Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BM4263

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-04-2010
Datum publicatie
17-05-2010
Zaaknummer
08-6591 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag bijzondere bijstand. De Raad ziet in de feiten en omstandigheden geen grond voor het oordeel dat het voor appellant niet mogelijk was eerder informatie in te winnen en bijzondere bijstand aan te vragen voordat de kosten werden gemaakt. Niet is gebleken dat het College appellant onjuiste informatie heeft verstrekt of heeft toegezegd dat de gevraagde bijstand zou worden verleend. De door appellant gestelde schuld aan een vriend kan naar het oordeel van de Raad evenmin worden aangemerkt als een bijzondere omstandigheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/6591 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 7 oktober 2008, 07/4776 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: College)

Datum uitspraak: 20 april 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. N.D.Z.R. Mohamed Hoesein, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 maart 2010. Appellant is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. dr. G.P. Dayala, advocaat te Amsterdam. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. N.N. Tjen A Kwoei, werkzaam bij de gemeente Amsterdam.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant ontving ten tijde in geding een uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen. In 2005 is ingebroken in de woning van appellant - waarbij een groot deel van de inboedel is ontvreemd - en is de woning executoriaal verkocht. Appellant woonde toen in bij zijn moeder. Op 4 oktober 2006 heeft appellant de huurovereenkomst voor zijn nieuwe woning ondertekend en is daar een paar maanden later gaan wonen. Op 23 mei 2007 heeft hij bij het College bijzondere bijstand aangevraagd voor de kosten van aanschaf van meubels, huishoudelijke apparatuur en gordijnen. In verband met die aanvraag heeft op 22 augustus 2007 een huisbezoek plaatsgevonden. Bij besluit van 24 augustus 2007 heeft het College deze aanvraag afgewezen. Het door appellant tegen dit besluit gerichte bezwaar is door het College bij besluit van 30 oktober 2007 ongegrond verklaard. Daartoe is overwogen - voor zover thans van belang - dat de kosten waarvoor bijzondere bijstand wordt gevraagd zijn opgekomen voordat de aanvraag is ingediend en dat niet is gebleken van zodanig bijzondere omstandigheden dat een uitzondering moet worden gemaakt op de uit de Wet werk en bijstand (WWB) voortvloeiende hoofdregel dat in principe geen bijstand met terugwerkende kracht wordt verleend.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het besluit van 30 oktober 2007 ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Ingevolge artikel 35, eerste lid, van de Wet werk en bijstand (WWB) heeft, onverminderd paragraaf 2.2, de alleenstaande of het gezin recht op bijzondere bijstand voor zover de alleenstaande of het gezin niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van het college van burgemeester en wethouders niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de langdurigheidstoeslag, het vermogen, en het inkomen, voor zover dat meer is dan de bijstandsnorm.

4.2. Ten aanzien van de gordijnen stelt de Raad vast dat appellant deze blijkens de overgelegde facturen op 25 oktober 2006 en op 2 april 2007 heeft besteld en betaald. Ten tijde van de aanvraag was derhalve reeds in deze kosten voorzien zodat, gelet op artikel 35, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 11, eerste lid, van de WWB, voor verlening van bijzondere bijstand in beginsel geen plaats is. Van omstandigheden die een uitzondering op deze regel rechtvaardigen is de Raad niet gebleken.

4.3. Met betrekking tot de huishoudelijke apparatuur en meubels leidt de Raad uit de bij de aanvraag gevoegde orderbevestiging en bon af dat de huishoudelijke apparatuur op 7 maart 2007 is besteld voor het bij de aanvraag vermelde totaalbedrag van € 1.964,03 en de meubels op 11 augustus 2006 voor een bedrag van € 5.000,--. Deze kosten zijn derhalve gemaakt voordat de aanvraag om bijstand is ingediend.

4.4. Door appellant is gesteld dat er bijzondere omstandigheden zijn om niettemin, in afwijking van de hoofdregel dat geen bijstand met terugwerkende kracht wordt verstrekt, tot bijzondere bijstandsverlening in deze kosten over te gaan. In dat verband is aangevoerd dat hij door zijn invaliditeit in een zeer slechte financiële positie verkeerde, dat hij door de woninginbraak niets meer had, dat hij onbekend was met de procedure voor de aanvraag van bijzondere bijstand, dat hij door de gemeente op het verkeerde been is gezet, dat hij volgens door de gemeente verstrekte informatie recht had op bijzondere bijstand en dat hij vooruitlopend op de toekenning daarvan op 24 mei 2007 van een vriend € 11.000,-- heeft geleend om zijn woning in te richten. De Raad ziet in deze feiten en omstandigheden geen grond voor het oordeel dat het voor appellant niet mogelijk was eerder informatie in te winnen en bijzondere bijstand aan te vragen voordat de kosten werden gemaakt. De Raad wijst in dat verband alleen al op het tijdsverloop tussen het ondertekenen van de huurovereenkomst en het feitelijk betrekken van de betreffende woning door appellant. Voorts is niet gebleken dat het College appellant onjuiste informatie heeft verstrekt of heeft toegezegd dat de gevraagde bijstand zou worden verleend. De door appellant gestelde schuld aan een vriend van € 11.000,-- kan naar het oordeel van de Raad evenmin worden aangemerkt als een bijzondere omstandigheid, reeds omdat het bestaan van de schuld, noch een daaraan verbonden verplichting tot terugbetaling, aannemelijk is gemaakt. De zich in het dossier bevindende, door appellant en de beweerdelijk geldverstrekker opgemaakte overeenkomst van lening en de verklaring van appellant dat hij het geleende bedrag op 24 mei 2007 contant heeft ontvangen en op de bankrekening van zijn moeder heeft gestort, acht de Raad bij het ontbreken van andere verifieerbare gegevens daartoe ontoereikend.

4.5. Het voorgaande betekent dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de Raad geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs, in tegenwoordigheid van W. Altenaar als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 april 2010.

(get.) R.H.M. Roelofs.

(get.) W. Altenaar.

KR