Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BM4269

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-05-2010
Datum publicatie
18-05-2010
Zaaknummer
08-4430 WWB + 09-6183 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstand. Schending inlichtingenverplichting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/4430 WWB

09/6183 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 16 juni 2008, 08/54 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Haarlem (hierna: College)

Datum uitspraak: 4 mei 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. V.J.M. Janszen, advocaat te Haarlem, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 maart 2010.

Voor appellant is verschenen mr. Janszen. Het College heeft zich niet laten vertegenwoordigen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant ontving sinds 3 februari 2004 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande.

1.2. Naar aanleiding van een rechtmatigheidsonderzoek heeft het College onderzoek gedaan naar de omvang van de werkzaamheden van appellant bij [naam shoarmazaak]. In dat verband is aan appellant verzocht opgave te doen van zijn werkzaamheden en de inkomsten daaruit. Op de inkomstenverklaringen over de maanden juli 2006 tot en met september 2006 heeft hij aangegeven geen werkzaamheden te hebben verricht. Volgens het College kwam deze opgave niet overeen met de van die zijde gedane waarnemingen bij [shoarmazaak] van 28 augustus 2006 tot en met 10 september 2006, in die zin dat appellant daar regelmatig is aangetroffen. Vervolgens heeft het College aan appellant verzocht alsnog opgave te doen van zijn werkzaamheden. Volgens de opgave van appellant van 31 oktober 2006 heeft hij in de maanden augustus en september 2006 ongeveer 20 uur gewerkt waarvoor hij geen loon heeft ontvangen. In een brief van 6 november 2006 heeft appellant vervolgens aangegeven van eind augustus 2006 tot eind september 2006 ongeveer 45 tot 75 uur in [shoarmazaak] te zijn geweest. Appellant is vervolgens gevraagd een opgave van zijn werkzaamheden over november en december 2006 te doen. Uit de resultaten van nieuwe waarnemingen vanaf 15 november 2006 tot en met 22 december 2006 heeft het College de conclusie getrokken dat ook de opgave over november 2006 niet in overeenstemming was met de werkelijkheid.

1.3. Op grond van de onderzoeksresultaten heeft het College bij besluit van 22 januari 2007 de bijstand van appellant vanaf 1 januari 2007 beëindigd (lees: ingetrokken), de bijstand over de periode van 1 november 2006 tot en met 31 december 2006 ingetrokken en de over die periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 2.151,14 van appellant teruggevorderd.

1.4. Bij besluit van 8 november 2007 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 22 januari 2007 ongegrond verklaard, met dien verstande dat de bijstand wordt herzien over de maand oktober 2006, wordt ingetrokken vanaf 1 november 2006 en wordt beëindigd per 22 januari 2007. Aan de beëindiging en de intrekking heeft het College ten grondslag gelegd dat door appellant onjuiste inlichtingen zijn verstrekt over de omvang van zijn werkzaamheden en de daarmee verkregen inkomsten, waardoor het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Aan de herziening is ten grondslag gelegd dat appellant inkomsten uit werkzaamheden heeft ontvangen die op de bijstand alsnog in mindering moeten worden gebracht.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, met bepalingen over griffierecht en proceskosten, het beroep tegen het besluit van 8 november 2007 gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en het College opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat de onderzoeksbevindingen onvoldoende grondslag bieden voor de conclusie dat het recht op bijstand buiten de periode van 19 november 2006 tot en met 1 december 2006 niet kan worden vastgesteld. Voor genoemde periode bieden de onderzoeksbevindingen wel voldoende grondslag voor de conclusie dat het recht op bijstand als gevolg van schending van de inlichtingenverplichting door appellant niet kan worden vastgesteld.

3. Bij besluit van 24 juni 2009 zoals dat nadien is aangevuld, en dat is genomen ter uitvoering van de aangevallen uitspraak, heeft het College, voor zover van belang, de intrekking en de terugvordering van de bijstand beperkt tot de periode van 19 november 2006 tot en met 1 december 2006 en de hoogte van de terug te vorderen bijstand bepaald op € 475,11. De Raad ziet aanleiding om het besluit van 24 juni 2009 op grond van de artikelen 6:18, 6:19 in samenhang met 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) mede in zijn beoordeling te betrekken.

4. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak en het nadere besluit gekeerd voor zover het betreft de intrekking en de terugvordering van de bijstand over de periode van 19 november 2006 tot en met 1 december 2006.

5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

5.1. De Raad heeft in dit geding de vraag te beantwoorden of de rechtbank bij de aangevallen uitspraak terecht heeft geoordeeld dat het College op grond van de gedane waarnemingen heeft mogen concluderen dat appellant in de periode in geding werkzaam was in het restaurant waar hij op dat moment aanwezig was.

5.2. De Raad volgt het oordeel van de rechtbank en het College dat uit de waarnemingen blijkt dat appellant in de periode in geding méér uren in het restaurant aanwezig is geweest dan hij aan het College heeft opgegeven. Naar vaste rechtspraak veronderstelt de aanwezigheid tijdens reguliere arbeidsuren op een bestaande werkplek dat de betreffende persoon bij geconstateerde aanwezigheid ook daadwerkelijk op geld waardeerbare arbeid verricht. Het tegendeel heeft appellant niet aannemelijk gemaakt. De enkele niet nader onderbouwde stelling van appellant dat hij stage liep, leidt de Raad niet tot een ander oordeel.

5.3. De Raad is voorts met de rechtbank van oordeel dat appellant in de periode hier van belang de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden. Als gevolg daarvan kan, nu appellant ook naderhand geen toereikende inlichtingen en gegevens heeft verstrekt, het recht op bijstand van appellant niet worden vastgesteld, zodat het College bevoegd is om tot intrekking en terugvordering over te gaan. De wijze waarop van deze bevoegdheden gebruik is gemaakt is door appellant niet bestreden.

5.4. Het hoger beroep slaagt dan ook niet, zodat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, voor bevestiging in aanmerking komt. Het beroep tegen het besluit van 24 juni 2009 zal ongegrond worden verklaard.

6. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 24 juni 2009 ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en J.M.A. van der Kolk-Severijns en N.M. van Waterschoot als leden, in tegenwoordigheid van M.C.T.M. Sonderegger als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 mei 2010.

(get.) A.B.J. van der Ham.

(get.) M.C.T.M. Sonderegger.

IJ