Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BM4484

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-04-2010
Datum publicatie
20-05-2010
Zaaknummer
09-4715 WWB + 09-4716 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

1) Proceskostenveroordeling in beroep. De grief inzake de weigering van de rechtbank om een proceskostenveroordeling uit te spreken is terecht voorgedragen. De rechtbank had gebruik moeten maken van de in art. 8:75 Awb neergelegde bevoegdheid. 2) Bijzondere bijstand voor kosten hotel en bed & breakfast. Bevoegdheid gemeentebestuur. Geen sprake van uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan. Niet met objectieve en verifieerbare gegevens onderbouwd dat geen gebruik gemaakt kon worden van goedkopere alternatieve verblijfsmogelijkheden. 3) Bijzondere bijstand voor kosten vloerbedekking en bed. Anders dan de rechtbank is de Raad van oordeel dat de brief van 21 mei 2008, waarin aan appellante bijzondere bijstand in de vorm van een geldlening is toegekend, onder de voorwaarde van overlegging van offerte, is een besluit in de zin van art. 1:3 Awb, aangezien die brief op rechtsgevolg is gericht. 4) Inkomsten uit arbeid via uitzendbureau Tempo Team in mindering gebracht op bijstandsuitkering. De arbeidsovereenkomst van appellante ontbeerde een duurzaam karakter. Het betrof een oproepcontract en appellante is feitelijk slechts twee weken werkzaam geweest. Het College kon in redelijkheid besluiten geen toepassing te geven van de vrijlatingsfaciliteit als bedoeld in art. 31, lid 2, aanhef en onder o, WWB.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 1:3
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2010, 139
USZ 2010/220
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/4715 WWB

09/4716 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 15 juli 2009, 08/1785 en 08/1793 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Heerlen (hierna: College)

Datum uitspraak: 27 april 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. B. van Dijk, advocaat te Groningen, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 maart 2010. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Van Dijk. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.F. Dekker en mr. J.A.L. Devoi, beiden werkzaam bij de gemeente Heerlen.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.

1.1. Bij besluit van 29 april 2008 (hierna: besluit A) heeft het College aan appellante met ingang van 5 maart 2008 bijstand naar de norm voor een alleenstaande toegekend op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Daarbij is tevens besloten de bijstand van appellante over de periode van 30 juli 2007 tot 1 februari 2011 te verlagen met 10%. Bij afzonderlijk besluit van 29 april 2008 (hierna: besluit B) heeft het College aan appellante een overbruggingsuitkering om niet toegekend tot een bedrag van € 250,-- voor de kosten die verband houden met haar verblijf in hotel [naam hotel] te [vestigingsplaats] en haar verblijf in bed & breakfast [verblijfplaats] te [vestigingsplaats]. Bij besluit van 21 mei 2008 (hierna: besluit C), voor zover van belang, heeft het College aan appellante bijzondere bijstand toegekend voor de kosten van een bed en vloerbedekking. De bijstand is toegekend in de vorm van leenbijstand tot een bedrag van in totaal € 860,--, waarbij de voorwaarde is opgenomen dat appellante bij overlegging van offertes opnieuw een aanvraag moet indienen. Bij besluit van 17 juli 2008 (hierna: besluit D) heeft het College appellante meegedeeld dat haar inkomsten uit arbeid via uitzendbureau Tempo Team over de periode van 3 juni 2008 tot en met 14 juni 2008 in mindering worden gebracht op haar uitkering.

1.2. Bij besluit van 31 juli 2008 heeft het College appellante bijzondere bijstand om niet verstrekt voor de kosten van laminaat tot een bedrag van € 520,--. De draagkrachtruimte van appellante is vastgesteld op nihil.

1.3. Bij besluit van 22 september 2008 (besluit I), voor zover hier van belang, heeft het College het bezwaar tegen besluit A, voor zover daarbij een maatregel is opgelegd, gegrond verklaard en een vergoeding toegekend voor de in bezwaar gemaakte kosten tot een bedrag van € 644,--. Voorts heeft het College het bezwaar tegen besluit B, voor zover gericht tegen de hoogte van de toegekende overbruggingsuitkering, onder aanpassing van de motivering, ongegrond verklaard. Het College heeft het bezwaar tegen besluit C, voor zover gericht tegen de toekenning van bijzondere bijstand voor de kosten van een bed en vloerbedekking in de vorm van een geldlening, niet-ontvankelijk verklaard, op de grond dat er geen sprake is van een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

1.4. Bij besluit van 25 september 2008 (besluit II) heeft het College het bezwaar tegen besluit D ongegrond verklaard, en het verzoek om vergoeding van schade in de vorm van wettelijke rente afgewezen.

1.5. Bij besluit van 23 december 2008 heeft het College alsnog beslist op het door appellante in het bezwaar tegen besluit A gedane verzoek om veroordeling tot schadevergoeding en een vergoeding van wettelijke rente toegewezen tot een bedrag van € 5,50.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen besluit I niet-ontvankelijk verklaard, voor zover dit ziet op de beslissingen op bezwaar ten aanzien van de besluiten A en C en ongegrond verklaard, voor zover dit ziet op de beslissing op bezwaar ten aanzien van besluit B. Tevens heeft de rechtbank het beroep tegen besluit II ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd gekeerd tegen de aangevallen uitspraak. Hiertoe is allereerst aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte geen proceskostenveroordeling heeft uitgesproken in verband met de

niet-ontvankelijkverklaring van het beroep dat was ingesteld tegen besluit I wegens het ontbreken van een beslissing ten aanzien van schadevergoeding zoals was verzocht in het bezwaar tegen besluit A. Ten aanzien van de kosten van verblijf in hotel [naam hotel] en het bed & breakfast te [vestigingsplaats] heeft appellante betoogd dat er sprake was van een acute noodsituatie, zodat de betreffende kosten voor bijzondere bijstandsverlening in aanmerking dienen te komen. Tevens heeft appellante aangevoerd dat besluit C aangemerkt dient te worden als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb, dat het College het bezwaar tegen dit besluit ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard en dat de rechtbank het beroep op dit onderdeel eveneens ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. Ten aanzien van de ongegrondverklaring van het beroep tegen besluit II is aangevoerd dat de door appellante verrichte werkzaamheden voor Tempo Team bijdroegen aan haar arbeidsinschakeling, zodat de inkomsten ten onrechte niet zijn vrijgelaten met toepassing van artikel 31, tweede lid, aanhef en onder o, van de WWB. Tot slot heeft appellante de Raad verzocht het College tot schadevergoeding te veroordelen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Proceskostenveroordeling in beroep

4.1.1. De Raad is van oordeel dat de grief inzake de weigering van de rechtbank om een proceskostenveroordeling uit te spreken terecht is voorgedragen. Appellante heeft immers beroep moeten instellen om te bewerkstelligen dat het College bij besluit van 23 december 2008 alsnog is overgegaan tot het vergoeden van de wettelijke rente over de nabetaalde bijstand. In een dergelijk geval ligt het in de rede dat de rechtbank gebruik maakt van de in artikel 8:75 van de Awb neergelegde bevoegdheid wanneer zij constateert dat het procesbelang aan het beroep tegen het bestreden besluit is komen te ontvallen door het, hangende beroep, afgeven van een beslissing tot vergoeding van de wettelijke rente. De rechtbank heeft dit niet onderkend.

4.2. Bijzondere bijstand voor kosten hotel [naam hotel] en bed & breakfast te [vestigingsplaats] (besluit B)

4.2.1. Artikel 40, eerste lid, van de WWB bepaalt dat het recht op bijstand bestaat jegens burgemeester en wethouders van de gemeente waar belanghebbende woonplaats heeft als bedoeld in de artikelen 10, eerste lid, en 11 van boek 1 van het Burgerlijk Wetboek.

4.2.2. Naar het oordeel van de Raad vloeit uit artikel 40, eerste lid, van de WWB voort dat slechts één gemeentebestuur bevoegd is een ingediende bijstandsaanvraag over eenzelfde tijdvak of voor dezelfde kosten inhoudelijk te beoordelen en dat ter zake ook slechts jegens dat gemeentebestuur aanspraken geldend kunnen worden gemaakt.

4.2.3. Uit de stukken leidt de Raad af dat appellante ter voldoening van de nota van hotel [naam hotel] van 14 februari 2008 (€ 989,50) reeds op 18 februari 2008 bij het College van de gemeente Wijchen een aanvraag om bijzondere bijstand heeft ingediend. Het College van de gemeente Wijchen heeft op 25 februari 2008 inhoudelijk op deze aanvraag beslist en deze afgewezen. Onder deze omstandigheden moet worden geoordeeld dat het College niet bevoegd was de aanvraag om bijzondere bijstand - voor zover betrekking hebbend op de nota van hotel [naam hotel] van 14 februari 2008 - in behandeling te nemen. De rechtbank heeft dit niet onderkend.

4.2.4. Met betrekking tot de kosten van verblijf in het bed & breakfast te [vestigingsplaats] is de Raad van oordeel dat geen sprake is van uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan in de zin van artikel 35, eerste lid, van de WWB. Appellante heeft niet met objectieve en verifieerbare gegevens onderbouwd dat zij geen gebruik heeft kunnen maken van goedkopere alternatieve verblijfsmogelijkheden. Daarbij speelt een rol dat appellante zonder voorafgaand overleg met het College deze overnachtingsmogelijkheden heeft betrokken en dat zij de aanvraag om bijzondere bijstand eerst heeft ingediend na beëindiging van dat verblijf, waardoor achteraf niet meer is vast te stellen of er goedkopere alternatieven waren die uit het oogpunt van bijstandsverlening passend waren. Zij heeft hiermee een financieel risico genomen, waarvan de gevolgen naar het oordeel van de Raad voor haar rekening dienen te blijven.

4.3. Bijzondere bijstand voor kosten vloerbedekking en bed (besluit C)

4.3.1. Nu het College bij besluit van 31 juli 2008 aan appellante bijzondere bijstand om niet heeft verstrekt voor de kosten van laminaat tot een bedrag van € 520,-- heeft de gemachtigde van appellante de grief in hoger beroep op dit onderdeel beperkt tot de kosten van een bed.

4.3.2. Anders dan de rechtbank is de Raad van oordeel dat de brief van 21 mei 2008 een besluit is in de zin van artikel 1:3 Awb, aangezien die brief op rechtsgevolg is gericht. In die brief is immers aan appellante bijzondere bijstand in de vorm van een geldlening toegekend, onder de voorwaarde van overlegging van offertes. Dit wordt niet anders door de daarop volgende passage dat appellante bij overlegging van offertes wederom een aanvraag moet indienen. De rechtbank heeft dit niet onderkend.

4.4. Inkomsten Tempo Team (besluit D)

4.4.1. In artikel 31, eerste lid, eerste volzin, van de WWB is bepaald dat tot de middelen worden gerekend alle vermogens- en inkomensbestanddelen waarover de alleenstaande of het gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. Ingevolge artikel 31, tweede lid, aanhef en onder o, van de WWB, zoals dit artikel ten tijde in geding luidde, worden niet tot de middelen van de belanghebbende gerekend inkomsten uit arbeid gedurende ten hoogste zes aaneengesloten maanden tot 25% van deze inkomsten, met een maximum van € 183,--, voor zover hij algemene bijstand ontvangt en dit naar het oordeel van het college bijdraagt aan zijn arbeidsinschakeling.

4.4.2. Ingevolge artikel 15, eerste lid, van de Verordening Wet werk en bijstand gemeente Heerlen (hierna: Verordening) stelt het College regels aan de hand waarvan hij beoordeelt of het niet tot de middelen van de belanghebbende rekenen van inkomsten uit arbeid als bedoeld in artikel 31, tweede lid, onderdeel o, van de wet bijdraagt aan diens arbeidsinschakeling. Gebleken is dat het College niet nader heeft bepaald in welke gevallen de inkomensvrijlating wordt toegepast. De concrete invulling van de vrijlatingsfaciliteit wordt per individueel geval bepaald.

4.4.3. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat de arbeidsovereenkomst van appellante een duurzaam karakter ontbeerde. Het betrof een oproepcontract en appellante is feitelijk slechts twee weken werkzaam geweest. Naar het oordeel van de Raad heeft het College in het onderhavige geval dan ook in redelijkheid kunnen besluiten geen toepassing te geven van de vrijlatingsfaciliteit als bedoeld in artikel 31, tweede lid, aanhef en onder o, van de WWB. Dit betekent dat de aangevallen uitspraak op dit onderdeel voor bevestiging in aanmerking komt.

4.5. Het voorgaande brengt de Raad tot de volgende slotoverwegingen.

4.5.1. Uit hetgeen is overwogen onder 4.1 tot en met 4.4 volgt dat de aangevallen uitspraak, behoudens voor zover hierbij het beroep tegen besluit II ongegrond is verklaard, voor vernietiging in aanmerking komt. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep tegen het besluit I gegrond verklaren, voor zover dat betrekking heeft op de niet-ontvankelijk verklaring van het bezwaar tegen besluit C, alsmede op de ongegrondverklaring van het bezwaar tegen besluit B voor zover dit ziet op de kosten van hotel [naam hotel]. De Raad zal voorts met toepassing van artikel 8:72, vierde lid van de Awb, besluit B in zoverre herroepen en het College onbevoegd verklaren ter zake van de aanvraag van 10 maart 2008 voor zover betrekking hebbend op de kosten van verblijf in hotel [naam hotel].

4.5.2. Het College zal met betrekking tot de kosten van een bed een nieuw besluit op bezwaar moeten nemen. Met het oog op de nadere besluitvorming overweegt de Raad het volgende. Het College voert het beleid dat bijzondere bijstand voor de kosten van noodzakelijke duurzame gebruiksgoederen in de regel wordt verleend in de vorm van een geldlening. Indien de belanghebbende echter geen aflossingscapaciteit heeft, wordt de bijstand om niet verstrekt. Uit de stukken is de Raad gebleken dat appellante ten tijde hier in belang geen aflossingscapaciteit had.

4.5.3. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling tot schadevergoeding. Niet gebleken is van voor vergoeding in aanmerking komende schade.

5. Proceskosten

5.1. Onder 4.1 heeft de Raad overwogen dat de rechtbank ten onrechte geen proceskostenveroordeling heeft uitgesproken. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen zal de Raad een zodanige proceskostenveroordeling alsnog uitspreken.

5.2. De Raad ziet aanleiding het College te veroordelen in de kosten van appellante in het bezwaar tegen besluit B, in het beroep tegen besluit I, alsmede in hoger beroep. De totale kosten worden begroot op € 644,-- in bezwaar, op € 644,-- in beroep en eveneens op € 644,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak, behoudens voor zover het beroep tegen besluit II ongegrond is verklaard;

Verklaart het beroep tegen besluit I gegrond, voor zover dat betrekking heeft op de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar tegen besluit C, alsmede op de ongegrondverklaring van het bezwaar tegen besluit B voor zover dit ziet op de kosten van hotel [naam hotel];

Vernietigt besluit I in zoverre;

Verklaart het College onbevoegd om de aanvraag van 10 maart 2008, voor zover betrekking hebbend op de kosten van hotel [naam hotel], in behandeling te nemen;

Herroept besluit B voor zover dit ziet op de kosten van hotel [naam hotel];

Bepaalt dat het College een nieuw besluit op het bezwaar tegen besluit C neemt met inachtneming van deze uitspraak;

Wijst het verzoek om veroordeling tot schadevergoeding af;

Veroordeelt het College in de kosten van appellante in bezwaar, beroep en hoger beroep tot een bedrag van € 1.932,--;

Bepaalt dat het College aan appellante het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 151,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en A.B.J. van der Ham en N.M. van Waterschoot als leden, in tegenwoordigheid van J.M. Tason Avila als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 april 2010.

(get.) N.J. van Vulpen-Grootjans.

(get.) J.M. Tason Avila.

IJ