Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BM4576

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-05-2010
Datum publicatie
18-05-2010
Zaaknummer
08/3597 WWB + 08/3597 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

1) Buiten behandeling stelling aanvraag. Appellant heeft niet tijdig de voor de behandeling van de aanvraag ontbrekende gegevens overgelegd. Appellant had om verlenging van de termijn kunnen verzoeken, hetgeen niet is gebeurd. 2) Afwijzing aanvraag om bijstand over de periode van 6 september 2006 tot en met 16 oktober 2006., met een waarschuwing, omdat appellant de inlichtingenverplichting niet of niet behoorlijk is nagekomen, door pas na de geboden hersteltermijn de noodzakelijke gegevens te verstrekken. Verzoek aanmerken als verzoek om terug te komen van zijn eerdere besluit. Geen nieuwe feiten of omstandigheden. De door het College gegeven waarschuwing is in overeenstemming met artikel 10, derde lid, van de Afstemmingsverordening.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 4:5
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2010/221
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/3597 WWB

08/3598 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op de hoger beroepen van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 9 mei 2008, 07/693 en 07/1122 (hierna: aangevallen uitspraak),

in de gedingen tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Sittard-Geleen (hierna: College)

Datum uitspraak: 4 mei 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R. Schoonbrood, advocaat te Sittard, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 maart 2010. Appellant is, zoals vooraf bericht, niet verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Y.J.P. Pozun, werkzaam bij de gemeente Sittard-Geleen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant heeft op 7 september 2006 een aanvraag om bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) ingediend, waarbij hij heeft verzocht om hem met ingang van 6 september 2006 bijstand toe te kennen, omdat hij op die dag is verhuisd. Bij brief van 27 september 2006 heeft het College appellant verzocht om vóór 7 oktober 2006 ontbrekende gegevens, waaronder alle loonspecificaties over de maanden april, mei, juni en juli 2006 van [werkgever 1] en over de maanden mei en juli 2006 van [werkgever 2] over te leggen alsmede de arbeidsovereenkomsten met vermelding van werkdagen en werktijden. Bij brief van 13 oktober 2006 heeft het College appellant verzocht om uiterlijk op 16 oktober 2006 de nog ontbrekende gegevens, waaronder een arbeidsovereenkomst en een ondertekende verklaring van de werkgevers met werkdagen en werktijden, te verstrekken. In beide brieven heeft het College appellant erop gewezen dat het niet tijdig aanleveren van nog ontbrekende bescheiden tot buitenbehandelingstelling van de aanvraag kan leiden. Bij besluit van 25 oktober 2006 heeft het College de aanvraag met toepassing van artikel 4:5, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) buiten behandeling gesteld, op de grond dat appellant niet uiterlijk op 16 oktober 2006 de voor de behandeling van de aanvraag ontbrekende gegevens heeft overgelegd.

1.2. Bij besluit van 23 april 2007 heeft het College, voor zover van belang, het bezwaar tegen het besluit van 25 oktober 2006 ongegrond verklaard.

1.3. Appellant heeft op 3 november 2006 een aanvraag om bijstand ingevolge de WWB ingediend, waarbij appellant wederom heeft verzocht om hem met ingang van 6 september 2006 bijstand toe te kennen, omdat hij op die dag is verhuisd. Bij besluit van 5 februari 2007 heeft het College aan appellant bijstand toegekend met ingang van 17 oktober 2006 en de aanvraag om bijstand over de periode van 6 september 2006 tot en met 16 oktober 2006 afgewezen. Bij datzelfde besluit heeft het College, voor zover van belang, appellant een waarschuwing gegeven, op de grond dat appellant de inlichtingenverplichting niet of niet behoorlijk is nagekomen, omdat appellant pas na de geboden hersteltermijn de noodzakelijke gegevens heeft verstrekt.

1.4. Bij besluit van 25 juni 2007 heeft het College, voor zover van belang, het bezwaar tegen het besluit van 5 februari 2007 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het besluit van 23 april 2007 en het beroep tegen het besluit van 25 juni 2007 ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd. Appellant heeft aangevoerd dat zijn aanvraag van 7 september 2006 ten onrechte buiten behandeling is gesteld, hem ten onrechte geen bijstand is toegekend met ingang van 6 september 2006 en dat hem ten onrechte een waarschuwing is gegeven, op de grond dat hij de inlichtingenplicht zou hebben geschonden. Het hoger beroep voor zover dat betrekking heeft op het buitenbehandelingstellen van de aanvraag van 7 september 2006 is geregistreerd onder nummer 08/3597. Het hoger beroep voor zover dat betrekking heeft op de afwijzing om met ingang van 6 september 2006 bijstand toe te kennen en de gegeven waarschuwing is geregistreerd onder nummer 08/3598.

4. De Raad komt in de zaak 08/3597 WWB tot de volgende beoordeling.

4.1. Artikel 4:5, eerste lid, van de Awb bepaalt, voor zover van belang, dat het bestuursorgaan kan besluiten de aanvraag niet te behandelen, indien de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad de aanvraag binnen een door het bestuursorgaan gestelde termijn aan te vullen. Blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van deze bepaling gaat het bij een onvolledige of ongenoegzame aanvraag onder meer om het onvoldoende verstrekken van gegevens en bescheiden om een goede beoordeling van de aanvraag mogelijk te maken. Daarbij gaat het, gelet op artikel 4:2, tweede lid, van de Awb, om gegevens die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn en waarover de aanvrager redelijkerwijs de beschikking kan krijgen.

4.2. De door het College verlangde arbeidsovereenkomsten met [werkgever 2] en Casablanca en de door beide werkgevers ondertekende verklaringen over de werkdagen en werktijden van appellant, zijn van belang voor de beoordeling van het recht op bijstand. Het College heeft dan ook terecht om deze gegevens verzocht. De stelling van appellant dat de door hem ingeleverde salarisstroken reeds voldoende gegevens bevatten om de aanvraag te beoordelen kan niet worden gevolgd, reeds omdat uit de salarisstroken niet valt af te leiden welk soort contract appellant ten tijde in geding met zijn werkgever(s) had.

4.3. De Raad stelt met de rechtbank vast dat appellant de arbeidsovereenkomst met [werkgever 2] niet binnen de in de brief van 13 oktober 2006 genoemde hersteltermijn maar dat deze pas op 30 oktober 2006 door het College is ontvangen. Naar het oordeel van de Raad moet appellant binnen de aan hem bij brief van 13 oktober 2006 gegeven hersteltermijn redelijkerwijs in staat zijn geweest om over de gevraagde arbeidsovereenkomst te beschikken en deze tijdig over te leggen. Appellant heeft zijn stelling dat hij niet (eerder) over de arbeidsovereenkomst kon beschikken niet aannemelijk gemaakt. Voorts lag het op de weg van appellant om zonodig binnen de gegeven hersteltermijn het College om verlenging van de termijn te verzoeken, hetgeen niet is gebeurd.

4.4. Gelet op hetgeen onder 4.2 en 4.3 is overwogen deelt de Raad het oordeel van de rechtbank dat het College op grond van artikel 4:5, eerste lid, van de Awb bevoegd was de aanvraag van appellant van 7 september 2006 buiten behandeling te stellen. In hetgeen appellant overigens heeft aangevoerd ziet de Raad geen aanleiding om te oordelen dat het College niet in redelijkheid van zijn bevoegdheid tot het buiten behandeling stellen van de aanvraag gebruik heeft kunnen maken.

5. Ten aanzien van de zaak 08/3598 WWB overweegt de Raad het volgende.

5.1. De Raad stelt vast dat aan het College reeds eerder ter beoordeling heeft gestaan of appellant met ingang van 6 september 2006 recht had op bijstand. Appellant heeft immers ook in zijn aanvraag van 7 september 2006, die het College bij besluit van 25 oktober 2006 buiten behandeling heeft gesteld, om bijstand met ingang van 6 september 2006 verzocht. Dat betekent dat de aanvraag van appellant van 3 november 2006, voor zover deze ziet op de hier in geding zijnde periode van 6 september 2006 tot 17 oktober 2006 moet worden aangemerkt als een verzoek aan het College om terug te komen van zijn eerdere besluit van 25 oktober 2006.

5.2. Overeenkomstig hetgeen voor herhaalde aanvragen is bepaald in artikel 4:6 van de Awb, mag van degene die een bestuursorgaan verzoekt van een eerder genomen besluit terug te komen, worden verlangd dat bij dit verzoek nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld die zulk een terugkomen kunnen rechtvaardigen. De bestuursrechter dient dan het oorspronkelijk besluit tot uitgangspunt te nemen en zich in beginsel te beperken tot de vraag of sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden en zo ja, of het bestuursorgaan daarin aanleiding had behoren te vinden om het oorspronkelijke besluit te herzien.

5.3. Appellant heeft in zijn aanvraag van 3 november 2006 verzocht om toekenning van bijstand met ingang van 6 september 2006, omdat hij op die dag is verhuisd. Dit is geen nieuw gebleken feit of een veranderde omstandigheid als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb. Nu door appellant geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn aangedragen, was het College bevoegd om met toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb de aanvraag van 3 november 2006 af te wijzen voor zover deze ziet op de periode van 6 september 2006 tot 17 oktober 2006. In hetgeen appellant overigens heeft aangevoerd ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat het College niet in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken.

5.4. De Raad overweegt ten aanzien van de maatregel het volgende.

5.5. Ingevolge artikel 18, tweede lid, van de WWB, voor zover van belang, verlaagt het college de bijstand overeenkomstig de verordening, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel b, indien de belanghebbende naar het oordeel van het college de uit de WWB voortvloeiende verplichtingen niet of onvoldoende nakomt. Van een verlaging wordt afgezien, indien iedere vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.

5.6. Ingevolge artikel 10, eerste lid, van de Afstemmingsverordening, voor zover van belang, wordt de verlaging vastgesteld op vijf procent van de bijstandsnorm gedurende een maand indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenplicht bedoeld in artikel 17 van de WWB niet heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand. Ingevolge artikel 10, derde lid, van de Afstemmingsverordening wordt van een besluit tot verlaging ingevolge dit artikel afgezien en wordt volstaan met het geven van een waarschuwing, tenzij het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting plaatsvindt binnen een periode van twee jaar te rekenen vanaf de datum waarop eerder aan de belanghebbende een schriftelijke waarschuwing is gegeven.

5.7. Uit de stukken blijkt dat het College appellant bij brief van 21 december 2006 heeft verzocht om uiterlijk op 8 januari 2007 de voor de beoordeling van de aanvraag ontbrekende gegevens, waaronder bewijzen van inkomsten bij [werkgever 2] over de maanden november en december 2006, te verstrekken. Appellant heeft deze gegevens niet binnen de gestelde hersteltermijn verstrekt. Pas na een herhaald verzoek van het College bij brief van 26 januari 2007 zijn op 1 februari 2007 van appellant de gevraagde bewijzen van inkomsten ontvangen. Hiermee heeft appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting als bedoeld in artikel 17 van de WWB geschonden.

De door het College gegeven waarschuwing is in overeenstemming met artikel 10, derde lid, van de Afstemmingsverordening.

5.8. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

6. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.C.F. Talman als voorzitter en R.H.M. Roelofs en N.M. van Waterschoot als leden, in tegenwoordigheid van C. de Blaeij als griffier.

De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 mei 2010.

(get.) J.C.F. Talman.

(get.) C. de Blaeij.

IJ