Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BM4374

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-05-2010
Datum publicatie
18-05-2010
Zaaknummer
09-186 WAO + 09-1753 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag WAO-uitkering gehandhaafd omdat er geen sprake is van toegenomen arbeidsongeschiktheid uit dezelfde ziekteoorzaak in de periode van vijf jaar na de intrekking van de uitkering. Onzorgvuldig onderzoek. Het besluit berust is door de rechtbank vernietigd. Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak is gelijkluidend besluit genomen, na nader medisch onderzoek. De Raad acht het onvoldoende aannemelijk dat er sprake is van toename van de beperkingen in de periode van vijf jaar na de beëindiging van de WAO-uitkering. Het feit dat er zo weinig medische informatie bekend is uit de periode van toekenning van de WAO-uitkering komt voor rekening en risico van appellante, die nu eenmaal zo laat de betreffende aanvraag heeft ingediend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/186 WAO + 09/1753 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 4 december 2008, 08/163 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 12 mei 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. W.A. Swildens, advocaat te Alkmaar, hoger beroep ingesteld.

Op 23 maart 2009 heeft het Uwv een nieuwe beslissing op bezwaar genomen en deze samen met het verweerschrift in geding gebracht.

Van de zijde van appellante is een rapport van reumatoloog dr. H.R. van den Brink van 23 maart 2009 ingediend. Het Uwv heeft hierop gereageerd.

Mr. M. Frederiks, advocaat te Alkmaar, heeft zich als opvolgend gemachtigde gesteld.

Op 1 april 2010 heeft appellante nadere medische stukken gefaxt.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 april 2010. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Frederiks. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C. Vork.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Voor een uitgebreid overzicht van de voor het geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak.

1.2. De Raad beperkt zich tot het volgende.

1.3. Bij besluit van 17 februari 1994 heeft het Uwv de uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) van appellante, die met ingang van 24 januari 1994 aan haar was toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, per 31 maart 1994 ingetrokken, omdat appellante per die datum minder dan 15% arbeidsongeschikt was.

1.4. Op 1 maart 2006 heeft appellante het Uwv gevraagd om op grond van artikel 43a van de WAO in aanmerking te komen voor een WAO-uitkering.

1.5. Bij besluit op bezwaar van 12 februari 2008 (hierna: bestreden besluit 1) heeft het Uwv de afwijzing van deze aanvraag gehandhaafd omdat er geen sprake is van toegenomen arbeidsongeschiktheid uit dezelfde ziekteoorzaak in de periode van vijf jaar na de intrekking van de uitkering.

2.1. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, het Uwv opdracht gegeven een nieuw besluit op bezwaar te nemen en beslissingen gegeven over griffierecht en proceskosten.

2.2. De rechtbank heeft daarbij, verwijzend naar vaste jurisprudentie van de Raad, overwogen dat het bepaalde in artikel 43a van de WAO met zich brengt dat de vraag of er sprake is van toegenomen beperkingen eerst beantwoord moet worden voordat de beoordeling of deze toename door dezelfde ziekteoorzaak veroorzaakt wordt aan bod komt.

2.3. De rechtbank heeft geconstateerd dat niet in geschil is dat appellante een drietal ziekteoorzaken van de toegenomen klachten claimt, te weten iridocyclitis, bewegingsbeperkingen als gevolg van de ziekte van Bechterew en hartklachten/hoge bloeddruk. Niet in geschil is eveneens dat bij deze beoordeling als uitgangspunt moet worden genomen de periode van 31 maart 1994 tot en met 31 maart 1999.

2.4. De Raad merkt nog op dat het oorspronkelijke dossier betreffende de toekenning van de WAO-uitkering in 1994, na het verstrijken van de wettelijke bewaartermijn van tien jaar, door het Uwv vernietigd is. De enige bekende medische stukken uit die tijd zijn door appellante aangeleverd.

De rechtbank heeft de reumatoloog G.H.C. Schardijn als deskundige benoemd. De rechtbank heeft het oordeel van deze deskundige echter niet gevolgd.

2.5. Ten aanzien van de oogklachten tengevolge van de iridocyclitis heeft de rechtbank overwogen dat uit de gedingstukken niet blijkt dat er in de periode september/oktober 1998, waarin appellante een aantal malen de oogarts bezocht heeft, sprake was van een toename van de beperkingen. De rechtbank heeft daarbij doorslaggevende betekenis toegekend aan de verklaring van de oogarts L.M. van Beek van 26 november 2007. Hij heeft hierin aangegeven dat bij het laatste bezoek van appellante aan de oogkliniek in 1998 er geen tekenen waren van iridocyclitis.

2.6. Wat betreft de rugklachten heeft de rechtbank overwogen dat in de gedingstukken de enige medische informatie over de toekenning van de WAO-uitkering in 1994 een door de toenmalige verzekeringsarts opgesteld belastbaarheidspatroon van 18 november 1993 is. Het Uwv heeft aangegeven dat uit de beperkingen die in dit stuk genoemd worden blijkt dat in 1993 bij appellante rugklachten zijn vastgesteld.

2.7. De rechtbank heeft geoordeeld dat het onduidelijk is gebleven of er sprake was van toegenomen beperkingen aan de rug/het bewegingsapparaat van appellante op of na 31 maart 1994. De rechtbank heeft daarbij de resultaten van de onderzoeken naar de rugfunctie door de verzekeringsartsen en reumatoloog Schardijn bij haar overwegingen betrokken en hierin onvoldoende aanknopingspunten gezien om tot de conclusie te komen dat appellante toegenomen beperkingen heeft aan de rug/het bewegingsapparaat en/of dat zij de ziekte van Bechterew heeft.

2.8. Met betrekking tot de hartklachten/hoge bloeddruk heeft de rechtbank overwogen dat de gedingstukken eveneens onvoldoende grondslag bieden om te concluderen dat ten tijde van de WAO-uitkering sprake was van beperkingen als gevolg hiervan of - als hier al sprake van zou zijn - dat die beperkingen zijn toegenomen. Ook op dit punt heeft de rechtbank Schardijn niet gevolgd.

2.9. Ten aanzien van procedure rond de behandeling van de aanvraag van appellante in 2006 heeft de rechtbank overwogen dat het primaire medische onderzoek verricht is door een niet geregistreerde verzekeringsarts en dat dit gebrek niet in de bezwaarfase hersteld is. Het bestreden besluit berust daarom volgens de rechtbank op onzorgvuldig onderzoek en dient wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) te worden vernietigd.

2.10. De rechtbank heeft het Uwv opdracht gegeven nieuw medisch onderzoek te doen en daarbij met name te bezien of er sprake is van toegenomen beperkingen met betrekking tot het bewegingsapparaat.

2.11. Wat betreft de claim van appellante dat aan de toename van haar rugklachten de in 1972 gediagnosticeerde ziekte Bechterew ten grondslag ligt als wel haar claims voor het verband tussen de hoge bloeddruk in 1991 en haar latere hartklachten was de rechtbank van oordeel dat het, gezien de late aanvraag van de WAO-uitkering, op haar weg ligt nadere medische informatie in te brengen. Hetzelfde geldt ook voor de kwestie van de iridocyclitis.

3.1. Appellante is van die uitspraak in hoger beroep gekomen.

3.2. Het Uwv heeft berust in de uitspraak van de rechtbank. Bezwaarverzekeringsarts A.M.M. Moons heeft appellante opgeroepen voor eigen onderzoek op 5 maart 2009. Haar bevinding bij het lichamelijk onderzoek van appellante was dat er weliswaar sprake was van een verminderde beweeglijkheid van de wervelkolom, maar niet zodanig dat die de door appellante als invaliderend ervaren beperkingen zou kunnen verklaren. De conclusie van de bezwaarverzekeringsarts, neergelegd in haar rapport van 5 maart 2009, was dat het primaire medisch oordeel gehandhaafd kan blijven. Het onderzoek toonde niet aan dat er sprake is van toegenomen beperkingen.

3.3. Hierna heeft het Uwv de nieuwe beslissing op bezwaar van 23 maart 2009 genomen (hierna: bestreden besluit 2).

3.4. Bij schrijven van 17 april 2009 is van de zijde van appellante een rapport van 23 maart 2009 van reumatoloog dr. H.H. van den Brink ingebracht. De diagnose Bechterew wordt volgens de reumatoloog bevestigd door het door hem verrichte röntgenonderzoek naar het SI-gewricht. Omdat deze ziekte meestal ontstaat tussen het 15e en 20e levensjaar acht hij het aannemelijk dat deze aandoening bij appellante al speelde in 1972. Op de vraag welke beperkingen appellante had op 31 maart 1994 antwoordde de reumatoloog dat over het algemeen deze ziekte uitblust tussen het 40e en 45e levensjaar. De beperkingen die dan zijn ontstaan, blijven voor de rest van het leven aanwezig. De vraag of de beperkingen binnen een termijn van vijf jaar na de beëindiging van de WAO-uitkering per 31 maart 1994 zijn toegenomen, kon de reumatoloog niet beantwoorden omdat er uit die tijd geen objectieve criteria of metingen in het dossier vermeld staan. De reumatoloog voegde er nog aan toe dat verschijnselen van hoge bloeddruk niets met deze ziekte te maken hebben.

4.1. De Raad overweegt als volgt.

4.2. Bij het bestreden besluit 2 is door het Uwv uitvoering gegeven aan de aangevallen uitspraak. De Raad stelt vast dat het Uwv met het bestreden besluit 2 niet (volledig) aan het hoger beroep van appellante tegemoet is gekomen. De Raad zal daarom het hoger beroep met toepassing van de artikelen 6:18 en 6:19 van de Awb in verbinding met artikel 6:24 van die wet mede gericht achten tegen bestreden besluit 2.

4.3. De van de zijde van appellante één dag voor de zitting ingediende nadere stukken zal de Raad gelet op het bepaalde in artikel 8:58 van de Awb, buiten beschouwing laten.

4.4. De Raad zal eerst beoordelen of sprake is van toename van de beperkingen.

4.5. Met betrekking tot de oogklachten ten gevolge van de iridocyclitis kent de Raad met de rechtbank doorslaggevende betekenis toe aan de verklaring van oogarts Van Beek (zie hiervoor overweging 2.5).

4.6. Ten aanzien van de bewegingsbeperkingen en de diagnose Bechterew stelt de Raad voorop dat een diagnose op zichzelf niets zegt over beperkingen. Volgens reumatoloog Van den Brink blust de ziekte na het 45e levensjaar uit. Appellante heeft deze leeftijd in 1990 bereikt. Dit op zich maakt het niet aannemelijk dat de beperkingen als gevolg van de ziekte in belangwekkende mate na de beëindiging van de WAO-uitkering per 31 maart 1994 toegenomen zijn. Bezwaarverzekeringsarts Moons heeft beargumenteerd, en de Raad kan zich hierin vinden, dat appellante na 1965 tot begin jaren 90 langdurig werkzaamheden verricht heeft en dat uit haar eigen onderzoek in 2009 naar voren is gekomen dat op dat moment er geen sprake is geweest van ernstige houdingsafwijkingen of bewegingsbeperkingen die het aannemelijk maken dat er binnen vijf jaar na de beëindiging van de WAO-uitkering per 31 maart 1994 hier een verslechtering in opgetreden is. Dit eveneens bezien in het licht van de aangenomen rugbeperkingen in het belastbaarheidpatroon uit 1993.

4.7. Betreffende de hoge bloeddruk-problemen van appellante in 1991, waarvoor zij de succesvolle behandeling met medicatie na enkele jaren stopte, is de Raad van oordeel dat er geen aanknopingspunten zijn voor het oordeel dat er enig oorzakelijk verband hiertussen en de bijna tien jaar later ontstane hartklachten bestaat.

4.8. Uit het voorgaande vloeit voort dat de Raad het onvoldoende aannemelijk acht dat er sprake is van toename van de beperkingen in de periode van vijf jaar na de beëindiging van de WAO-uitkering per 31 maart 1994. Het feit dat er zo weinig medische informatie bekend is uit de periode van toekenning van de WAO-uitkering komt voor rekening en risico van appellante, die nu eenmaal zo laat de betreffende aanvraag heeft ingediend.

4.9. Gezien het oordeel bij overweging 4.8 komt de Raad aan de beantwoording van verdere rechtsvragen niet toe.

4.10. Het hoger beroep slaagt niet evenmin als het beroep tegen het bestreden besluit 2.

4.11. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit 2 ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en G.J.H. Doornewaard en J.P.M. Zeijen als leden, in tegenwoordigheid van R.L. Venneman als griffier.

De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 mei 2010.

(get.) D.J. van der Vos.

(get.) R.L. Venneman.

EK