Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BM4391

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-05-2010
Datum publicatie
18-05-2010
Zaaknummer
08-7331 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAO-uitkering. Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat er geen grond is voor twijfel aan de juistheid van de door het Uwv in aanmerking genomen medische beperkingen van appellant. Niet ten onrechte heeft het Uwv in het voorschrijven van nortrilen en nortryptiline geen aanleiding gezien om psychische beperkingen aan te nemen. Min of meer hetzelfde geldt voor de diclofenac als ontstekingsremmer. De belasting in de aan de schatting ten grondslag gelegde functies overschrijdt appellants belastbaarheid niet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/7331 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 17 december 2008, 08/1592 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 12 mei 2010

I. PROCESVERLOOP

Mr. W.C. de Jonge, advocaat te Vlaardingen, heeft namens appellant hoger beroep ingesteld en het Uwv heeft verweer uitgebracht.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 april 2010. Appellant is niet verschenen. Voor het Uwv is verschenen S.N. Westmaas.

II. OVERWEGINGEN

1. Appellant heeft zich 29 september 2003 met rugklachten ziek gemeld voor zijn voltijdse werk als medewerker cactuskwekerij. Aan hem is bij besluit van 22 januari 2007 per 27 september 2004 (op arbeidskundige gronden: onvoldoende functies te duiden) een WAO-uitkering toegekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80% of meer.

2. Bij besluit van 2 april 2007 is de WAO-uitkering per 3 juni 2007 ingetrokken onder overweging dat de mate van arbeidsongeschiktheid per die datum is afgenomen naar minder dan 15%, doch bij besluit van 28 februari 2008 is appellants bezwaar tegen dat besluit gegrond verklaard, de WAO-uitkering nader per 3 juni 2007 herzien naar 45-55% en een vergoeding van door appellant in bezwaar gemaakte proceskosten toegekend.

3.1. Bij de aangevallen uitspraak is appellants beroep tegen het besluit van 28 februari 2008 ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank - samengevat - het volgende overwogen.

3.2. Het medisch onderzoek vanwege het Uwv heeft op zorgvuldige wijze plaatsgevonden. Er is geen reden het aan het besluit op bezwaar ten grondslag liggende medische oordeel voor onjuist te houden. Wat de rapporten van (het Instituut) Psychosofia (van 3 september 2007 en 1 april 2008) betreft kan het Uwv niet worden gehouden om inhoudelijk te reageren op de door iemand die geen arts is in appellants lichaam aangetroffen blokkades. Voor zover in het rapport van Psychosofia van 1 april 2008 naast de beschrijving van de diverse zich in het dossier bevindende medische rapporten, opmerkingen zijn gemaakt over appellants mogelijkheden dan wel beperkingen, is daarop door het Uwv afdoende gereageerd. Het Uwv mag zijn medisch onderzoek baseren op en laten leiden door appellants klachten en de door hem ervaren beperkingen; er bestaat voor het Uwv geen verplichting om appellant op alle in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) genoemde items te onderzoeken. In het algemeen kan worden aanvaard dat een (bezwaar)verzekeringsarts van het Uwv op basis van zijn onderzoek en zijn deskundigheid als arts met inachtneming van de vastgestelde ziekten en/of gebreken beperkingen aangeeft zonder daarbij in alle gevallen expliciet aan te geven dat en op welke wijze deze beperkingen zijn onderzocht.

Ook en met name wat reiken, torderen, tillen of dragen, zitten, boven schouderhoogte werken en kortcyclisch buigen betreft zijn appellants functionele mogelijkheden correct in de FML vastgelegd. De totale belasting van de aan appellant voorgehouden functies overschrijdt zijn belastbaarheid niet.

4. In hoger beroep heeft appellant in essentie herhaald hetgeen hij in bezwaar en beroep heeft aangevoerd onder overlegging van een rapport van Psychosofia van 3 februari 2009 alsook diverse rapporten/brieven van Psychosofia, neuroloog dr. L.C.M. Moll, neuroloog A.H.C. Geerlings (in diens hoedanigheid van door de rechtbank ingeschakelde deskundige), neurochirurg R. Walchenbach, orthopedisch chirurg O. Schreuder, huisarts N.A. Niehot en fysiotherapeut W. van den Oever die betrekking hebben op eerdere (vóór het besluit van 22 januari 2007 gevoerde) Ziektewetprocedures een rol hebben gespeeld.

5.1. Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat er geen grond is voor twijfel aan de juistheid van de door het Uwv in aanmerking genomen medische beperkingen van appellant. De Raad onderschrijft de overwegingen van de rechtbank geheel, maakt deze tot de zijne en tekent daarbij nog het volgende aan.

5.2. Wat de waarde en kracht van de rapporten van Psychosofia betreft wijst de Raad op zijn eerdere, de gemachtigde van appellant bekende uitspraken, met name zijn uitspraak van 13 juli 2005, LJN AT9828. Wat de op de eerdere Ziektewetprocedures betrekking hebbende stukken betreft merkt de Raad op dat de daarin centraal staande beoordelingsdatum ver voor de thans in geding zijnde datum is gelegen, zodat die stukken niet, althans niet zonder meer, op de thans in geding zijnde datum kunnen worden betrokken.

5.3. In hoger beroep (zie punt 9 van het aanvullende hoger beroepschrift) heeft appellant onder meer aangevoerd: “Van belang is dat de huisarts op zijn kaart vermeldt op 30 januari 2007, dat er Diclofenac en Nortriptyline tegen depressie, vooral met vitale kenmerken wordt voorgeschreven.”. Dit is kennelijk geschied in navolging van de vermelding in het bij het aanvullende beroepschrift van 8 mei 2008 gevoegde rapport van Psychosofia van 1 april 2008. Daarin is met betrekking tot de medische kaart van de huisarts vermeld: “Ook wordt Nortrilen (Nortryptiline) voorgeschreven. Nortrilen, officiële indicatie; depressies vooral die met vitale kenmerken waarbij remming een belangrijke rol speelt, …..”.

Eerder heeft appellant geen melding gemaakt van psychische klachten en de rapporten van de (bezwaar)verzekeringsartsen noch de tot dan door appellant overlegde medische stukken geven er blijk van dat appellant zodanige klachten heeft (geuit). Op de medische kaart van de huisarts is vermeld dat aan appellant op 31 oktober 2006 nortrilen is voorgeschreven “om roken te stoppen”. Voorts is daarop vermeld dat op 18 december 2006, 30 januari 2007 en 19 maart 2007 wederom nortriptyline is voorgeschreven. Niet ten onrechte heeft het Uwv in het voorschrijven van nortrilen en nortryptiline geen aanleiding gezien om psychische beperkingen aan te nemen. Min of meer hetzelfde geldt voor de diclofenac als ontstekingsremmer.

5.4. Wat de arbeidskundige component van de schatting betreft overweegt de Raad dat hem niet is kunnen blijken dat de belasting in de aan de schatting ten grondslag gelegde functies appellants belastbaarheid overschrijdt.

6. Gelet op het hiervoor in 5.1 tot en met 5.4 overwogene faalt het hoger beroep. De aangevallen uitspraak dient dan ook te worden bevestigd.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en G.J.H. Doornewaard en J.P.M. Zeijen als leden, in tegenwoordigheid van R.L. Venneman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 mei 2010.

(get.) D.J. van der Vos.

(get.) R.L. Venneman.

GdJ