Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BM4243

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-05-2010
Datum publicatie
17-05-2010
Zaaknummer
09-3684 WIA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Loonsanctie. Onvoldoende re-integratie-inspanningen appellante.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/3684 WIA

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], gevestigd te [vestigingsplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 27 mei 2009, 08/7120 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 12 mei 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. P.J. de Rooij, werkzaam bij ARAG rechtsbijstand te Leusden, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 april 2010. Appellante heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. De Rooij. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J. van Riet.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Bij besluit van 16 april 2008 heeft het Uwv het tijdvak van 104 weken, waarin [naam werknemer] jegens appellante recht heeft op loon tijdens ziekte, met 52 weken verlengd. De verlenging (loonsanctie) is opgelegd op de grond dat zonder deugdelijke grond onvoldoende re-integratie-inspanningen zijn verricht.

1.2. Bij besluit van 27 augustus 2008 (bestreden besluit) is het bezwaar ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak is het beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat appellante onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht.

3. Appellante heeft het standpunt ingenomen dat voldoende re-integratie-inspanningen zijn verricht. Het Uwv heeft zijn standpunt gehandhaafd.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. Werknemer is in verband met rugklachten per 8 juni 2006 uitgevallen vanuit zijn functie van machinebankwerker voor 36 uur per week. De (bezwaar)arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat zonder deugdelijke grond onvoldoende re-integratie-inspanningen zijn verricht. Daarbij is overwogen dat in een vroeg stadium duidelijk was dat de werknemer ongeschikt is en blijft voor het eigen werk en dat in het bedrijf van appellante geen ander passend werk voorhanden is. Gewezen is op het Plan van aanpak van 31 augustus 2006 waarin als einddoel is gesteld: werkhervatting bij een andere werkgever. Voorts heeft de (bezwaar)arbeidsdeskundige vastgesteld dat een loopbaanonderzoek heeft plaatsgevonden, maar geen re-integratietraject in het tweede spoor is ingezet waarin de re-integratie ter hand wordt genomen.

4.2. Appellante heeft betoogd dat re-integratie (tijdelijk) niet mogelijk was omdat de werknemer per 15 mei 2007 geen duurzaam benutbare mogelijkheden had. Zij wijst op de eerstejaarsevaluatie van die datum waarop de bedrijfsarts heeft aangegeven dat de werknemer geen duurzaam benutbare mogelijkheden heeft. De bezwaararbeidsdeskundige heeft overwogen dat de bedrijfsarts niet heeft bedoeld dat sprake is van een situatie van geen duurzaam benutbare mogelijkheden, maar dat er geen mogelijkheden zijn in het bedrijf van appellante. In de aangevallen uitspraak is deze overweging gevolgd. Appellante heeft de juistheid van de overweging betwist en heeft aangevoerd dat de bezwaararbeidsdeskundige geen arts is.

4.3. De Raad overweegt dat uit de probleemanalyse van 17 augustus 2006 en het actueel oordeel van 14 februari 2008 kan worden opgemaakt dat volgens de bedrijfsarts per die data geen sprake was van een situatie van geen duurzaam benutbare mogelijkheden. Voorts heeft de bedrijfsarts per 6 juni 2007 een Functionele Mogelijkhedenlijst opgesteld op basis waarvan bij het loopbaanonderzoek is geconcludeerd dat de werknemer gunstige beroepsmogelijkheden heeft. Gelet op deze gegevens is naar het oordeel van de Raad aannemelijk dat - ook indien zou moeten worden aangenomen dat de bedrijfsarts heeft bedoeld dat op 15 mei 2007 sprake was van een situatie van geen duurzaam benutbare mogelijkheden - die situatie niet langer dan tot 6 juni 2007 heeft voortgeduurd. Voor de stelling van appellante dat deze situatie tot 13 februari 2008 zou hebben voortgeduurd ziet de Raad geen ondersteuning. Dit geldt eveneens voor haar stelling dat appellante eind 2007/ begin 2008 enkele maanden geen duurzaam benutbare mogelijkheden zou hebben gehad. De bezwaararbeidsdeskundige heeft vermeld dat de werknemer eind 2007 een bromfietsongeluk heeft gehad en dat wellicht korte tijd sprake was van geen duurzaam benutbare mogelijkheden. De werknemer heeft tegenover de bezwaararbeidsdeskundige echter verklaard dat hij in die periode wel kon werken. Appellante heeft geen informatie in het geding gebracht die erop wijst dat de werknemer na 6 juni 2007 geen duurzaam benutbare mogelijkheden zou hebben gehad.

4.4. Appellante heeft betoogd dat zij voldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht. Volgens appellante is het loopbaanonderzoek een eerste herstelactie, waarvan het inzetten reeds meebrengt dat voldoende re-integratie-inspanningen zijn verricht. Bij het loopbaanonderzoek, dat appellante in juli 2007 heeft laten uitvoeren, is geconcludeerd dat de werknemer voldoende zelfstandig en initiatiefrijk is om zelf met solliciteren aan de slag te gaan. De werknemer heeft zelf gesolliciteerd, zowel vanuit zijn eigen netwerk als op aangeven van de loopbaanadviseur. Appellante meent voorts dat de kansen van de werknemer beperkt zijn, gelet op zijn leeftijd, opleidingsniveau en medische beperkingen.

4.5. De Raad is van oordeel dat dit betoog niet kan worden gevolgd. Bij het loopbaanonderzoek is immers tevens aangegeven dat indien de netwerk- en sollicitatieactiviteiten niet tot resultaat leiden de werknemer daarbij begeleiding kan worden geboden. De bezwaararbeidsdeskundige heeft - onweersproken - vastgesteld dat het zelfstandig solliciteren van de werknemer niet tot resultaat heeft geleid en dat appellante daarna niet heeft ingegrepen, bijvoorbeeld door het bieden van begeleiding. Voorts heeft het loopbaanonderzoek - na aarzeling van appellante over de kosten - geen vervolg gekregen met een concreet re-integratietraject in het tweede spoor. Met de rechtbank constateert de Raad dat appellante pas op 9 juni 2008, derhalve na het einde van de wachttijd, met dit traject is gestart. Appellante heeft haar stelling dat de daaraan verbonden kosten het voortbestaan van het bedrijf van appellante op het spel zou zetten niet onderbouwd, zodat deze stelling niet kan worden aanvaard. De omstandigheid dat de kansen van de werknemer op de arbeidsmarkt beperkt zijn, doet er naar het oordeel van de Raad niet aan af dat in redelijkheid van appellante kan worden verlangd dat zij een re-integratietraject in het tweede spoor zou inzetten.

4.6. De Raad verwerpt het beroep van appellante op de zinsnede in het deskundigenoordeel van 9 februari 2009 dat “na inschakeling van het re-integratiebedrijf medio 2007” niet meer activiteiten kunnen worden gevergd. Volgens het Uwv is in plaats van “medio 2007” bedoeld: medio 2008. Met het Uwv en de rechtbank is de Raad van oordeel dat sprake is van een - kennelijke - verschrijving, die niet afdoet aan de onderbouwing van het bestreden besluit.

4.7. Wat betreft de door appellante aangevoerde gronden dat het Uwv de re-integratie-inspanningen slechts marginaal dient te toetsen, dat de Beleidsregels beoordelingskader poortwachter onverbindend zijn en voorts dat de duur van de loonsanctie niet is afgestemd op de feiten en omstandigheden van het individuele geval, verwijst de Raad naar zijn uitspraken van 28 oktober 2009, LJN BK1570, en 18 november 2009, LJN BK3713 en BK3717. De Raad ziet in hetgeen appellante heeft aangevoerd geen reden terzake thans anders te oordelen.

5. Uit het voorgaande volgt dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

6. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en C.P.J. Goorden en A.A.H. Schifferstein als leden, in tegenwoordigheid van M. Mostert als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 mei 2010.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) M. Mostert.

KR