Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BM4143

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-05-2010
Datum publicatie
18-05-2010
Zaaknummer
07-7155 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking bijstandsuitkering omdat appellant, zonder dat aan het College te melden, in die periode aan het werk was als zelfstandige. Terugvordering. Het geschil in hoger beroep spitst zich toe op de aanschaf van de taxi en de (wijze van) financiering van de taxi waarmee appellant in de uitoefening van zijn bedrijf is gaan rijden. Onvoldoende grondslag voor het standpunt van het College dat het recht van appellant op bijstand over de periode van 1 januari 2004 tot en met 30 april 2004 als gevolg van schending van de inlichtingenverplichting niet kon worden vastgesteld. Appellant heeft ontoereikende inlichtingen over zijn financiële positie in de periode van 1 mei 2004 tot en met 21 augustus 2004 verstrekt, als gevolg waarvan niet kan worden vastgesteld of, en zo ja in hoeverre, appellant in deze periode verkeerde in bijstandbehoevende omstandigheden. Dat betekent dat de intrekking van de bijstand over deze periode wel stand kan houden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/7155 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 16 november 2007, 06/4425 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: College)

Datum uitspraak: 11 mei 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. K. Roderburg, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld. Nadien heeft mr. G.L.D. Thomas, advocaat te Amsterdam, zich als raadsman van appellant gesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 maart 2010.

Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Thomas. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. A.A. Brouwer, werkzaam bij de gemeente Amsterdam.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Bij besluit van 25 maart 2004 is aan appellant met ingang van 24 december 2003 een bijstandsuitkering toegekend. Appellant was in bijstandbehoevende omstandigheden komen te verkeren omdat hij, zoals hij in het kader van zijn aanvraag om bijstand naar voren heeft gebracht, zijn werk als taxichauffeur niet meer kon uitoefenen wegens een overval op zijn taxi. Op 7 april 2004 is voor appellant een trajectplan opgesteld, gericht op uitstroom naar zelfstandige arbeid.

1.2. Appellant staat sinds 8 maart 2004 bij de Kamer van Koophandel ingeschreven als ondernemer (eenmanszaak) onder de naam [naam eenmanszaak]. Uit een opdrachtbevestiging, gedateerd 23 maart 2004, van de betrokken autoleverancier blijkt dat appellant een auto heeft besteld, met de bedoeling deze te gaan gebruiken als taxi. Op 21 april 2004 heeft appellant een taxicertificaat van de Taxicentrale Amsterdam B.V. (hierna: TCA) verkregen. Appellant diende met ingang van mei 2004 contributie aan de TCA te betalen. Op 18 mei 2004 heeft appellant aan de leverancier van zijn taxi contant als voorschot een bedrag van € 31.384,-- betaald. De auto is op 2 juli 2004 aan appellant geleverd. Op die dag heeft appellant aan de leverancier contant een restantbedrag van € 338,94 betaald. Voor het resterende bedrag heeft appellant een lease-overeenkomst afgesloten. Appellant heeft aan het College gemeld dat hij de eerste bedrijfsmatige rit met de taxi heeft gemaakt op 22 augustus 2004.

1.3. Bij besluit van 8 september 2004 heeft het College de bijstand van appellant met ingang van 22 augustus 2004 beëindigd. Dat besluit staat niet ter discussie.

1.4. Het onderdeel Handhaving van de Sociale Dienst Amsterdam (SDA) heeft nadien onderzoek verricht naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand. Het resultaat van dat onderzoek is neergelegd in een rapport van 24 november 2005.

1.5. De onderzoeksbevindingen zijn voor het College aanleiding geweest om bij besluit van 23 februari 2006 de bijstand van appellant over de periode van 1 januari 2004 tot en met 21 augustus 2004 te herzien (lees: in te trekken) op de grond dat hij, zonder dat aan het College te melden, in die periode aan het werk was als zelfstandige. Tevens heeft het College bij dit besluit de over die periode gemaakte kosten van bijstand van appellant teruggevorderd tot een bedrag van € 8.903,94.

1.6. Bij besluit van 18 juli 2006 heeft het College het tegen het besluit van 23 februari 2006 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Uit dat besluit blijkt dat het College, anders dan in het primaire besluit is vermeld, uitgaat van een benadelingsperiode van 24 december 2003 tot en met 21 augustus 2004.

1.7. Appellant heeft tegen het besluit van 18 juli 2006 beroep ingesteld. Hangende de behandeling van dat beroep heeft het College op 25 september 2007 een nieuwe beslissing op bezwaar genomen. Daarbij is de periode van intrekking en terugvordering in overeenstemming gebracht met het besluit van 23 februari 2006 en is het bedrag van de terugvordering verlaagd naar € 7.769,97. Het College heeft daarbij onder meer gehandhaafd zijn standpunt dat appellant niet heeft gemeld dat hij in de laatste periode van december 2003 inkomsten als taxichauffeur heeft gehad en dat hij in april 2004 een nieuwe taxivergunning had verworven alsmede dat niet duidelijk is geworden hoe appellant zijn nieuwe taxi heeft gefinancierd.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 18 juli 2006 niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat daaraan het procesbelang is ontvallen. Het beroep tegen het besluit van 25 september 2007 is ongegrond verklaard.

Tevens heeft de rechtbank bepalingen gegeven over de proceskosten en het griffierecht.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd voor zover daarbij zijn beroep ongegrond is verklaard.

4. Naar aanleiding van de standpunten van partijen in hoger beroep komt de Raad tot de volgende beoordeling.

4.1. Evenals de rechtbank begrijpt de Raad het besluit van 25 september 2007 aldus dat het College van mening is dat het recht op bijstand over de in geding zijnde periode niet kan worden vastgesteld wegens schending van de inlichtingenverplichting door appellant.

Naar vaste rechtspraak van de Raad dient, als in de loop van de procedure - dat kan ook nog in hoger beroep - zodanige nadere gegevens worden overgelegd dat het recht op bijstand wel kan worden vastgesteld, zulks alsnog te geschieden. Appellant stelt zich op het standpunt dat hij in de loop van de procedures zodanige inlichtingen heeft verstrekt dat zijn recht op bijstand kan worden vastgesteld.

4.2. Het standpunt van appellant dat het College er niet langer van uitgaat dat hij in december 2003 nog inkomsten uit het taxibedrijf heeft verworven en dat hem niet langer wordt verweten dat hij het verwerven van een taxivergunning niet heeft gemeld, is van de kant van het College niet betwist. Het geschil in hoger beroep spitst zich toe op de aanschaf van de taxi en de (wijze van) financiering van de taxi waarmee appellant in de uitoefening van zijn bedrijf is gaan rijden.

4.3. Bij de verdere beoordeling maakt de Raad onderscheid tussen de periode van 1 januari 2004 tot en met 30 april 2004 en de periode van 1 mei 2004 tot en met 21 augustus 2004.

4.4. De Raad ziet in de gedingstukken geen aanknopingspunten voor het oordeel dat appellant in de periode van 1 januari 2004 tot en met 30 april 2004 daadwerkelijk als zelfstandig taxichauffeur werkzaam is geweest dan wel anderszins inkomsten heeft ontvangen uit arbeid. Wel staat vast dat appellant zijn taxibedrijf in deze periode bij de Kamer van Koophandel heeft ingeschreven, dat hij in deze periode een taxi heeft besteld en dat hij een taxicertificaat van de TCA heeft verworven. Uit een zich bij de stukken bevindend rapportageoverzicht blijkt dat appellant op 7 april 2004 aan een medewerker van de SDA heeft verteld dat hij voornemens was door middel van een leaseconstructie een taxi te verwerven. Hij heeft toen tevens meegedeeld dat hij (weer) als ondernemer was ingeschreven bij de Kamer van Koophandel. Het gaat bij de hiervoor vermelde activiteiten zonder twijfel om activiteiten ter voorbereiding van de start van het taxibedrijf, maar naar het oordeel van de Raad hoefden die op zichzelf niet in de weg te staan aan de verlening van de bijstand. Daarbij betrekt de Raad het onder 1.1 genoemde trajectplan.

4.5. De Raad acht evenmin aannemelijk geworden dat appellant in deze periode al over middelen beschikte om de aanschaf van een nieuwe taxi te financieren. De Raad neemt daarbij mede in aanmerking dat in het kader van de aanvraag van appellant om bijstand onderzoek is verricht naar het vermogen van appellant en dat, mede aan de hand van de slotbalans van zijn vorige onderneming per 20 december 2003 en een schuldenoverzicht, het vermogen van appellant bij aanvang van de bijstand in het besluit van 25 maart 2004 is vastgesteld op ruim € 43.000,-- negatief.

4.6. De Raad ziet derhalve onvoldoende grondslag voor het standpunt van het College dat het recht van appellant op bijstand over de periode van 1 januari 2004 tot en met 30 april 2004 als gevolg van schending van de inlichtingenverplichting niet kon worden vastgesteld. De rechtbank heeft dat niet onderkend.

4.7. Met betrekking tot de periode van 1 mei 2004 tot en met 21 augustus 2004 komt de Raad tot een ander oordeel.

4.8. Zoals uit onderdeel 1.2 blijkt heeft appellant op 18 mei 2004 een aanbetaling op zijn taxi gedaan ter grootte van € 31.384,--. Onder overlegging van de brief van zijn boekhouder van 1 februari 2007, heeft appellant in hoger beroep naar voren gebracht dat deze betaling is gefinancierd met een lening van € 25.000,-- van H. el Hadj en een lening van € 6.000,-- van O. Zagdoud. De Raad is van oordeel dat appellant het bestaan van deze leningen niet aannemelijk heeft gemaakt. Er zijn uitsluitend enkele handgeschreven, ongedateerde verklaringen voorhanden waarin wordt verklaard dat een bedrag is geleend en dat bedragen zijn terugbetaald. Een deugdelijke, gedateerde leningsovereenkomst, waarin bijvoorbeeld een bepaling is opgenomen over (het tijdstip van) de terugbetaling ervan, is niet voorhanden. Evenmin zijn verifieerbare gegevens voorhanden met betrekking tot de feitelijke overdracht van de beweerdelijk aan appellant uitgeleende bedragen, aangezien de betreffende transacties naar mededeling van appellant contant zijn afgewikkeld. Verder merkt de Raad op dat in de openingsbalans van de onderneming per 1 juli 2004 geen melding wordt gemaakt van deze, volgens appellant in mei 2004 aangegane, leningen. Daarnaast stelt de Raad vast dat appellant kosten heeft moeten maken verband houdende met zijn aansluiting bij de TCA, waaronder (vanaf 1 mei 2004) contributie en de aanschaf van een certificaat ter waarde van € 3.000,--, en dat per 1 juli 2004 tevens maandelijks een substantieel leasebedrag voor de taxi diende te worden betaald. Het voorgaande brengt de Raad tot de conclusie dat appellant niet op basis van controleerbare gegevens inzichtelijk heeft gemaakt hoe hij de (hoge) kosten verband houdende met de start van zijn bedrijf, en dan met name de kosten van de aanschaf van de taxi, heeft gefinancierd. Hetgeen appellant heeft aangevoerd met betrekking tot de terugbetaling van de leningen in oktober en november 2004 - na de terugbetaling BPM en BTW door de belastingdienst aan appellant - brengt de Raad niet tot een ander oordeel, aangezien daarvan evenmin objectieve en verifieerbare gegevens voorhanden zijn. De Raad volgt de rechtbank dan ook in haar oordeel dat appellant ontoereikende inlichtingen over zijn financiële positie in de periode van 1 mei 2004 tot en met 21 augustus 2004 heeft verstrekt, als gevolg waarvan niet kan worden vastgesteld of, en zo ja in hoeverre, appellant in deze periode verkeerde in bijstandbehoevende omstandigheden. Dat betekent dat de intrekking van de bijstand over deze periode wel stand kan houden.

4.9. Uit het voorgaande volgt dat de aangevallen uitspraak, voor zover deze is aangevochten, voor vernietiging in aanmerking komt. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep tegen het besluit van 25 september 2007 gegrond verklaren en dat besluit wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vernietigen voor zover het betreft de intrekking over de periode van 1 januari 2004 tot en met 30 april 2004 en de terugvordering in haar geheel. Bij dat laatste tekent de Raad aan dat het onderhavige terugvorderingsbesluit als ondeelbaar moet worden beschouwd.

4.10. Het besluit van 23 februari 2006 lijdt wat betreft de intrekking over periode 1 aan hetzelfde gebrek als hiervoor is geconstateerd ten aanzien van het besluit van 25 september 2007. De Raad acht het niet aannemelijk dat dit gebrek bij het nemen van een nieuw besluit op bezwaar nog kan worden hersteld. De Raad zal, met gebruikmaking van de in artikel 72, vierde lid, van de Awb neergelegde bevoegdheid, het besluit van 23 februari 2006 in zoverre herroepen.

4.11. De Raad zal het College voorts opdragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen met betrekking tot de terugvordering, met inachtneming van deze uitspraak. Het College mag er daarbij vanuit gaan dat het bevoegd is tot terugvordering van appellant van de over periode 2 gemaakte kosten van bijstand.

5. De Raad ziet aanleiding het College te veroordelen in de kosten van appellant. Deze worden begroot op € 644,-- in bezwaar, op € 322,-- in beroep en op € 644,-- in hoger beroep, telkens voor verleende rechtsbijstand. Daarbij heeft de Raad rekening gehouden met de reeds door de rechtbank uitgesproken proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover daarbij het beroep tegen het besluit van 25 september 2007 ongegrond is verklaard;

Verklaart het beroep tegen dat besluit gegrond en vernietigt dat besluit voor zover het betreft de intrekking over de periode van 1 januari 2004 tot en met 30 april 2004 en de terugvordering in haar geheel;

Herroept het besluit van 23 februari 2006 voor zover het betreft de intrekking over de periode van 1 januari 2004 tot en met 30 april 2004;

Draagt het College op een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak;

Veroordeelt het College in de bezwaar- en proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1.610,--;

Bepaalt dat het College het door appellant in hoger beroep betaalde griffierecht van € 106,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen als voorzitter, en R. Kooper en W.F. Claessens als leden, in tegenwoordigheid van N.M. van Gorkum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 mei 2010.

(get.) C. van Viegen

(get.) N.M. van Gorkum

AV