Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BM4422

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-05-2010
Datum publicatie
17-05-2010
Zaaknummer
08/5155 WVG + 08/5157 WVG + 08/6159 WVG + 08/6163 WVG
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aanpassing woning ten behoeve van pleegdochter. Met het nadere besluit niet (geheel) tegemoetgekomen. Onjuiste toetsingsmaatstaf rechtbank. De totaalprijs van het plaatsen van een woonhuislift met de optie van een automatisch werkende cabine- en schachtdeur bedraagt minder dan de door het College geaccordeerde stelpost. Appellanten konden en mochter het er voor houden dat de hen verstrekte financiële tegemoetkoming mede zag op bedoelde optie. Het College mocht niet het ontbreken van de medische noodzaak van bedoelde optie alsnog tegen te werpen. Appellanten hebben het meerwerk ten behoeve van de elektra niet tijdens de uitvoering van de werkzaamheden, maar eerst bij de verantwoording aan het College hebben gemeld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2010/148
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/5155 WVG

08/5157 WVG

08/6159 WVG

08/6163 WVG

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van

[appellant] en [appellante], te Gorinchem, (hierna: appellanten)

tegen de uitspraak van de rechtbank Dordrecht van 18 juli 2008, 07/718 (hierna: aangevallen uitspraak)

in het geding tussen

appellanten

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Gorinchem (hierna: College)

Datum uitspraak: 12 mei 2010.

I. PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. P.D. Koren, werkzaam bij Achmea Rechtsbijstand, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend en de Raad een nader besluit van 20 augustus 2008 doen toekomen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 februari 2010. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. W.H. Benard, advocaat te Rotterdam. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door M.H.E. Cats-Kwant en J. Arslan, werkzaam bij de gemeente Gorinchem.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Appellanten hebben een pleegdochter, [naam pleegdochter] (hierna: [de pleegdochter]), geboren op 30 januari 2003. [de pleegdochter] is meervoudig gehandicapt. In verband met de hieruit voortvloeiende beperkingen hebben appellanten op 8 maart 2004 bij het College op grond van het bepaalde bij en krachtens de Wet voorzieningen gehandicapten (hierna: Wvg) een aanvraag ingediend voor onder meer een financiële tegemoetkoming voor een woningaanpassing in de vorm van een aanbouw op de bestaande aanbouw ten behoeve van een slaapkamer voor [de pleegdochter]. Voorts is een woonhuislift aangevraagd en is verzocht om de woonkamer te vergroten in verband met toekomstig rolstoelgebruik.

1.2. Naar aanleiding van de aanvraag is onderzoek verricht. Geconcludeerd is dat op de begane grond een extra slaapkamer gerealiseerd moet worden en dat de woonkamer thans niet hoeft te worden vergroot. Vervolgens heeft het College appellanten bij brief van 27 juli 2004 meegedeeld dat in de woning aanpassingen nodig zijn conform het bijgevoegde programma van eisen. Appellanten is verzocht om een gespecificeerde kostenopstelling te verstrekken, waarbij wordt uitgegaan van het programma van eisen. Hierop hebben appellanten het College offertes doen toekomen, onder meer van [bedrijf 1].

1.3. Naar aanleiding van de overgelegde offertes heeft het College Chambers Consultancy (hierna: Chambers) verzocht om advies te geven over de kosten en de technische mogelijkheden van een aanbouw op de begane grond en een dakopbouw. Bij brief van 29 december 2004 heeft Chambers geconcludeerd dat het realiseren van een dakopbouw, na correctie van de overmaat van een eenpersoonsslaapkamer, de goedkoopste toereikende uitvoering is. Het College is geadviseerd om akkoord te gaan met het realiseren van een dakopbouw voor een bedrag van € 49.185,08 inclusief 19% BTW en inclusief de kosten van de overmaat van de eenpersoonsslaapkamer. Binnen dit bedrag is voor de woonhuislift inclusief de montage € 14.700,-- als stelpost gereserveerd. Dit bedrag is blijkens het advies van Chambers gebaseerd op informatie van de [bedrijf 2]. Nadat appellanten dit advies hebben ondertekend, heeft Chambers het College bij brief van 17 mei 2005 bericht dat de subsidiabele kosten inclusief de vergoeding aan de architect € 52.160,08 bedragen.

1.4. Bij besluit van 10 juni 2005 heeft het College appellanten een voorlopige financiële tegemoetkoming in de kosten van woningaanpassing toegekend tot een bedrag van € 52.160,08 inclusief BTW. Daarbij is meegedeeld dat niet meer zal worden uitbetaald dan de werkelijk gemaakte kosten. Voorts is appellanten meegedeeld dat, indien tijdens de uitvoering mocht blijken dat meerwerk noodzakelijk is, appellanten dat direct dienen te melden, zodat overlegd kan worden of deze kosten meegenomen kunnen worden bij de vaststelling van de financiële tegemoetkoming.

1.5. Op 2 september 2005 hebben appellanten bij het College op grond van het bepaalde bij en krachtens de Wvg een aanvraag om een woningaanpassing in de vorm van uitbreiding van de huiskamer ingediend. Naar aanleiding van deze aanvraag en de uitgebrachte medische rapporten van Argonaut Advies B.V. (hierna: Argonaut) heeft het College appellanten bij brief van 19 december 2005 meegedeeld dat in de woning aanpassingen nodig zijn conform het bijgevoegde programma van eisen. Appellanten is verzocht om twee vergelijkbare offertes met bestek-, constructie- en werktekening aan te dragen, waarbij is uitgegaan van het programma van eisen. Vervolgens hebben appellanten bij brief van 7 maart 2006 het College twee offertes doen toekomen.

1.6. Bij brief van 8 maart 2006 hebben appellanten het College bericht dat zij bij de verbouwing van de woning geconfronteerd zijn met onvoorziene kostenposten in de vorm van een nieuwe CV-ketel en nieuwe vloerbedekking en behang in de slaapkamer, de hallen en de woonkamer. Naar aanleiding van deze brief heeft Argonaut op 13 april 2006 en op 14 april 2006 desgevraagd aan het College een medisch advies uitgebracht. Geconcludeerd is dat de slaapkamer van [de pleegdochter] als gevolg van haar aandoeningen verwarmd moet worden tot ongeveer 22 °C, en dat een nieuwe verwarmingsketel en thermostaatknoppen in verband met de woninguitbreiding noodzakelijk zijn. Voorts is het College geadviseerd om de kosten van stoffering van de benedenslaapkamer te vergoeden, nu de daar opgetreden schade als gevolg van de bouwwerkzaamheden in de bovenliggende slaapkamer van [de pleegdochter] niet of nauwelijks was te voorkomen.

1.7. Bij besluit van 16 mei 2006 heeft het College in het kader van de Wvg aan appellanten een bedrag van € 19.256,04 (inclusief BTW) toegekend ten behoeve van de uitbreiding van de woonkamer. Het College heeft appellanten voorts meegedeeld dat deze woningaanpassing in combinatie met de woningaanpassing in de vorm van een extra slaapkamer wordt bezien en dat de voorlopige financiële tegemoetkoming wordt bepaald op een bedrag van € 71.416,12 inclusief BTW. Tevens is appellanten bericht dat, indien tijdens de uitvoering mocht blijken dat meerwerk noodzakelijk is, zij dat direct dienen te melden zodat overlegd kan worden of deze kosten meegenomen kunnen worden bij de vaststelling van de financiële tegemoetkoming.

1.8. Bij brief van 1 juni 2006 hebben appellanten het College meerdere facturen ter zake van de centrale verwarming, wand- en vloerafwerking en schilderswerk doen toekomen. Naar aanleiding hiervan heeft Argonaut desgevraagd op 29 augustus 2006 aan het College een bouwkundig advies uitgebracht. Geconcludeerd is dat onvoorziene kosten met betrekking tot woninginrichting niet binnen het kader van de Wvg vallen, en dat schadeposten verhaald moeten worden op de veroorzaker van de schade. Met betrekking tot de kosten van de centrale verwarming is positief geadviseerd. Omdat een factuur ontbreekt heeft Argonaut deze kosten geraamd op een bedrag van € 7.414,12.

1.9. Bij brief van 10 oktober 2006 hebben appellanten een toelichting gegeven op enkele in hun woning aangebrachte aanpassingen ten behoeve van de lift, de vloeroppervlakte en de vervanging van de verwarmingsketel. Bij brief van 23 november 2006 hebben appellanten een factuur van [bedrijf 1]. van 20 september 2006 overgelegd. In deze factuur is de eindafrekening ten behoeve van de dakopbouw en de uitbreiding van de woonkamer vastgesteld op € 94.844,02. Vervolgens heeft Argonaut op 30 november 2006 aan het College een bouwkundig advies uitgebracht. Hierin is vastgesteld dat de woonkamer met ongeveer 20 m² is vergroot, waarvan 6 m² voor rekening van de Wvg kan worden gebracht. De bovenverdieping is met ongeveer 26 m² vergroot. Hiervan kan 16 m² voor rekening van de Wvg worden gebracht. Van de totale uitbreiding van 46 m² kan volgens Argonaut 22 m² ten laste van de Wvg worden gebracht, zodat ongeveer 50% van de kosten subsidiabel is. Toepassing van deze verdeelsleutel heeft tot gevolg dat van het in rekening gebrachte maar niet gespecificeerde bedrag ad € 4.424,-- voor elektra onderzoek verricht moet worden naar het bedrag van € 2.212,--, nu dit € 412,-- hoger is dan de in de offertes opgenomen stelpost van € 1.800,--. Geconcludeerd is dat de overschrijding met € 400,-- waarschijnlijk het gevolg is van het aanbrengen van een wandcontactdoos ten behoeve van een niet-noodzakelijke deurautomaat. Geen aanleiding is gezien om de verrekening van de stelpost met betrekking tot de elektra te accepteren. Voor het leveren en monteren van de lift was een stelpost van € 14.700,-- opgenomen. De kosten hiervan hebben uiteindelijk € 12.360,-- exclusief BTW en opcenten bedragen. Een deurautomaat bij de lift is volgens Argonaut niet noodzakelijk, zodat een bijdrage hiervoor niet aan de orde is. De kosten van het gedetailleerde tekenwerk zijn volgens Argonaut met toepassing van de verdeelsleutel van 50% slechts noodzakelijk tot een bedrag van € 125,--. Geconcludeerd is dat de uiteindelijke totale aanvaardbare kosten kunnen worden bepaald op een bedrag van € 74.583,18.

1.10. Bij besluit van 26 februari 2007 heeft het College de financiële tegemoetkoming in de kosten van de totale woningaanpassing naar aanleiding van de gereedmelding door middel van de factuur van 20 september 2006 met toepassing van artikel 8.1 van de Verordening definitief vastgesteld op een bedrag van € 81.996,29. Het College heeft geen aanleiding gezien om de verrekening van de stelposten met betrekking tot de elektra te accepteren. Met betrekking tot de in rekening gebrachte deurautomaat heeft het College opgemerkt dat hiervoor geen aanvraag is ingediend, dat hiervan geen melding is gemaakt in de indicatierapporten, en dat hiervoor geen toestemming is verleend. Overigens is in het advies van Argonaut gesteld dat een deurautomaat niet noodzakelijk is.

1.11. Appellanten hebben tegen het besluit van 26 februari 2007 bezwaar gemaakt. Aangevoerd is onder meer dat het College niet heeft aangegeven aan welke eisen de slaapkamer van [de pleegdochter] moest voldoen en wat was toegestaan. Alle bij het College in rekening gebrachte kosten zijn gemaakt ten behoeve van [de pleegdochter]. Verder kunnen appellanten zich niet verenigen met de in het bouwkundig rapport van Argonaut toegepaste verdeelsleutel. Voorts is aangevoerd dat de post elektra op de factuur uitsluitend betrekking heeft op de werkzaamheden ten behoeve van [de pleegdochter]. Appellanten hebben daarnaast betoogd dat de deurautomaat noodzakelijk is om letsel te voorkomen. Ook kunnen appellanten zich niet verenigen met de gedeeltelijke vergoeding van de tekenkosten en met de weigering om de stoffering te vergoeden, nu deze direct voortvloeien uit de verbouwing.

1.12. Naar aanleiding van het bezwaar heeft verzekeringsarts R.A. Breeden, werkzaam bij Breeden sociaal medisch advies, desgevraagd aan het College op 21 mei 2007 een advies uitgebracht. Geconcludeerd is dat geen medische indicatie aanwezig is voor een automatische liftdeur. Vervolgens heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 26 februari 2007 bij besluit van 27 juni 2007 ongegrond verklaard. Wel is appellanten wettelijke rente tot een bedrag van € 470,13 toegekend.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - met bepalingen omtrent proceskosten en griffierecht - het beroep tegen het besluit van 27 juni 2007 gegrond verklaard, voor zover het ziet op de kosten voor elektra en tekenwerk, het besluit van 27 juni 2007 in zoverre vernietigd, en het beroep voor het overige ongegrond verklaard. De rechtbank heeft ten aanzien van de kosten voor elektra geoordeeld dat het College niet aannemelijk heeft gemaakt waarom op het door appellanten opgevoerde bedrag van € 4.424,-- de verdeelsleutel van 50/50 moet worden toegepast. Met betrekking tot het tekenwerk heeft de rechtbank geoordeeld dat, nu de tekeningen betrekking hebben op de gehele verbouwing, het College in redelijkheid de verdeelsleutel van 50/50 heeft toegepast. Het College heeft evenwel onvoldoende onderbouwd waarom het tekenwerk is geschat op een bedrag van € 250,-- en niet op het door appellanten opgevoerde bedrag van € 800,--. Wat de elektrische liftdeur betreft heeft de rechtbank geen grond aanwezig geacht om de conclusies van Breeden in twijfel te trekken, nu niet is gebleken dat deze niet op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen dan wel inhoudelijk niet concludent zijn. Evenmin is gebleken dat aan de deskundigheid van Breeden moet worden getwijfeld. Het College heeft dan ook in redelijkheid kunnen beslissen de kosten van appellanten te vergoeden voor een woonhuislift met één handbediende deur. Ook met betrekking tot de kosten van stoffering kan het besluit van 27 juni 2007 volgens de rechtbank in stand blijven.

3.1. Appellanten hebben in hoger beroep onder meer aangevoerd dat het College verzuimd heeft een pakket van eisen op te stellen ten aanzien van de verbouwing. Hierdoor was het onduidelijk welke eisen door het College werden gesteld ten aanzien van de verbouwing ten behoeve van [de pleegdochter]. De weigering om alle gemaakte kosten te voldoen is daardoor niet begrijpelijk. Bovendien is door het gebrek aan een pakket van eisen een misverstand over de al dan niet elektrisch bediende liftdeur in stand gebleven. Appellanten zijn altijd uitgegaan van een elektrisch bediende liftdeur. In dat verband verwijzen zij naar de ondertekende opdrachtbevestiging van 19 december 2005. Voorts hebben appellanten betoogd dat Breeden [de pleegdochter] op een voor haar goede dag heeft gezien en niet weet hoe zij zich kan gedragen. Ten slotte kunnen appellanten zich ook in hoger beroep niet verenigen met de toegepaste en door de rechtbank redelijk geachte verdeelsleutel.

3.2. Naar aanleiding van de aangevallen uitspraak heeft het College op 20 augustus 2008 een besluit genomen. Hierin heeft het College beslist om het besluit van 27 juni 2007 te handhaven. Met betrekking tot de kosten voor elektra heeft het College berekend dat een bedrag van € 1.776,44 voor rekening van de Wvg komt, zodat de stelpost van € 1.800,-- voor elektra voldoende is gebleken. Voorts heeft het College zich op het standpunt gesteld dat aan appellanten ten onrechte een bedrag van € 125,-- voor tekenwerk is toegekend. Dit bedrag zal het College niet terugvorderen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1 Omvang van het geding

4.1.1. Op 20 augustus 2008 heeft het College ter uitvoering van de uitspraak van de rechtbank een nieuw besluit op bezwaar genomen. De Raad merkt dit besluit aan als een besluit dat op de voet van de artikelen 6:18, 6:19, eerste lid en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) mede in de beoordeling moet worden betrokken.

4.1.2. De Raad stelt op basis van hetgeen ter zitting van de Raad naar voren is gebracht vast dat het hoger beroep nog uitsluitend betrekking heeft op de weigering van het College om de kosten van een automatisch werkende cabine- en schachtdeur en de meerkosten ten behoeve van het treffen van elektrische voorzieningen (hierna: elektra) bij de vaststelling van de financiële tegemoetkoming te betrekken.

4.2. Toepasselijk recht

4.2.1. Ingevolge artikel 40, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wmo blijft de Wvg van toepassing op de financiële verantwoording, vaststelling en uitbetaling van op grond van de Wvg verleende uitkeringen tot aan het tijdstip van inwerkingtreding van de wet.

4.2.2. Bij besluit van 27 februari 2007 heeft het College de financiële tegemoetkoming ten behoeve van de woningaanpassing, waarvoor bij besluiten van 10 juni 2005 en 16 mei 2006 een voorlopige financiële tegemoetkoming was verleend, definitief vastgesteld.

4.2.3. De Raad is van oordeel dat artikel 40, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wvg zo moet worden uitgelegd dat dit artikel mede ziet op de vaststelling van de financiële tegemoetkoming ten behoeve van een woningaanpassing, verleend op grond van het bepaalde bij en krachtens de Wvg. Dit betekent dat de bepalingen van de Wvg op de vaststelling van een dergelijke financiële tegemoetkoming van toepassing zijn gebleven.

4.3.1. Artikel 2, eerste lid, van de Wvg bepaalt dat het college van burgemeester en wethouders zorg draagt voor de verlening van onder meer woonvoorzieningen ten behoeve van de deelneming aan het maatschappelijk verkeer van de in de gemeente woonachtige gehandicapten. Ingevolge artikel 3 van de Wvg moeten deze voorzieningen verantwoord, dat wil zeggen doeltreffend, doelmatig en cliëntgericht, zijn. In artikel 2, eerste lid, van de Wvg is voorts bepaald dat de gemeenteraad met inachtneming van hetgeen bij en krachtens de Wvg is bepaald, bij verordening regels dient vast te stellen.

4.3.2. Artikel 5, eerste lid, onder a, van de Wvg bepaalt dat de verordening, bedoeld in artikel 2, eerste lid, in ieder geval regels bevat met betrekking tot de gevallen en de vorm waarin voorzieningen kunnen worden verleend, waarbij wordt bepaald dat woonvoorzieningen waarvan de kosten gelijk zijn aan of meer bedragen dan € 45.378 niet worden verleend, tenzij weigering van die voorziening gelet op het belang dat deze regeling beoogt te beschermen zou leiden tot onbillijkheden van overwegende aard.

4.3.3. Blijkens de wetsgeschiedenis bij artikel 5 van de Wvg is in de situatie dat een woonvoorziening de grens van het bedrag van (destijds) f 100.000 te boven gaat steeds sprake van een bijzonder geval, waarin het weigeren van die voorziening zou leiden tot onbillijkheden van overwegende aard. De gemeente dient, ingevolge artikel 5, eerste lid, onder a, van de Wvg de aldaar geformuleerde hardheidsclausule uitdrukkelijk in de gemeentelijke Wvg-verordening vast te leggen (TK, 1998-1999, 26 435, nr. 3, p. 7).

4.4.1. Ter uitvoering van de in artikel 2, eerste lid, van de Wvg neergelegde opdracht heeft de raad van de gemeente Gorinchem de Verordening vastgesteld.

4.4.2. Artikel 1.1, onder k, van de Verordening bepaalt dat in deze verordening onder woningaanpassing wordt verstaan: ingreep die gericht is op het opheffen of verminderen van beperkingen die een gehandicapte ondervindt bij het normale gebruik van de woonruimte en waarvan de kosten een bedrag van € 45.378,-- niet te boven gaan.

4.4.3. Ingevolge artikel 2.1, eerste lid, van de Verordening kan de door burgemeester en wethouders te verstrekken woonvoorziening bestaan uit een financiële tegemoetkoming in de kosten van;

(…)

b. woningaanpassing;

c. woonvoorzieningen van niet-bouwkundige en woontechnische aard;

(…).

4.4.4. Blijkens de toelichting bij deze bepaling gaat het bij een woningaanpassing om bouwkundige (onroerende) woningaanpassingen die de ergonomische beperkingen van de gehandicapte (gedeeltelijk) wegnemen. Kosten die subsidiabel kunnen zijn, zijn onder meer de door burgemeester en wethouders (schriftelijk) goedgekeurde kostenverhogingen die ten tijde van de raming van de kosten redelijkerwijs niet voorzien hadden kunnen zijn.

4.4.5. Artikel 8.1, eerste lid, van de Verordening bepaalt dat burgemeester en wethouders in bijzondere gevallen ten gunste van de gehandicapte of de woningeigenaar kunnen afwijken van de bepalingen in deze verordening, indien toepassing van de verordening tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.

4.4.6. Artikel 8.1, derde lid, van de Verordening bepaalt dat indien een bouwkundige aanpassing het bedrag van € 45.378,-- te boven gaat, het orgaan bedoeld in artikel 9a van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten de noodzaak van deze aanpassing heeft vastgesteld en weigering van deze voorziening gelet op het belang dat de wet beoogt te beschermen zou leiden tot onbillijkheden van overwegende aard, burgemeester en wethouders ondanks het gestelde in artikel 1 lid 1 onder k kunnen besluiten tot verstrekking van deze voorziening.

4.5. Automatisch werkende liftdeur

4.5.1. Zoals de Raad in zijn uitspraak van 7 februari 2007 (LJN AZ8205) heeft overwogen komt aan het College geen beoordelingsvrijheid toe bij de beantwoording van de vraag of aan de - in de Wvg en de Verordening neergelegde - (bevoegdheids- of toepassings)voorwaarden is voldaan. De bestuursrechter dient de uitleg die het College aan de toepasselijke algemeen verbindende voorschriften geeft vol te toetsen en zo nodig zijn uitleg in de plaats te stellen van die van het College. Voor een marginale of terughoudende toetsing van de kwalificatie van de feiten in het licht van deze voorschriften is evenmin plaats. Dit betekent dat de rechtbank, door zich in de aangevallen uitspraken te beperken tot de vraag of het College in redelijkheid tot de weigering van vergoeding van de extra kosten voor een automatische liftdeur heeft kunnen komen, een onjuiste toetsingsmaatstaf heeft aangelegd. De aangevallen uitspraak komt reeds om die reden voor vernietiging in aanmerking.

4.5.2. De Raad stelt vast dat reeds bij het, aan het besluit van 10 juni 2005 ten grondslag liggende rapport van Chambers van 29 december 2004, is uitgegaan van een stelpost van een woonhuislift van € 14.700,-- (exclusief BTW). Daarbij is opgemerkt dat de kosten van een woonhuislift, blijkens navraag bij de firma Ooms, liggen tussen € 14.500,-- en € 17.500,-- (inclusief montage en BTW). Blijkens de door appellanten aan [bedrijf 2] gegeven opdrachtbevestiging van 19 december 2005 is opdracht verstrekt tot het plaatsen van een woonhuislift voor de prijs van € 12.360,-- (exclusief BTW) met de optie van een automatisch werkende cabine- en schachtdeur ten bedrage van € 1.860,-- (exclusief BTW). De totale kosten van het plaatsen van de woonlift met genoemde optie bedragen € 14.220,-- (exclusief BTW). Nu de totaalprijs van het plaatsen van een woonhuislift met de optie van een automatisch werkende cabine- en schachtdeur minder bedraagt dan de door het College geaccordeerde stelpost konden en mochten appellanten het er voor houden dat de hen verstrekte financiële tegemoetkoming mede zag op bedoelde optie. Onder die omstandigheden acht de Raad geen ruimte aanwezig voor het College om bij de vaststelling van de financiële tegemoetkoming het ontbreken van de medische noodzaak van bedoelde optie alsnog tegen te werpen.

4.5.3. Uit het overwogene in 4.5.1 en 4.5.2 vloeit voort dat het besluit van 27 juni 2007 in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb niet berust op een deugdelijke motivering. Dit betekent dat, met vernietiging van de aangevallen uitspraak voor zover daarbij het beroep tegen het besluit van 27 juni 2007, waar dit betreft de weigering om de optie van een automatische werkende cabine- en schachtdeur bij de vaststelling van de financiële tegemoetkoming te betrekken, ongegrond is verklaard, het beroep gegrond dient te worden verklaard en het besluit van 27 juni 2007 in zoverre dient te worden vernietigd. De Raad ziet aanleiding zelf in de zaak te voorzien door te bepalen dat de vaststelling van de financiële tegemoetkoming wordt verhoogd met een bedrag van € 2213,40 (incl. BTW) ten behoeve van de optie van een automatisch werkende cabine- en schachtdeur.

4.6. Elektra

4.6.1. De Raad stelt vast dat ten behoeve van de elektra een stelpost is opgenomen van € 1800,--. Door appellanten is aan electra een bedrag van € 4.424,-- verantwoord. Ter zitting van de Raad hebben appellanten te kennen gegeven dat de totaalkosten ten behoeve van de elektra bijna € 8.000,-- bedragen. De verantwoording van de bij besluiten van 10 juni 2005 en 16 mei 2006 verleende financiële tegemoetkoming hebben appellanten bij wijze van schatting op het bedrag van € 4.424,-- bepaald, omdat zij niet in staat zijn in concreto aan te geven welke kostenposten betrekking hebben op de woningaanpassing ten behoeve van [de pleegdochter].

4.6.2. De Raad stelt verder vast dat appellanten, anders dan bij de besluiten van 10 juni 2005 en 16 mei 2006 is bepaald, het door hen opgedragen meerwerk ten behoeve van de elektra niet tijdens de uitvoering van de werkzaamheden, maar eerst bij de verantwoording aan het College hebben gemeld. Het College heeft niettemin aan zijn besluitvorming ten grondslag gelegd dat bij de vaststelling van de financiële tegemoetkoming die kosten kunnen worden betrokken, waarvan is aangetoond dat zij gemaakt zijn ten behoeve van de woningaanpassing voor de pleegdochter van appellanten. Naar het oordeel van de Raad ligt het op de weg van appellanten om op verifieerbare wijze aan te tonen welke kostenposten ten behoeve van de woningaanpassing voor hun pleegdochter zijn gemaakt. Nu appellanten daarin niet zijn geslaagd, kon het College bij de vaststelling uitgaan van de bij de besluiten van 10 juni 2005 en 16 mei 2006 voor elektra opgenomen stelpost van € 1.800,--.

4.6.3. Uit het overwogene in 4.6.2 vloeit voort dat het beroep tegen het besluit van 20 augustus 2008 niet slaagt.

5. Slotoverweging

5.1. De Raad ziet aanleiding om het College te veroordelen in de proceskosten van appellanten. Deze kosten worden begroot op € 2.415,80 in hoger beroep voor kosten deskundige, reiskosten en voor verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover deze betreft de automatische liftdeur;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 27 juni 2007 in zoverre gegrond;

Vernietigt het besluit van 27 juni 2007, voor zover daarbij het bezwaar tegen het besluit van 26 februari 2007 betreffende de automatische liftdeur ongegrond is verklaard;

Voorziet in de zaak als overwogen in 4.5.3;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 20 augustus 2008 ongegrond;

Veroordeelt het College in de proceskosten van appellanten tot een bedrag van € 2.415,80, te betalen door de gemeente Gorinchem;

Bepaalt dat de gemeente Gorinchem aan appellanten het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 107,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door R.M. van Male als voorzitter en G.M.T. Berkel-Kikkert en H.C.P. Venema als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J. Waasdorp als griffier, uitgesproken in het openbaar op 12 mei 2010.

(get.) R.M. van Male.

(get.) J. Waasdorp.

BvW/224