Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BM4557

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-05-2010
Datum publicatie
18-05-2010
Zaaknummer
09-4330 WAO + 09-4329 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

1) Intrekking WAO-uitkering. Voldoende medische en arbeidskundige grondslag. 2) Beëindiging ziekengeld. Geen aanleiding voor twijfel aan de conclusie van de (bezwaar)verzekeringsartsen dat appellante weer in staat was haar maatgevende arbeid te verrichten. Appellante heeft geen andersluidende medische gegevens naar voren gebracht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/4330 WAO en 09/4329 ZW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraken van de rechtbank Breda van 17 juni 2009, 08/934 (hierna: aangevallen uitspraak 1) en 08/3196, (hierna: aangevallen uitspraak 2),

in de gedingen tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 12 mei 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. R.F.E. Frommé, werkzaam bij Juridische Dienstverlening Nederland B.V. te Apeldoorn, tegen de aangevallen uitspraken 1 en 2 hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 april 2010. Appellante is met voorafgaand bericht niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.C.M. Huijzer.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellante is laatstelijk werkzaam geweest als commercieel administratief medewerkster voor 15,5 uren per week. Vanuit de situatie dat zij een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) ontving, is appellante op 4 februari 2003 na een ongeval uitgevallen vanwege nek-, duizeligheidsklachten en uitstralingsverschijnselen. Na de wettelijke wachttijd, die destijds 52 weken bedroeg, is aan appellante met ingang van 3 februari 2004 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

1.2. In het kader van een herbeoordeling op basis van het aangepaste Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten is appellante op 6 augustus 2007 onderzocht door een verzekeringsarts die haar belastbaar achtte voor passende arbeid, met inachtneming van de beperkingen die zijn vastgelegd in een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van

10 september 2007. Op basis hiervan heeft een arbeidsdeskundige vastgesteld dat appellante geschikt is voor de volledige maatmanfunctie van commercieel administratief medewerkster, waarmee zij in staat wordt geacht het maatgevende loon te verdienen. In overeenstemming hiermee heeft het Uwv bij besluit van 17 september 2007 de

WAO-uitkering van appellante met ingang van 18 november 2007 ingetrokken. Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar is, onder verwijzing naar een rapportage van de bezwaarverzekeringsarts, ongegrond verklaard bij besluit van 11 januari 2008 (hierna: bestreden besluit 1).

1.3. Per 19 februari 2008 heeft appellante zich vanuit de situatie dat zij een WW-uitkering ontving ziek gemeld in verband met een polsoperatie rechts, die zij op 29 februari 2008 moest ondergaan. Na medisch onderzoek op 9 april 2008 heeft de verzekeringsarts appellante per 14 april 2008 hersteld verklaard voor haar maatgevende arbeid. In overeenstemming hiermee heeft het Uwv bij besluit van 9 april 2008 beslist dat appellante met ingang van 14 april 2008 geen recht meer heeft op ziekengeld op grond van de Ziektewet (ZW). Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar heeft het Uwv, onder verwijzing naar een rapportage van de bezwaarverzekeringsarts, ongegrond verklaard bij besluit van 6 juni 2008 (hierna: bestreden besluit 2).

2.1. Bij de aangevallen uitspraak 1 heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit 1 ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat op grond van de beschikbare gegevens moet worden aangenomen dat de verzekeringsartsen bij appellante niet te geringe medische beperkingen hebben vastgesteld en heeft zij de daarvoor gegeven motivering voldoende geacht. Wat betreft de arbeidskundige grondslag heeft de rechtbank geoordeeld dat zij op basis van de stukken voldoende overtuigd is van de geschiktheid van appellante voor de maatmanfunctie. De rechtbank heeft dan ook geconcludeerd dat het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante per 18 november 2007 terecht heeft vastgesteld op minder dan 15% en dat de uitkering per genoemde datum terecht is ingetrokken.

2.2. Bij de aangevallen uitspraak 2 heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit 2 ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat op grond van de stukken moet worden aangenomen dat de verzekeringsartsen tot een juist medisch oordeel zijn gekomen en dat zij een voldoende zorgvuldig medisch onderzoek hebben verricht. De rechtbank heeft dan ook geen aanleiding gezien om de conclusies van de verzekeringsartsen niet te onderschrijven en geoordeeld dat het Uwv op goede gronden heeft besloten de verdere uitkering ingevolge de ZW met ingang van 14 april 2008 te weigeren.

09/4330 WAO

3. Namens appellante is in hoger beroep aangevoerd dat zij zich verder beperkt acht dan door het Uwv is aangenomen en dat zij niet kan voldoen aan het gestelde in de FML. Zij wijst er met name op dat haar beperkingen ten gevolge van hoofdpijn, tintelingen in beide armen en handen, wazig zien, concentratiestoornissen, nekklachten en lage rugklachten onvoldoende zijn erkend en dat mitsdien de geduide functies niet passend zijn te achten.

4. De Raad, oordelend over hetgeen appellante tegen de aangevallen uitspraak 1 heeft aangevoerd, overweegt het volgende.

4.1. De Raad volgt het oordeel van de rechtbank dat er geen reden is om de door de verzekeringsarts vastgestelde en door de bezwaarverzekeringsarts voor akkoord bevonden beperkingen voor onjuist te houden en onderschrijft de daartoe door de rechtbank gegeven overwegingen. Hetgeen door appellante in hoger beroep is aangevoerd geeft geen reden voor een ander oordeel nu zij geen medische onderbouwing heeft gegeven voor haar stelling dat haar medische beperkingen zijn onderschat.

4.2. Met de rechtbank ziet de Raad evenmin aanleiding voor twijfel aan de arbeidskundige onderbouwing van bestreden besluit 1. De arbeidsdeskundige heeft geconcludeerd dat appellante gezien de vastgestelde belastbaarheid en de geconstateerde belasting geschikt was te achten voor haar maatgevende arbeid als commercieel administratief medewerkster, zodat een functieselectie met gebruikmaking van het Claim Beoordelings- en Borgingssysteem niet noodzakelijk was. In hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd ziet de Raad geen aanleiding om tot het oordeel te komen dat haar maatgevende arbeid in medisch opzicht voor appellante niet passend zou zijn.

4.3. Uit hetgeen hiervoor onder 4.1 en 4.2 is overwogen volgt dat de aangevallen uitspraak 1 dient te worden bevestigd.

09/4329 ZW

5. Namens appellante is in hoger beroep aangevoerd dat zij zich verder beperkt acht dan door het Uwv is aangenomen. Met name de beperkingen ten gevolge van haar polsklachten (CTS) en de hieruit voortvloeiende klachten zijn volgens appellante onvoldoende erkend.

6. De Raad, oordelend over hetgeen appellante tegen de aangevallen uitspraak 2 heeft aangevoerd, overweegt het volgende.

6.1. Ingevolge het bepaalde in artikel 19, eerste lid, van de ZW heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek recht op ziekengeld. Volgens vaste jurisprudentie van de Raad wordt onder “zijn arbeid” verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding feitelijk verrichte arbeid. Nu appellante laatstelijk werkzaam is geweest als commercieel administratief medewerkster en zij nadien in de periode voor haar ziekmelding niet in enig werk heeft hervat, is genoemde functie terecht als maatstaf arbeid aangemerkt.

6.2. De Raad stelt in dit verband vast dat appellante primair is onderzocht door een verzekeringsarts, die ook beschikte over de medische gegevens uit het WAO-dossier. Deze verzekeringsarts achtte de medische belastbaarheid van appellante vergelijkbaar met de belastbaarheid ten tijde van de WAO-beoordeling en concludeerde dat appellante geschikt was voor haar maatgevende arbeid. De bezwaarverzekeringsarts heeft het dossier bestudeerd en appellante tijdens de hoorzitting van 29 mei 2008 geobserveerd. Op basis hiervan heeft de bezwaarverzekeringsarts de conclusies van de verzekeringsarts bevestigd.

6.3. Nu door appellante in hoger beroep geen andersluidende medische gegevens zijn overgelegd, ziet de Raad geen aanleiding voor twijfel aan de conclusie van de (bezwaar)verzekeringsartsen dat appellante op 14 april 2008 weer in staat was haar maatgevende arbeid te verrichten. Mitsdien is de ZW-uitkering per genoemde datum terecht beëindigd.

6.4. Uit hetgeen hiervoor onder 6.1 tot en met 6.3 is overwogen volgt dat de aangevallen uitspraak 2 eveneens dient te worden bevestigd.

7. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake de vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraken.

Deze uitspraak is gedaan door C.P.J. Goorden, in tegenwoordigheid van A.L. de Gier als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 mei 2010.

(get.) C.P.J. Goorden.

(get.) A.L. de Gier.

EK