Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BM4140

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-05-2010
Datum publicatie
18-05-2010
Zaaknummer
10-871 BZ-VV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening. Spoedeisend belang. Geen grond voor het oordeel dat de bepalingen van het Bbz 2004 in de weg staan aan de handelwijze van het College om voor een derde keer gedurende een maximale periode van zes maanden bijstand te verlenen. De voorzieningenrechter acht het niet in redelijke mate waarschijnlijk dat de aangevallen uitspraak voor zover die ziet op de verlenging van de termijn van de bijstand met zes maanden vanaf 28 mei 2009 in hoger beroep niet in stand zal blijven. Het door verzoeker in de procedure gebrachte besluit op bezwaar van het College van 15 april 2010 kan niet worden aangemerkt als de ter uitvoering van de aangevallen uitspraak genomen beslissing op het bezwaar. Geen sprake van een voor verzoeker zo zwaarwegend belang dat behandeling van het hoger beroep met betrekking tot de maatregel ten gevolge van de schending van de medewerkingsverplichting niet zou kunnen worden afgewacht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/871 BZ-VV

Centrale Raad van Beroep

Voorzieningenrechter

U I T S P R A A K

als bedoeld in artikel 8:84, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van de Beroepswet op het verzoek om voorlopige voorziening van:

[Verzoeker], wonende te [woonplaats] (hierna: verzoeker),

in verband met het hoger beroep van:

verzoeker

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Utrecht van 8 december 2009, 09/2898 en 09/3069 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

verzoeker

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht (hierna: College)

Datum uitspraak: 11 mei 2010

I. PROCESVERLOOP

Verzoeker heeft hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak en tevens een verzoek om een voorlopige voorziening gedaan.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 april 2010. Verzoeker is verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door E.J.W. Bruinsma, werkzaam bij de gemeente Utrecht.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de voorzieningenrechter uit van de volgende voor de beoordeling van het verzoek om een voorlopige voorziening van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Verzoeker exploiteert een eenmanszaak onder de naam [naam zaak]. In dat kader richt hij zich op het geven van cursussen op basisscholen en andere locaties. Het College heeft verzoeker met ingang van 28 mei 2008 algemene bijstand verleend op grond van het Besluit bijstandverlening zelfstandige 2004 (Bbz 2004). De bijstand is toegekend voor een maximale duur van zes maanden en gebaseerd op de omstandigheid dat verzoeker met zijn zelfstandige activiteiten niet in de noodzakelijke kosten van bestaan kan voorzien.

1.2. Bij de besluiten van 11 en 15 december 2008 heeft het College verzoeker verplicht medewerking te verlenen aan de managementbegeleiding van Friedeberg Consultancy B.V. (FCBV). Tevens is bij laatstgenoemd besluit de bijstandsverlening met ingang van 28 november 2008 verlengd met een periode van maximaal zes maanden.

1.3. Bij besluit van 23 juni 2009 is de bijstand vanaf 28 mei 2009 wederom voor een periode van maximaal zes maanden voortgezet. Daarbij is herhaald dat verzoeker verplicht is medewerking te verlenen aan de managementbegeleiding van FCBV. Op de grond dat verzoeker niet meewerkt aan deze begeleiding, heeft het College bij besluit van 16 september 2009 met toepassing van artikel 54, eerste lid, van de Wet werk en bijstand (WWB) het recht op bijstand met ingang van 16 september 2009 opgeschort.

1.4. Verzoeker heeft tegen de besluiten van 23 juni 2009 en 16 september 2009 bezwaar gemaakt en tevens de voorzieningenrechter van de rechtbank (hierna: rechtbank) verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Bij het besluit op bezwaar van 16 oktober 2009 heeft het College de besluiten van 23 juni 2009 en 16 september 2009 gehandhaafd.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 16 oktober 2009 ongegrond verklaard, voor zover dit besluit de bij besluit van 23 juni 2009 gehandhaafde verlenging van de termijn van bijstandsverlening met zes maanden en het opleggen van de medewerkingsverplichting betreft. Het beroep tegen het besluit van 16 oktober 2009, voor zover dit de bij besluit van 16 september 2009 gehandhaafde opschorting betreft, heeft de rechtbank, onder vernietiging van dit besluit in zoverre, gegrond verklaard. Hieraan heeft de rechtbank ten grondslag gelegd dat artikel 54, eerste lid, van de WWB in de situatie van verzoeker toepassing mist. Voorts is het College opgedragen opnieuw op het bezwaar van verzoeker tegen het besluit van 16 september 2009 te beslissen en verzoeker het betaalde griffiegeld te vergoeden. Tot slot heeft de rechtbank, bij wijze van voorlopige voorziening, het College opgedragen om verzoeker vanaf 16 november 2009 voorschotten te verlenen conform de eerdere bijstandsverlening tot aan de dag van de verzending van het nieuwe besluit op bezwaar. Daarbij heeft de rechtbank de mogelijkheid open gelaten dat het College ten aanzien van de bijstandsverlening vanaf 16 september 2009 met toepassing van artikel 18, tweede lid, van de WWB, een maatregel oplegt.

3. Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft het College bij besluit van 18 december 2009 voorschotten verstrekt op de over de periode van 16 november 2009 tot en met 31 december 2009 te verlenen bijstand tot een bedrag van € 1.162,65. Vervolgens heeft het College bij besluit van 20 januari 2010 opnieuw beslist op het bezwaar van verzoeker tegen het besluit van 16 september 2009. Hierbij is besloten de opschorting niet te handhaven en de bijstandsverlening van 16 september 2009 tot en met 27 november 2009 voort te zetten. Tevens is de bijstand bij wijze van maatregel gedurende één maand vanaf 16 september 2009 verlaagd met 20% van de toepasselijke norm vanwege de schending van de medewerkingsverplichting.

4. Verzoeker heeft zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd voor zover het beroep met betrekking tot de verlenging van de termijn van bijstandverlening met zes maanden en de medewerkingsverplichting ongegrond is verklaard. Tevens kan verzoeker zich niet verenigen met de bij besluit van 20 januari 2010 opgelegde maatregel. Bovendien stelt verzoeker zich, onder verwijzing naar een nader besluit van het College van 15 april 2010, op het standpunt dat hem voorschotten hadden moeten worden toegekend tot 16 april 2010.

5. De voorzieningenrechter komt tot de volgende beoordeling.

5.1. Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 21 van de Beroepswet kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank of van de voorzieningenrechter van de rechtbank als bedoeld in artikel 18, eerste lid, van de Beroepswet hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Daarbij kan mede de vraag aan de orde komen of een redelijke mate van waarschijnlijkheid bestaat dat de aangevallen uitspraak en het besluit op bezwaar niet in stand zullen kunnen blijven.

5.2. Voor zover de beoordeling van een verzoek om voorlopige voorziening meebrengt dat het geschil in de hoofdzaak wordt beoordeeld, heeft het oordeel van de voorzieningenrechter een voorlopig karakter en is het niet bindend voor de beslissing in de hoofdzaak.

5.3. De voorzieningenrechter is mede gelet op de behandeling ter zitting van oordeel dat in de situatie van verzoeker voldoende spoedeisend belang aanwezig is.

5.4. Voor wat betreft de hier voorliggende vraag of het College terecht de bijstand vanaf 28 mei 2009 voor een periode zes in plaats van twaalf maanden heeft toegekend, heeft de gemachtigde van het College ter zitting nader toegelicht dat de specifieke situatie van verzoeker aanleiding is geweest voor de verlenging van de periode van bijstandsverlening met zes maanden. Hierbij is gewezen op de omstandigheid dat verzoeker er na twaalf maanden bijstandsverlening niet in was geslaagd opdrachten te krijgen, dat hij onvoldoende medewerking verleende aan de managementbegeleiding en dat bij het College op grond van het advies van het FCBV gerede twijfel bestond over de levensvatbaarheid van de onderneming van verzoeker. Bovendien had verzoeker aangegeven dat hij een aanvraag had gedaan om voor een gemeentelijke subsidie onderwijsachterstandsbeleid in aanmerking te komen.

5.4.1. De voorzieningenrechter ziet met de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de bepalingen van het Bbz 2004 in de weg staan aan de handelwijze van het College om in de onder 5.4 beschreven omstandigheden voor een derde keer gedurende een maximale periode van zes maanden bijstand te verlenen. De voorzieningenrechter wijst daarbij op artikel 11, eerste lid, van het Bbz 2004 waarin (slechts) is vermeld dat de algemene bijstand wordt uitbetaald in maandelijkse termijnen. Voor zover verzoeker zich beroept op artikel 23, derde lid, van het Bbz 2004 merkt de voorzieningenrechter op dat de in dit artikellid vermelde termijnen van zes respectievelijk twaalf maanden betrekking hebben op het onderzoek naar de levensvatbaarheid van het bedrijf en dat de genoemde termijnen bovendien niet aan een derde periode van bijstandsverlening gedurende een maximale periode van een half jaar in de weg staan.

5.4.2. Gelet op het voorgaande acht de voorzieningenrechter het niet in redelijke mate waarschijnlijk dat de aangevallen uitspraak voor zover die ziet op de verlenging van de termijn van de bijstand met zes maanden vanaf 28 mei 2009 in hoger beroep niet in stand zal blijven.

5.5. Los van het gegeven dat verzoeker zijn beroep tegen de bij besluit van 20 januari 2010 opgelegde maatregel, bestaande uit een verlaging van de bijstand met 20% gedurende een maand met ingang van 16 september 2009, (nog) niet heeft onderbouwd, is naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen sprake van een voor verzoeker zo zwaarwegend belang dat behandeling van het hoger beroep met betrekking tot de maatregel ten gevolge van de schending van de medewerkingsverplichting niet zou kunnen worden afgewacht.

5.6. De voorzieningenrechter kan verzoeker niet volgen in zijn standpunt dat het door hem in de procedure gebrachte besluit op bezwaar van het College van 15 april 2010 moet worden aangemerkt als de ter uitvoering van de aangevallen uitspraak genomen beslissing op het bezwaar, ten gevolge waarvan hem tot de verzenddatum van dit besluit, te weten 16 april 2010, voorschotten moeten worden verleend. Uit dit besluit - dat is genomen onder intrekking van een eerder besluit van 21 januari 2010 - leidt de voorzieningenrechter af dat het betrekking heeft op de in bezwaar niet gehandhaafde intrekking van het recht op bijstand met ingang van 16 september 2009. Deze besluitvorming valt dan ook buiten de omvang van het hier in geding zijnde geschil.

5.6.1. Ter zitting is bevestigd dat verzoeker voorschotten zijn verstrekt tot 22 januari 2010, de verzenddatum van het ter uitvoering van de aangevallen uitspraak genomen besluit op bezwaar van 20 januari 2010. De voorzieningenrechter ziet dan ook niet in dat het College in zoverre op een onjuiste wijze uitvoering heeft gegeven aan de aangevallen uitspraak.

5.7. Tot slot overweegt de voorzieningenrechter nog dat verzoeker, ondanks een uitdrukkelijke uitnodiging van het College daartoe, niet heeft verzocht om bijstandsverlening vanaf 28 november 2009. Ter zitting heeft verzoeker hierover verklaard dat hij in verwarring is gebracht door de verschillende besluiten van het College en dat hij om die reden eerst de behandeling van het hier aan de orde zijnde verzoek om een voorlopige voorziening wilde afwachten. De voorzieningenrechter is van oordeel dat, hoewel aan verzoeker kan worden toegegeven dat de besluitvorming van het College na de aangevallen uitspraak niet op alle onderdelen even duidelijk is geweest, de omstandigheid dat er nog geen duidelijkheid is over bijstandsverlening vanaf 28 november 2009 voor een belangrijk deel voor rekening van verzoeker komt.

5.8. De voorzieningenrechter komt op grond van hetgeen onder 5.4 tot en met 5.7 is overwogen tot het oordeel dat het verzoek om een voorlopige voorziening dient te worden afgewezen.

6. Voor vergoeding van het door verzoeker betaalde griffierecht en voor een veroordeling in de proceskosten ziet de Raad geen aanleiding.

III. BESLISSING

De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Wijst het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht af.

Deze uitspraak is gedaan door J.F. Bandringa, in tegenwoordigheid van C. de Blaeij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 mei 2010.

(get.) J.F. Bandringa.

(get.) C. de Blaeij.

SG