Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BM4336

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-05-2010
Datum publicatie
17-05-2010
Zaaknummer
08-1662 WIA + 09-930 ZW + 09-1683 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WIA-uitkering: minder dan 35% arbeidsongeschikt. In de FML is voldoende rekening gehouden met de beperkingen. De informatie van de behandelend sector is bij de beoordeling betrokken. Onvoldoende is gebleken dat de gestelde oogklachten en de trillende handen als gevolg van medicatie aan het verrichten van de functie van productiemedewerker industrie in de weg zou staan. Ziekmelding vanuit WW-uitkering: met hartklachten, linker armklachten en pijnklachten aan de voeten vanwege jicht. Niet meer ongeschikt voor zijn abeid. Appellant is in staat ten minste één van de functies, zoals geconcretiseerd bij de beoordeling van de aanspraak op uitkering ingevolge de Wet WIA, te verrichten. Nieuwe ziekmelding met toename gewrichtsklachten. Informatie van behandelend sector. Niet meer ongeschikt voor zijn arbeid: geen verschijnselen meer van jicht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/1662 WIA, 09/930 ZW en 09/1683 ZW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraken van de rechtbank ’s-Gravenhage van 28 februari 2008, 07/1403 (hierna: aangevallen uitspraak 1), van 6 januari 2009, 08/3950 (hierna: aangevallen uitspraak 2) en van 20 februari 2009, 08/7423 (hierna: aangevallen uitspraak 3),

in de gedingen tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 12 mei 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.P. de Witte, advocaat in ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft in de gedingen een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 maart 2010. Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A.G.W. Determan.

II. OVERWEGINGEN

08/1662 WIA

1. Appellant heeft zich per 7 juni 2004 ziekgemeld voor zijn werkzaamheden als schoonmaker van treinen gedurende 36 uur per week in verband met rug- en gewrichtsklachten alsmede klachten van duizeligheid. Bij een medisch onderzoek op 28 juni 2006 heeft verzekeringsarts J.W.A. Verheijde de beperkingen van appellant in een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) vastgelegd. Na raadpleging van het Claim- Beoordelings- en Borgingssysteem (CBBS) heeft arbeidsdeskundige M.P. Fekkes op 6 oktober 2006 een aantal functies geselecteerd, tot het verrichten waarvan appellant in staat is geacht. Op grond daarvan is het loonverlies bepaald op minder dan 35%. Bij besluit van 17 oktober 2006 is appellant meegedeeld dat per 21 juni 2006 geen recht op een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) is ontstaan. Op 24 oktober 2006 heeft verzekeringsarts Verheijde gerapporteerd na ontvangst van een brief van huisarts W.H. Bharos van 5 augustus 2006, met als bijlage een brief van de reumatoloog van 6 maart 2006 en een brief van de cardioloog van 7 april 2006. De verzekeringsarts heeft in de ontvangen informatie geen aanleiding gezien het ingenomen standpunt te wijzigen.

2. In bezwaar heeft bezwaarverzekeringsarts M. Keus aanvullend informatie opgevraagd bij de huisarts en reumatoloog. Op 6 januari 2007 heeft huisarts Bharos een brief van cardioloog dr. H. Ramanna van 12 september 2006 en van uroloog dr. R.F. Kropman van 30 november 2006 ingezonden. Voorts heeft reumatoloog dr. H.K. Ronday op de brief gereageerd. Deze informatie overziende heeft bezwaarverzekeringsarts Keus de door de primaire verzekeringsarts vastgestelde beperkingen onderschreven. Na beoordeling door bezwaararbeidsdeskundige A.G. Diergaarde op 15 februari 2007 is het bezwaar bij besluit van 19 februari 2007 (hierna: bestreden besluit 1) ongegrond verklaard.

3. In de in beroep overgelegde rapportage heeft de bezwaararbeidsdeskundige vastgesteld dat op één na geen van de geselecteerde functies aan appellant konden worden voorgehouden vanwege onder meer een te hoog opleidingsniveau dat voor die functies vereist was. Een nieuwe raadpleging van het CBBS heeft ertoe geleid dat de schatting per 21 juni 2006 gebaseerd is op de functie van productiemedewerker industrie met sbc-code 111180, de functie van inpakker met sbc-code 111190 en de functie van magazijn, expeditiemedewerker met sbc-code 111220. De bij die functies voorkomende signaleringen heeft bezwaararbeidsdeskundige Diergaarde toegelicht. De mate van arbeidsongeschiktheid is ongewijzigd gebleven.

4. Bij aangevallen uitspraak 1 is het beroep ongegrond verklaard.

5. Appellant stelt zich in hoger beroep op het standpunt dat hij meer beperkt is dan aangenomen. Appellant zou om medische redenen niet in staat zijn de geselecteerde functies te verrichten. De functie van productiemedewerker industrie zou vanwege het vereiste dat er goed kan worden gezien niet geschikt zijn, aangezien appellant minder goed kleuren kan zien. Voorts is aangevoerd dat appellant door medicatie last heeft van trillende handen, waardoor het verrichten van priegelwerk bemoeilijkt wordt. Het Uwv heeft in dit verband een reactie van bezwaararbeidsdeskundige H. de Rooy van 27 mei 2008 ingezonden.

6. De Raad overweegt als volgt.

6.1. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat in de FML van 28 juni 2006 voldoende rekening is gehouden met de bij appellant bestaande beperkingen. De (bezwaar)verzekeringsartsen hebben naast dossierstudie informatie van de behandelend sector bij de beoordeling betrokken. Bezwaarverzekeringsarts Keus heeft op 7 februari 2007, 29 maart 2007 en op 23 juli 2007 op de ingebrachte informatie gereageerd. De Raad acht de daarin gegeven motivering op grond waarvan in de overgelegde informatie geen aanleiding wordt gezien het door hem ingenomen standpunt te wijzigen overtuigend en heeft in die informatie geen aanknopingspunten gevonden het oordeel van het Uwv niet te volgen.

6.2. Ten aanzien van de stelling van appellant dat hij vanwege oogklachten niet in staat zou zijn de functie van productiemedewerker industrie te verrichten omdat hij problemen ondervindt met het zien van kleine componenten en kleuren, onderschrijft de Raad de conclusie van bezwaarverzekeringsarts Keus dat onvoldoende is gebleken dat de gestelde klachten aan het verrichten van de functie in de weg zou staan. Dat geldt eveneens voor hetgeen is aangevoerd omtrent de trillende handen als gevolg van medicatie. Voorts is de Raad van oordeel dat de bezwaararbeidsdeskundigen Diergaarde en De Rooy op 5 februari 2008 respectievelijk 27 mei 2008 afdoende inzichtelijk hebben toegelicht waarom appellant ondanks de signaleringen op de items reiken en gebogen werken in staat wordt geacht de hem voorgehouden functies te verrichten.

6.3. Uit hetgeen onder punt 6.1 en 6.2 is overwogen vloeit voort dat aangevallen uitspraak 1 voor bevestiging in aanmerking komt.

09/930 ZW

7. Op 20 mei 2007 heeft appellant zich vanuit een situatie dat hij WW-uitkering ontving ziekgemeld met hartklachten, linker armklachten en pijnklachten aan de voeten vanwege jicht. Nadat kennis is genomen van informatie van huisarts Bharos van 31 juli 2007 en van een brief van de cardioloog van 21 mei 2007 heeft de primaire arts N. Wildenborg appellant per 18 april 2008 hersteld verklaard.

8. Bij besluit van 14 april 2008 heeft het Uwv appellant meegedeeld dat hij vanaf 18 april 2008 niet (meer) wegens ziekte of gebreken ongeschikt wordt geacht tot het verrichten van zijn arbeid en daarom met ingang van 18 april 2008 geen recht (meer) heeft op ziekengeld ingevolge de Ziektewet (ZW).

9. In bezwaar heeft bezwaarverzekeringsarts R.A. Admiraal het oordeel van de primaire arts bevestigd. Bij besluit van 22 mei 2008 (hierna: bestreden besluit 2) is het bezwaar ongegrond verklaard.

10. In beroep is aangevoerd dat appellant in 2007 twee maal in een ziekenhuis opgenomen is geweest en dat de klachten in 2008 niet zijn afgenomen. Bezwaarverzekeringsarts Admiraal heeft op 3 oktober 2008 aangegeven dat appellant per 18 april 2008 in staat kan worden geacht een van de op 5 februari 2008 aan de WIA-beoordeling ten grondslag gelegde functies te verrichten.

11. Bij aangevallen uitspraak 2 heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard, aangezien in bestreden besluit 2 een onjuiste maatstaf arbeid is gehanteerd door uit te gaan van de oorspronkelijk aan de WIA-beoordeling ten grondslag gelegde functies. De rechtbank heeft onder toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) de rechtsgevolgen van bestreden besluit 2 in stand gelaten. De rechtbank heeft in de beschikbare informatie geen aanleiding gezien aan de juistheid van de hersteldverklaring in het kader van de ZW per 18 april 2008 te twijfelen.

12. In hoger beroep is het standpunt herhaald dat appellant om medische redenen niet in staat is de maatstaf arbeid te verrichten.

13. De Raad overweegt als volgt.

13.1. Ingevolge artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid, als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld.

13.2. Naar de Raad bij herhaling heeft overwogen dient onder ‘zijn arbeid’ in voormelde zin te worden verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding feitelijk verrichte arbeid. Deze regel lijdt in zoverre uitzondering dat, wanneer de verzekerde na gedurende de maximumtermijn ziekengeld te hebben ontvangen, blijvend ongeschikt is voor zijn oude werk maar geschikt is bevonden voor gangbare arbeid, zoals geconcretiseerd bij de beoordeling van de aanspraak op uitkering ingevolge de Wet WIA, als maatstaf voor ‘zijn arbeid’ elk van deze functies afzonderlijk heeft te gelden.

13.3. Dit betekent dat aan de Raad ter beoordeling voorligt, of appellant per 18 april 2008 in staat kan worden geacht ten minste één van de functies, genoemd in het rapport van bezwaararbeidsdeskundige Diergaarde van 5 februari 2008 te verrichten, welke vraag de Raad bevestigend beantwoordt.

13.4. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank, dat het medisch onderzoek voldoende zorgvuldig is geweest en heeft in de beschikbare gegevens geen aanwijzingen gevonden op grond waarvan geoordeeld moet worden dat de beperkingen van appellant per de datum in geding door het Uwv zijn onderschat. Dit leidt tot de conclusie dat aangevallen uitspraak 2 voor bevestiging in aanmerking komt voor zover aangevochten.

09/1683 ZW

14. Op 14 juli 2008 heeft appellant zich wederom vanuit een situatie dat hij WW-uitkering ontving ziekgemeld met toegenomen gewrichtsklachten. De primaire arts N. Wildenborg heeft kennis genomen van een afsprakenkaart, een overzicht van medicatie en een brief van huisarts Bharos van 7 juli 2008. Na onderzoek op 9 september 2008 is appellant per 10 september 2008 hersteld verklaard.

15. Bij besluit van 9 september 2008 heeft het Uwv appellant meegedeeld dat hij vanaf 10 september 2008 niet (meer) wegens ziekte of gebreken ongeschikt wordt geacht tot het verrichten van zijn arbeid en daarom met ingang van 10 september 2008 geen recht (meer) heeft op ziekengeld ingevolge de ZW.

16. In bezwaar heeft bezwaarverzekeringsarts Admiraal het oordeel van de primaire arts bevestigd. Bij besluit van 8 oktober 2008 (hierna: bestreden besluit 3) is het bezwaar ongegrond verklaard.

17. Bij aangevallen uitspraak 3 is het beroep ongegrond verklaard.

18. De Raad oordeelt als volgt.

18.1. Met inachtneming van hetgeen onder punt 13.1 en 13.2 is overwogen ziet de Raad zich gesteld voor de vraag of appellant op goede gronden per 10 september 2008 in staat is geacht ten minste een van de door bezwaararbeidsdeskundige Diergaarde op 5 februari 2008 geselecteerde functies te verrichten. De Raad beantwoordt deze vraag bevestigend en overweegt daartoe als volgt.

18.2. Appellant heeft zich op het standpunt gesteld dat de klachten van jicht, die aanleiding vormden voor de ziekmelding op 14 juli 2008, per de datum in geding onverminderd aanwezig waren. De Raad stelt vast dat de primaire arts bij lichamelijk onderzoek op 9 september 2008 geen verschijnselen van jicht meer heeft aangetroffen. Ook de bezwaarverzekeringsarts heeft bij lichamelijk onderzoek op 9 oktober 2008 aan de voeten geen roodheid of zwellingen die verband zouden kunnen houden met jicht (meer) waargenomen. De Raad ziet geen aanleiding om de conclusie van de (bezwaar)verzekeringsarts, dat de jichtverschijnselen per datum in geding verdwenen waren niet te volgen. Evenmin heeft appellant gegevens in geding gebracht die aan de juistheid van dat oordeel doen twijfelen. Dit betekent dat ook aangevallen uitspraak 3 voor bevestiging in aanmerking komt.

19. Zoals onder overweging 6.3 en 18.2 is vermeld komen de aangevallen uitspraken 1 en 3 voor bevestiging in aanmerking en leidt overweging 13.4 tot de slotsom dat aangevallen uitspraak 2 eveneens voor bevestiging in aanmerking komt voor zover aangevochten.

20. De Raad acht in geen van de zaken termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraken 1 en 3;

Bevestigt aangevallen uitspraak 2 voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en T. Hoogenboom en C.P.J. Goorden als leden, in tegenwoordigheid van I. Mos als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 mei 2010.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) I. Mos.

KR