Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BM4343

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-03-2010
Datum publicatie
18-05-2010
Zaaknummer
08-4400 WAO + 09-93 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ongewijzigde voortzetting WAO-uitkering. Zorgvuldig medisch onderzoek. De Raad onderschrijft de argumenten van de bezwaarverzekeringsarts. Het Uwv kan niet worden verweten geen informatie bij de behandelend sector te hebben opgevraagd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/4400 WAO + 09/93 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op de hoger beroepen van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraken van de rechtbank ’s-Gravenhage van 7 juli 2008, 07/9435 (hierna: aangevallen uitspraak I) en

24 november 2008, 08/3236 (hierna: aangevallen uitspraak II),

in de gedingen tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 19 maart 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M.M. Bonsen-Lemmers, advocaat te ’s-Gravenhage, in beide gedingen hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 februari 2010. Appellante is, met voorafgaand bericht, niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door M. de Bluts.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Voor een uitvoeriger weergave van de voor dit geding relevante feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraken. De Raad volstaat met het volgende.

2.1. Bij de aangevallen uitspraak I heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het besluit van 6 november 2007 (bestreden besluit I) ongegrond verklaard. Bij dat besluit heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 27 juni 2006, waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante per 28 augustus 2006 is herzien naar

25 tot 35%, ongegrond verklaard.

2.2. Toetsend aan het Schattingsbesluit (aSb) zoals dit vanaf 1 oktober 2004 geldt, is de rechtbank tot het oordeel gekomen dat een zorgvuldig medisch onderzoek heeft plaatsgevonden, waarbij de psychische klachten en beperkingen van appellante voldoende in beeld zijn gebracht. De rechtbank heeft in zijn oordeel betrokken dat de bezwaarverzekeringsarts appellante op zijn spreekuur heeft gezien en dat hij informatie heeft ingewonnen bij de huisarts, op grond waarvan hij het oordeel van de primaire verzekeringsarts heeft heroverwogen. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien het oordeel van de verzekeringsartsen, dat het niet nodig was om op grond van energetische aspecten een (preventieve) urenbeperking aan te nemen, onjuist te achten. Ook heeft de rechtbank geen aanleiding gezien om te twijfelen aan de toereikendheid van de door de bezwaarverzekeringsarts aangenomen beperking op het item vervoer. De rechtbank heeft daarnaast vastgesteld dat de belasting van de geduide functies past binnen de opgestelde, door de bezwaarverzekeringsarts aangepaste Functionele Mogelijkheden Lijst en dat in de rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige van 30 oktober 2007 afdoende is gemotiveerd waarom de zogenoemde signaleringen geen overschrijdingen opleveren van de belastbaarheid van appellante op de datum in geding.

2.3. Bij de aangevallen uitspraak II heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het besluit van 16 april 2008 (bestreden besluit II) ongegrond verklaard. Bij dat besluit heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 6 november 2007, waarbij de uitkering per 22 februari 2007 ongewijzigd is voortgezet naar de mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%, ongegrond verklaard.

2.4. Toetsend aan het Schattingsbesluit (oSb) zoals dit vóór 1 oktober 2004 gold, is de rechtbank tot het oordeel gekomen dat haar van een wijziging in de medische situatie van appellante in de periode van 28 augustus 2006 tot 22 februari 2007 niet is gebleken. De rechtbank heeft dan ook geen aanleiding gezien om tot een ander oordeel te komen dan zij heeft gedaan in de aangevallen uitspraak I. Met betrekking tot de aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde functies is de rechtbank tot het oordeel gekomen dat in de arbeidskundige rapportages genoegzaam inzichtelijk is gemaakt waarom deze functies voor appellante passend zijn. In dat kader heeft de rechtbank nogmaals overwogen dat het woonwerk vervoer, gelet op de reeds gestelde indicatie voor een werkvervoersvoorziening, geen belemmering hoeft te zijn voor deelname aan het arbeidsproces. Daarnaast heeft de rechtbank overwogen dat, gelet op de werkervaring en het opleidingsniveau van appellante, niet staande kan worden gehouden dat de functies boven haar niveau wat betreft probleemoplossend vermogen uitgaan.

3. In hoger beroep heeft appellante haar eerder ingenomen standpunten herhaald dat de medische oordelen niet met de vereiste zorgvuldigheid tot stand zijn gekomen, dat ten onrechte is nagelaten om op grond van energetische aspecten een urenbeperking aan te nemen en dat onvoldoende is onderbouwd waarom nu tot een ander oordeel wordt gekomen dan bij eerdere arbeidsongeschiktheidsbeoordelingen. Daarnaast verzet appellante zich tegen het feit dat geen informatie is opgevraagd bij de behandelend sector.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1. De Raad onderschrijft de overwegingen van de aangevallen uitspraken en maakt deze tot de zijne. Voor zover appellante meent dat onvoldoende is onderbouwd waarom de verzekeringsarts nu tot een ander oordeel is gekomen dan bij eerdere medische beoordelingen, voegt de Raad daar nog het volgende aan toe. De bezwaarverzekeringsarts heeft in zijn rapportage van 24 april 2009 gemotiveerd dat een verzekeringsarts zich niet gebonden hoeft te voelen aan eerdere oordelen van collega’s, ook als betrokkene in subjectieve zin geen verbetering heeft ervaren en dat een verzekeringsarts de vrijheid heeft om op grond van eigen en actueel onderzoek en naar eigen inzicht iemands mogelijkheden en beperkingen vast te stellen. Dat appellante in subjectieve zin geen verbeteringen heeft ervaren, laat naar het oordeel van de bezwaarverzekeringsarts onverlet dat in medisch objectiveerbare zin wel verbeteringen tot stand zijn gekomen. De Raad onderschrijft deze argumenten van de bezwaarverzekeringsarts. Dat de medische beoordeling per 22 februari 2007 afwijkt van de eerdere beoordeling per 28 augustus 2006, is de Raad bovendien niet gebleken.

4.2. De door appellante in hoger beroep overgelegde informatie van de behandelend sector ziet, zoals ook de bezwaarverzekeringsarts in zijn rapport van 27 januari 2010 heeft aangegeven, niet op de datum in geding en kan de Raad dan ook niet tot een ander oordeel leiden. Nu niet is gebleken dat appellante op de data hier in geding nog onder behandeling was, kan het Uwv bovendien niet worden verweten geen informatie bij de behandelend sector te hebben opgevraagd.

5. Uit het vorenstaande vloeit voort dat de hoger beroepen niet slagen en dat de aangevallen uitspraken moeten worden bevestigd.

6. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraken.

Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en J.W. Schuttel en J.P.M. Zeijen als leden, in tegenwoordigheid van D.E.P.M. Bary als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 maart 2010.

(get.) D.J. van der Vos.

(get.) D.E.P.M. Bary.

JL