Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BM4261

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-04-2010
Datum publicatie
17-05-2010
Zaaknummer
08-3415 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aanvraag buiten behandeling gelaten. Naar het oordeel van de Raad heeft appellante niet aannemelijk gemaakt dat zij een adreswijziging bij het College heeft doorgegeven. Het ligt in de eerste plaats op de weg van appellante ervoor zorg te dragen dat het College over het juiste correspondentieadres beschikt. Daarnaast dient appellante ervoor zorg te dragen dat haar post op adequate wijze wordt doorgezonden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/3415 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 6 mei 2008, 07/408 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Menterwolde (hierna: College)

Datum uitspraak: 27 april 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. S.T. Dieters, advocaat te Groningen, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Bij schrijven van 4 juni 2009 heeft mr. B. van Dijk, advocaat te Groningen, de Raad bericht dat hij de zaak van mr. Dieters heeft overgenomen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 maart 2010. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Van Dijk. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door H.P.H. van Dijk, werkzaam bij de gemeente Menterwolde.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante heeft op 31 mei 2006 een aanvraag om bijzondere bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) ingediend voor de kosten van rechtsbijstand. Bij brief van 16 augustus 2006 heeft het College appellante verzocht vóór 30 augustus 2006 ontbrekende gegevens te verstrekken. Daarbij is tevens aan appellante meegedeeld dat de aanvraag niet verder in behandeling wordt genomen indien de gevraagde gegevens niet of niet volledig worden verstrekt. Bij besluit van 31 augustus 2006 heeft het College de aanvraag met toepassing van artikel 4:5, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) buiten behandeling gelaten, op de grond dat appellante niet binnen de in de brief van 16 augustus 2006 gestelde termijn de voor de behandeling van de aanvraag ontbrekende gegevens heeft overgelegd.

1.2. Bij besluit van 13 maart 2007 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 31 augustus 2006 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 13 maart 2007 ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Tevens heeft zij verzocht om vergoeding van schade in de vorm van wettelijke rente.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Artikel 4:5, eerste lid, aanhef en onder c, van de Awb bepaalt dat het bestuursorgaan kan besluiten de aanvraag niet te behandelen, indien de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad binnen een door het bestuursorgaan gestelde termijn de aanvraag aan te vullen. Blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van deze bepaling gaat het bij een onvolledige of ongenoegzame aanvraag onder meer om het onvoldoende verstrekken van gegevens of bescheiden om een goede beoordeling van de aanvraag mogelijk te maken. Daarbij gaat het, gelet op artikel 4:2, tweede lid, van de Awb, om gegevens die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn en waarover de aanvrager redelijkerwijs de beschikking kan krijgen.

4.2. De Raad stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat het College bevoegd was om toepassing te geven aan artikel

4:5 van de Awb.

4.3. Namens appellante is betoogd dat het College niet in redelijkheid van zijn bevoegdheid tot buiten behandeling stellen van de aanvraag gebruik heeft kunnen maken. Hiertoe is aangevoerd dat het College tegen beter weten in de brief van 16 augustus 2006 heeft verzonden naar het adres [adres] te [plaatsnaam], aangezien het College bekend was met de verkoop van de woning van appellante. Daarnaast stelt appellante een adreswijziging te hebben doorgegeven aan een baliemedewerkster.

4.4. De Raad volgt appellante niet in haar betoog. Het College heeft de brief van 16 augustus 2006 verzonden naar het adres waarop appellante op dat moment in de gemeentelijke basisadministratie stond ingeschreven. Naar het oordeel van de Raad heeft appellante niet aannemelijk gemaakt dat zij een adreswijziging bij het College heeft doorgegeven. Het ligt in de eerste plaats op de weg van appellante ervoor zorg te dragen dat het College over het juiste correspondentieadres beschikt. Daarnaast dient appellante ervoor zorg te dragen dat haar post op adequate wijze wordt doorgezonden.

4.5. Aan de eerst ter zitting naar voren gebrachte grief dat het College de brief van 16 augustus 2006 niet aangetekend heeft verzonden en geen bewijs van verzending van deze brief heeft geleverd gaat de Raad voorbij nu dit tardief is ingebracht.

4.6. Gelet op hetgeen onder 4.2 tot en met 4.5 is overwogen is de Raad van oordeel dat het College in redelijkheid van zijn bevoegdheid tot buiten behandeling stellen van de aanvraag gebruik heeft kunnen maken.

4.7. Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt en het verzoek om veroordeling tot schadevergoeding dient te worden afgewezen.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Wijst het verzoek om veroordeling tot schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en A.B.J. van der Ham en N.M. van Waterschoot als leden, in tegenwoordigheid van J.M. Tason Avila als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 april 2010.

(get.) N.J. van Vulpen-Grootjans.

(get.) J.M. Tason Avila.

IJ