Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BM4543

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-05-2010
Datum publicatie
18-05-2010
Zaaknummer
08-7109 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering voorziening in de vorm van scholing. De intrekking van de WAO-uitkering is in rechte onaantastbaar geworden. Een re-integratietraject zonder scholing is adequaat te achten. De gestelde gebrekkige beheersing van de Nederlandse taal is, gelet op het niveau en de aard van de voorgehouden functies, geen reden om tot een ander oordeel te komen. De re-integratievisie is voldoende concreet in de verwoording van hetgeen van appellante wordt verlangd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/7109 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 10 november 2008, 07/2898 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 12 mei 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. D. Gürses, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 maart 2010. Appellante, noch mr. Gürses is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.E.M. Kuppens.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellante is werkzaam geweest als productiemedewerkster bij een wasserij voor 36 uur per week. In 1997 heeft zij zich ziek gemeld wegens spanningsklachten. Na afloop van de wettelijke wachttijd van 52 weken is haar een uitkering toegekend op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%.

1.2. In 2007 heeft het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante herbeoordeeld. Op basis van de conclusies van een medisch en een arbeidskundig onderzoek is bij besluit van 18 april 2007 de WAO-uitkering van appellante per 19 juni 2007 ingetrokken, omdat de mate van arbeidsongeschiktheid per deze datum was afgenomen naar minder dan 15%. Het bezwaar van appellante tegen dit besluit is door het Uwv ongegrond verklaard bij besluit van 6 september 2007. Tegen laatstgenoemd besluit heeft appellante beroep ingesteld. Tijdens de procedure in beroep heeft het Uwv de ingangsdatum van de intrekking van de WAO-uitkering gewijzigd in - uiteindelijk - 7 november 2007. De rechtbank heeft bij uitspraak van 26 september 2008, 07/3146, het beroep tegen het besluit van 6 september 2007, zoals gewijzigd, gegrond verklaard, het besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van dat besluit in stand blijven. In zijn uitspraak van 20 januari 2010 heeft de Raad de uitspraak van de rechtbank voor zover aangevochten bevestigd.

1.3. Bij brief van 18 april 2007 heeft het Uwv de ten aanzien van appellante opgestelde re-integratievisie d.d. 10 april 2007 aan appellante toegezonden. In deze re-integratievisie heeft het Uwv gesteld dat voor appellante scholing niet noodzakelijk is, dat het Uwv een traject zonder scholing vergoedt en dat hij van appellante verwacht dat zij met een traject bij re-integratiebedrijf A Deux begint. Tegen de ten aanzien van haar opgestelde re-integratievisie heeft appellante bezwaar gemaakt, welk bezwaar bij besluit van 6 september 2007 ongegrond is verklaard. Tegen dit besluit van 6 september 2007 (hierna: bestreden besluit) heeft appellante beroep ingesteld.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Zij heeft in die uitspraak als haar oordeel te kennen gegeven dat het Uwv in redelijkheid heeft kunnen komen tot de in de re-integratievisie te lezen weigering van de door appellante gewenste voorziening, te weten scholing, op wat voor wijze dan ook. Naar haar oordeel is met het rapport van bezwaararbeidsdeskundige R. Stroband van 24 september 2008 voldoende inzichtelijk gemaakt op welke gronden het Uwv van mening is dat scholing voor appellante niet noodzakelijk is.

3. Appellante heeft in hoger beroep gesteld dat zij, gelet op de combinatie van psychische klachten en pijnklachten, niet in staat is om welke functie dan ook te vervullen. Voorts heeft zij gesteld dat voor haar scholing wel noodzakelijk is omdat zij geen enkele opleiding heeft en haar gebrekkige kennis van het Nederlands in de weg staat aan het vervullen van de aan haar in het kader van de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling voorgehouden functies. Zij heeft daarbij aangegeven persoonlijke ondersteuning te zien als compensatie voor haar medische beperkingen. Tot slot heeft zij gesteld dat de re-integratievisie onvoldoende concrete afspraken bevat en haar arbeidskansen erg overschat.

4. Het Uwv heeft de in hoger beroep door appellante betrokken stellingen betwist en een rapport van bezwaararbeidsdeskundige Stroband van 27 januari 2009 toegezonden, waarin op de stellingen van appellante is ingegaan en is geconcludeerd dat scholing voor appellante niet noodzakelijk is, concrete afspraken niet in een re-integratievisie worden opgenomen maar in een re-integratieplan en dat de beperkte beheersing van de Nederlandse taal van appellante niet in de weg staat aan het aannemen van geschiktheid voor de aan haar voorgehouden functies.

5. De Raad overweegt als volgt.

5.1.1. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat niet kan worden gezegd dat het Uwv niet in redelijkheid tot het thans bestreden besluit heeft kunnen komen. Voor zover appellante heeft gesteld dat haar medische klachten het haar niet mogelijk maken om te voldoen aan de uit het bestreden besluit voortvloeiende re-integratieverplichtingen, merkt de Raad op dat het bestreden besluit is gebaseerd op de ten aanzien van appellante aangenomen belastbaarheid voor arbeid, die ten grondslag is gelegd aan het besluit tot intrekking van de WAO-uitkering van appellante. Die intrekking van de WAO-uitkering is uiteindelijk - met de uitspraak van de Raad van 20 januari 2010 - in rechte onaantastbaar geworden. In hetgeen appellante in deze procedure ten aanzien van haar medische klachten naar voren heeft gebracht, ziet de Raad geen aanleiding om over die belastbaarheid thans anders te oordelen dan in zijn uitspraak van 20 januari 2010.

5.1.2. Voorts kan de Raad zich niet stellen achter de opvatting van appellante dat door het Uwv ten onrechte is vastgesteld dat voor haar een re-integratietraject zonder scholing adequaat is te achten. De Raad is, gelet op de voorhanden zijnde gegevens, van oordeel dat het Uwv zijn standpunt ter zake genoegzaam heeft onderbouwd en hij verwijst hiervoor naar hetgeen de rechtbank daaromtrent heeft overwogen, nu hij zich achter die overwegingen kan stellen. De door appellante gestelde gebrekkige beheersing van de Nederlandse taal acht de Raad met de rechtbank, gelet op het niveau en de aard van de aan appellante voorgehouden functies, geen reden om tot een ander oordeel te komen. Tot slot overweegt de Raad dat de re-integratievisie, anders dan appellante heeft gesteld, voldoende concreet is in de verwoording van hetgeen van appellante wordt verlangd, waarbij hij er op wijst dat, waar nodig, een re-integratievisie een uitwerking krijgt in een zogenoemd plan van aanpak en dat zo’n plan van aanpak dan een uitwerking en concretisering behelst van hetgeen in de desbetreffende re-integratievisie is neergelegd.

5.2. Op grond van het overwogene onder 5.1.1 en 5.1.2 is de Raad van oordeel dat het hoger beroep geen doel treft.

6. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H. Bolt, in tegenwoordigheid van M. Mostert als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 mei 2010.

(get.) H. Bolt.

(get.) M. Mostert.

JL