Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BM4125

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-05-2010
Datum publicatie
18-05-2010
Zaaknummer
09-1497 WSF + 09-1498 WSF
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

1) Weigering het verzoek van appellante van 21 februari 2007 om draagkrachtmeting 2007 verder in behandeling te nemen. 2) Vaststelling van de draagkracht van appellante per 1 juni 2007 op een bedrag van € 23,28, per maand. Hoewel appellante de gevraagde gegevens niet tijdig kon leveren omdat zij voor het aanleveren van deze gegevens afhankelijk was van de Belastingdienst, kon de Minister in redelijkheid gebruik maken van zijn bevoegdheid om het verzoek niet te behandelen. Appellante had zich gelet op de gegeven waarschuwing tijdig dienen te wenden tot de Minister om hem het door haar ervaren probleem voor te leggen. 2) Vaststelling van de draagkracht van appellante per 1 juni 2007 op een bedrag van € 23,28, per maand. Toezending stukken op 31 mei 2007 is terecht aangemerkt als nieuwe aanvraag. Terecht beoordeling per 1 juni 2007. Draagkrachtmeting over 2006 valt buiten beoordeling. Geen plaats voor toepassing hardheidsclausule.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/1497 WSF en 09/1498 WSF

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 27 januari 2009, 07/3289 en 07/3293 (hierna: aangevallen uitspraak),

in de gedingen tussen:

appellante

en

de hoofddirectie van de Informatie Beheer Groep (hierna: IB-Groep).

Datum uitspraak: 7 mei 2010

I. PROCESVERLOOP

In dit geding is een uitspraak aan de orde over een besluit dat is genomen door de IB-Groep. Op 1 januari 2010 is de Wet van 15 oktober 2009 tot intrekking van de Wet verzelfstandiging informatiseringsbank en wijziging van diverse wetten in verband met de oprichting van de Dienst Uitvoering Onderwijs in werking getreden. Als gevolg hiervan is de IB-Groep opgehouden te bestaan. Ingevolge artikel XXI, eerste lid, van de wet treedt in dit geding de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (hierna: de Minister) in de plaats van de IB-Groep. In deze uitspraak wordt onder de Minister tevens verstaan de IB-Groep.

Namens appellante heeft [naam vader] – haar vader – hoger beroep ingesteld.

De Minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 maart 2010. Appellante is verschenen, bijgestaan door haar vader. De IB-Groep was vertegenwoordigd door mr. drs. E.H.A. van den Berg.

II. OVERWEGINGEN

1. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank – kort samengevat – geoordeeld dat zowel het beroep van appellante tegen het besluit van de Minister van 24 oktober 2007, waarbij de Minister – beslissend op bezwaar – heeft geweigerd het verzoek van appellante van 21 februari 2007 om draagkrachtmeting 2007 verder in behandeling te nemen, als het beroep tegen de besluiten op bezwaar strekkende tot vaststelling van de draagkracht van appellante per 1 juni 2007 op een bedrag van € 23,28, per maand ongegrond is.

2. Appellante heeft zich in hoger beroep – evenals in beroep – op het standpunt gesteld dat is miskend dat haar draagkracht reeds vanaf 1 januari 2006 € 23,28 bedraagt. Naar haar mening dient indien een strikte toepassing van de wet de vaststelling van haar draagkracht per 1 januari 2006 niet mogelijk maakt, deze vaststelling te geschieden met toepassing van de hardheidsclausule.

3.1. De Raad overweegt ten aanzien van het onderdeel van de aangevallen uitspraak dat ziet op het niet verder behandelen van het verzoek om draagkrachtmeting als volgt.

3.2. Tussen partijen is niet in geschil dat het door appellante gedane verzoek van 21 februari 2007 om draagkrachtmeting niet compleet was, de Minister appellante daarop bij brief van 27 maart 2007 heeft gewezen en heeft verzocht een aantal – precies omschreven – stukken binnen vier weken in te zenden.

In de brief van 27 maart 2007 heeft de Minister appellante er voorts op gewezen dat indien zij niet binnen vier weken reageert haar verzoek om draagkrachtmeting niet in behandeling wordt genomen.

Evenmin is in geschil dat appellante niet binnen vier weken heeft gereageerd. Appellante heeft noch de gevraagde stukken ingezonden, noch de Minister verzocht haar uitstel van de voormelde verplichting te verlenen.

3.3. Naar het oordeel van de Raad heeft de Minister onder de in 3.2 vermelde omstandigheden van zijn bevoegdheid als opgenomen in artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht om het verzoek niet te behandelen in redelijkheid gebruik kunnen maken.

3.4. De door appellante aangevoerde omstandigheid dat zij de door de Minister gevraagde gegevens niet tijdig kon leveren, omdat zij voor het aanleveren van deze gegevens afhankelijk was van de Belastingdienst en het tijd heeft gekost voordat zij van deze dienst de gegevens verkreeg, doet aan het oordeel vermeld in 3.3 niet af. Daargelaten wat er zij van de juistheid van hetgeen door appellante ter zake is aangevoerd, neemt dit niet weg dat appellante zich gelet op de in de brief van 27 maart 2007 opgenomen waarschuwing tijdig had dienen te wenden tot de Minister om hem het door haar ervaren probleem voor te leggen.

3.5. Het hoger beroep gericht tegen het onderdeel van de aangevallen uitspraak dat ziet op het besluit van de Minister tot het buiten behandeling laten van de aanvraag van appellante treft mitsdien geen doel.

4.1. De Raad overweegt ten aanzien van het onderdeel van de aangevallen uitspraak dat ziet op de vaststelling van de draagkracht per 1 juni 2007 als volgt.

4.2. Nadat de Minister – naar volgt uit 3.2 tot en met 3.5 – rechtmatig heeft geweigerd de aanvraag in behandeling te nemen, heeft appellante bij brief van 31 mei 2007 alsnog de door de Minister gevraagde stukken ingezonden. De Minister heeft – hoewel de aanvraag van 21 februari 2007 met recht buiten behandeling is gesteld en een nieuwe expliciete aanvraag ontbreekt – terecht aangenomen dat appellante met deze stukken heeft beoogd een nieuwe aanvraag te doen.

4.3. De Minister heeft deze aanvraag ingewilligd per 1 juni 2007 op grond van de overweging – voor zover hier van belang – dat uit artikel 6.10, derde lid, van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000) voortvloeit dat, nu het verzoek om draagkracht is gedaan bij brief van 31 mei 2007, vaststelling van de draagkracht plaats dient te vinden per 1 juni 2007.

4.4. De opvatting van de Minister als weergegeven in 4.3 is in overeenstemming met de Wsf 2000 en mitsdien juist.

4.5. Het standpunt van appellante dat ziet op de door haar gestelde rechten over het jaar 2006 doet aan 4.4 niet af. Het standpunt van appellante gaat er ten onrechte aan voorbij dat aan het geschil tussen partijen ten grondslag ligt een door appellante gedaan verzoek om draagkrachtmeting in 2007 en naar aanleiding van dit verzoek door de Minister genomen besluiten. Deze door appellante aangevochten besluiten hebben geen betrekking op 2006 en hoefden daarop gelet op het verzoek ook geen betrekking te hebben.

4.6. Hetgeen appellante overigens heeft gesteld over haar ervaringen met de organisatie belast met de uitvoering van de Wsf 2000 kan appellante evenmin baten. Daargelaten wat er zij van de juistheid van het door appellante gestelde over het niet aankomen en zoekraken van stukken en de moeizame communicatie met de organisatie, kan niet uit het oog worden verloren dat in dit geschil niet in geding is dat de door de Minister bij brief van 27 maart 2007 gevraagde stukken door appellante eerst bij brief van 31 mei 2007 aan de Minister zijn gezonden en de Minister deze stukken ook heeft ontvangen.

4.7. Met de rechtbank en op dezelfde gronden is de Raad van oordeel dat voor toepassing van de hardheidsclausule in dit geval geen plaats is.

4.8. Het hoger beroep gericht tegen het onderdeel van de aangevallen uitspraak dat ziet op de besluiten van de Minister tot vaststelling van de draagkracht per 1 juni 2007 treft mitsdien evenmin doel.

5.1. Gelet op 3.5 en 4.8 dient de aangevallen uitspraak te worden bevestigd.

5.2. Voor een proceskostenveroordeling zijn geen termen aanwezig.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door G. van der Wiel als voorzitter en G.J.H. Doornewaard en J. Brand als leden, in tegenwoordigheid van R.L. Venneman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 mei 2010.

(get.) G. van der Wiel.

(get.) R.L. Venneman.

GdJ