Raad kan de Staat niet volgen waar deze stelt dat een langere behandelingsduur in een rechterlijke fase kan worden gecompenseerd door een kortere behandelingsduur in een andere rechterlijke fase. Deze benadering komt erop neer dat de normatieve behandelingsduur van alle rechterlijke fasen tezamen wordt berekend, waarna deze wordt afgezet tegen de totale feitelijke behandelingsduur in alle fasen tezamen. Dit komt niet overeen met de onder 2.1 weergegeven overweging dat indien in de loop van de hele procedure een of meer keren sprake is (geweest) van een langere behandelingsduur bij een rechterlijke instantie dan gerechtvaardigd, de periode waarmee die rechterlijke instantie de behandelingsduur heeft overschreden, voor rekening van de Staat komt. Die overschrijding dient per rechterlijke fase te worden bezien. Compensatie is slechts mogelijk tussen de verschillende rechterlijke instanties binnen één fase (zie de uitspraak van de Raad van 17 februari 2010, LJN BL4247).

2.5. Voor de vaststelling van de hoogte van de schadevergoeding stelt de Raad vast dat de totale behandelingsduur tot aan de tweede uitspraak van de rechtbank vier jaar en ruim vijf maanden heeft geduurd. Nu de totale behandelingsduur twee jaar mocht bedragen, is sprake van een overschrijding van de redelijke termijn met twee jaar en ruim vijf maanden. Voorts stelt de Raad vast dat de rechtbank in de tweede procedure de haar toekomende behandelingsduur met ruim tien maanden heeft overschreden. Dit leidt tot een schadevergoeding ten laste van de Staat van € 1.000,-. Mede gelet op de resterende duur van de overschrijding van de redelijke termijn komt de vordering van betrokkene jegens het College ad € 1.500,- voor toewijzing in aanmerking.

3. De Raad ziet ten slotte aanleiding om de Staat en het College te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in deze schadeprocedure. Deze kosten worden begroot op € 161,– ten laste van de Staat en € 161,– ten laste van het College, voor verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Veroordeelt de Staat der Nederlanden (het ministerie van Justitie) tot betaling aan betrokkene van een schadevergoeding ten bedrage van € 1.000,–;

Veroordeelt het College tot betaling aan betrokkene van een schadevergoeding ten bedrage van € 1.500,–;

Veroordeelt de Staat der Nederlanden (het ministerie van Justitie) in de proceskosten van betrokkene tot een bedrag van € 161,–;

Veroordeelt het College in de proceskosten van betrokkene tot een bedrag van € 161,–.

Deze uitspraak is gedaan door T.L. de Vries als voorzitter en H.J. de Mooij en B.W.N. de Waard als leden, in tegenwoordigheid van W. Altenaar als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 mei 2010.

(get.) T.L. de Vries.

(get.) W. Altenaar.

TM