Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BM4255

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-05-2010
Datum publicatie
18-05-2010
Zaaknummer
08-2749 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking bijstandsuitkering. Terugvordering. Door onjuiste informatie over zijn feitelijke woonadres te verstrekken heeft appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting geschonden. Ten gevolge daarvan kan niet worden vastgesteld of appellant in die periode verkeerde in bijstandbehoevende omstandigheden. Vanwege een administratieve fout heeft de rechtbank uitspraak gedaan, zonder dat appellant in de gelegenheid is gesteld zijn beroepsgronden op een zitting nader toe te lichten. Appellant heeft hiervoor geen toestemming als bedoeld in artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gegeven. De Raad ziet hierin aanleiding om de aangevallen uitspraak te vernietigen. Geen terugwijzing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/2749 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 28 maart 2008, 07/3530 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente ’s-Gravenhage (hierna: College)

Datum uitspraak: 4 mei 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. C.R.D. Kommer, advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 23 maart 2010, waar partijen niet zijn verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant ontving van 7 augustus 2004 tot en met 31 oktober 2005 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande.

1.2. Naar aanleiding van het project “de Inhaalslag” hebben medewerkers van de afdeling Bijzonder Onderzoek van de dienst Sociale Zaken en Werkgelegdheidsprojecten van de gemeente ’s-Gravenhage nader onderzoek gedaan naar de rechtmatigheid van de aan appellant toegekende bijstand. Uit het onderzoek is naar voren gekomen dat de watervoorziening op het door appellant opgegeven adres [adres 1] te [woonplaats] (hierna: het opgegeven adres) sedert 13 juli 2005 was afgesloten. In de op 30 november 2005 opgestelde rapportage van het op 25 oktober 2005 afgelegde huisbezoek op het opgegeven adres is vermeld dat appellant tijdens het huisbezoek geen volledige garderobe en geen recente poststukken kon tonen en in de koelkast etenswaren werden aangetroffen die niet meer voor consumptie geschikt waren. Desgevraagd zou appellant tijdens het huisbezoek hebben verklaard dat er water in de woning was, hetgeen hij heeft willen aantonen door de kraan in de keuken open te draaien. In de keuken bleken de knoppen van de kraan te ontbreken. Ook is vastgesteld dat het toilet vanwege de afsluiting van het water niet kon worden doorgetrokken. Appellant heeft vervolgens verklaard dat het water sinds kort was afgesloten en dat hij eergisteren tot drie dagen geleden nog in de woning had gedoucht. Op 28 oktober 2005 heeft appellant op een registratieformulier aangegeven dat hij per 28 oktober 2005 is verhuisd naar het adres [adres 2] te [woonplaats].

1.3. De onderzoeksresultaten zijn voor het College aanleiding geweest om bij besluit van 5 januari 2007 de bijstand van appellant over de periode van 13 juli 2005 tot en met 31 oktober 2005 (hierna: periode in geding) in te trekken en de over die periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 3.352,13 van appellant terug te vorderen.

1.4. Bij besluit van 10 april 2007 heeft het College het bezwaar van appellant tegen het besluit van 5 januari 2007 ongegrond verklaard. Het College heeft daartoe overwogen dat appellant gedurende de periode in geding niet woonachtig is geweest op het door hem opgegeven adres en ter zake daarvan de inlichtingenverplichting heeft geschonden, zodat het recht op bijstand over de betreffende periode niet is vast te stellen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 10 april 2007 ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De vraag waar iemand zijn woonadres heeft dient naar vaste rechtspraak te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. De belanghebbende is verplicht juiste en volledige informatie over zijn woonadres te verstrekken, aangezien dat gegeven voor de beoordeling van (de voortzetting van) het recht op bijstand een essentieel gegeven vormt. Indien de belanghebbende niet aan de inlichtingenverplichting voldoet, is dat een grond voor intrekking van de bijstand indien als gevolg van het niet nakomen van die verplichting niet kan worden vastgesteld of, en zo ja in welke mate, belanghebbende recht op bijstand heeft.

4.2. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat de onderzoeksbevindingen een toereikende grondslag bieden voor het standpunt van het College dat appellant in de periode in geding niet zijn feitelijke woonadres had op het door hem opgegeven adres [adres 1] te [woonplaats]. Uit de gedingstukken blijkt dat de watervoorziening in die woning met ingang van 13 juli 2005 en gedurende de gehele periode in geding was afgesloten, welk feit door appellant niet is betwist. De Raad acht het reeds daarom uitgesloten dat appellant gedurende de periode in geding in de woning op het door hem opgegeven adres zijn hoofdverblijf heeft gehad. Dat appellant niet zijn feitelijke hoofdverblijf heeft gehad op het door hem opgegeven adres vindt bovendien steun in de bevindingen van het op 25 oktober 2005 afgelegde huisbezoek.

4.3. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij de op hem rustende inlichtingenverplichting niet heeft geschonden. Hoewel hij op 15 juli 2005 op een heronderzoeksformulier uitkeringen heeft aangegeven dat hij eind augustus gaat verhuizen naar de woning van zijn nichtje, kan uit de gedingstukken niet worden opgemaakt dat hij het College tijdig op de hoogte heeft gesteld van het feit dat hij daadwerkelijk zal verhuizen of is verhuisd. Pas op 28 oktober 2005, na het op 25 oktober 2005 afgelegde huisbezoek, heeft appellant het College meegedeeld dat hij per die datum is verhuisd naar een ander adres.

4.4. Door onjuiste informatie over zijn feitelijke woonadres te verstrekken heeft appellant de op hem ingevolge artikel 17, eerste lid, van de WWB rustende inlichtingenverplichting geschonden. Ten gevolge daarvan kan niet worden vastgesteld of appellant in die periode verkeerde in bijstandbehoevende omstandigheden als bedoeld in artikel 11, eerste lid, van de WWB.

4.5. Het College was derhalve bevoegd om met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB de bijstand in te trekken over de periode van 13 juli 2005 tot en met 31 oktober 2005. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat het College bij afweging van de hierbij rechtstreeks betrokken belangen in redelijkheid geen gebruik heeft kunnen maken van zijn bevoegdheid tot intrekking.

4.6. Met hetgeen onder 4.5 is overwogen is tevens gegeven dat het College op grond van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB bevoegd was om tot terugvordering van de over de periode in geding gemaakte kosten van bijstand over te gaan. Appellant heeft tegen de terugvordering geen zelfstandige grieven aangevoerd, zodat het oordeel van de rechtbank hierover geen verdere bespreking behoeft.

4.7. Uit de brief van 9 april 2008 van de rechtbank ’s-Gravenhage blijkt dat vanwege een administratieve fout de rechtbank uitspraak heeft gedaan, zonder dat appellant in de gelegenheid is gesteld zijn beroepsgronden op een zitting nader toe te lichten. Appellant heeft hiervoor geen toestemming als bedoeld in artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gegeven. De Raad ziet hierin aanleiding om de aangevallen uitspraak te vernietigen. De Raad heeft zich beraden op de vraag of na vernietiging van de aangevallen uitspraak de zaak naar de rechtbank moet worden teruggewezen. Gelet op hetgeen onder 4.1 tot en met 4.6 is overwogen en in aanmerking nemend dat de zaak naar zijn oordeel geen nadere behandeling door de rechtbank behoeft, beantwoordt de Raad die vraag ontkennend. De Raad zal het beroep ongegrond verklaren.

4.8. De Raad ziet aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 322,-- voor in hoger beroep verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 10 april 2007 ongegrond;

Veroordeelt het College in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 322,--;

Bepaalt dat het College aan appellant het betaalde griffierecht van € 107,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en J.M.A. van der Kolk-Severijns en N.M. van Waterschoot als leden, in tegenwoordigheid van M.C.T.M. Sonderegger als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op

4 mei 2010.

(get.) A.B.J. van der Ham.

(get.) M.C.T.M. Sonderegger.

IJ