Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BM4124

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-05-2010
Datum publicatie
17-05-2010
Zaaknummer
08-5115 WWB + 08-5959 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag om langdurigheidstoeslag. De Raad is van oordeel dat appellante (in elk geval) van 6 oktober 2004 tot 30 januari 2006 beschikte of redelijkerwijs kon beschikken over een vermogen dat hoger was dan de op haar toepasselijke grens van het vrij te laten vermogen

Wetsverwijzingen
Wet werk en bijstand
Wet werk en bijstand 36
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2010/207
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/5115 WWB

08/5959 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op de hogere beroepen van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraken van de rechtbank ’s-Gravenhage van 6 augustus 2008, 07/1684 (hierna: aangevallen uitspraak 1) en van 6 oktober 2008, 08/4514 (aangevallen uitspraak 2)

in de gedingen tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente ’s-Gravenhage (hierna: College)

Datum uitspraak: 11 mei 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M.P. de Witte, advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroep tegen de aangevallen uitspraken ingesteld.

Het College heeft verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met het onderzoek in de gedingen met reg. nrs. 08/5128, 09/135 WWB en 09/4429 WWB, plaatsgevonden op 30 maart 2010, waar voor appellante is verschenen mr. Witte en waar het College zich heeft laten vertegenwoordigen door J.A. Bogaards, werkzaam bij de gemeente ’s-Gravenhage. Na de sluiting van het onderzoek ter zitting zijn de gevoegde zaken weer gesplitst. In deze zaken wordt heden afzonderlijk uitspraak gedaan.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Op 31 oktober 2006 heeft appellante bij het College een aanvraag om langdurigheidstoeslag als bedoeld in artikel 36 van de Wet werk en bijstand (WWB) ingediend. Bij besluit van 2 november 2006, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van

15 januari 2007, heeft het College deze aanvraag afgewezen. Daaraan heeft het College ten grondslag gelegd dat appellante niet voldoet aan de voorwaarde van artikel 36, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB, omdat zij in de periode van zestig maanden voorafgaande aan de aanvraag niet ononderbroken een inkomen op bijstandsniveau heeft ontvangen en in die periode een vermogen had boven de voor haar toepasselijke grens van het vrij te laten vermogen.

1.2. Op 10 maart 2008 heeft appellante bij het College opnieuw een aanvraag om langdurigheidstoeslag ingediend. Bij besluit van 11 maart 2008, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 9 juni 2008, heeft het College deze aanvraag wederom afgewezen. Daaraan heeft het College ten grondslag gelegd dat appellante niet voldoet aan de voorwaarde van artikel 36, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB, omdat zij niet heeft aangetoond dat zij in 2006 geen inkomen boven de bijstandsnorm had en evenmin beschikte over een in aanmerking te nemen vermogen.

2. Bij de aangevallen uitspraak 1 heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 15 januari 2007 ongegrond verklaard. Bij aangevallen uitspraak 2 heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit 9 juni 2008 ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraken gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Tussen partijen is uitsluitend in geschil of appellante ten tijde van haar aanvragen van 31 oktober 2006 en van 10 maart 2008 voldeed aan de in artikel 36, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB genoemde voorwaarde. De Raad zal zich tot dit geschilpunt beperken.

4.2. Artikel 36, eerste lid, aanhef en onder a (tekst tot 1 januari 2009), van de WWB bepaalt dat het college op aanvraag een langdurigheidstoeslag verleent aan een persoon van 23 jaar of ouder, doch jonger dan 65 jaar die gedurende een ononderbroken periode van 60 maanden een inkomen heeft dat niet hoger is dan de bijstandsnorm en geen in aanmerking te nemen vermogen als bedoeld in artikel 34 heeft.

4.3. Gelet op de gedingstukken staat vast dat van 6 oktober 2004 tot 30 januari 2006 een bedrag van € 6.338,69 op een bankrekening van appellante heeft gestaan. Tussen partijen is niet in geschil dat dit tegoed een bestanddeel vormt van het vermogen waarover appellante destijds daadwerkelijk beschikte of redelijkerwijs kon beschikken.

4.4. Bij de vaststelling van de omvang van iemands vermogen dient echter ook rekening te worden gehouden met diens schulden, mits het bestaan daarvan voldoende mate aannemelijk is gemaakt en voorts is komen vast te staan dat aan die schuld daadwerkelijk een verplichting tot terugbetaling is verbonden.

4.5. Naar aanleiding van de grief van appellante dat ten onrechte geen rekening is gehouden met een studieschuld ter hoogte van € 6.870,82 aan de Informatie Beheer Groep overweegt de Raad dat deze bij de beoordeling van de vermogenspositie van appellante buiten beschouwing dient te worden gelaten, aangezien in het kader van de Wet studiefinanciering 2000 de verplichting tot aflossing door de debiteur gedurende de zogeheten aflosfase mede afhankelijk is van diens draagkracht uit inkomen, waarbij nihilstelling mogelijk is, en de schuld in elk geval tenietgaat bij het einde van de aflosfase. Of aan de studieschuld van appellante daadwerkelijk een verplichting tot terugbetaling is verbonden, stond ten tijde hier van belang nog onvoldoende vast.

4.6. Gelet op hetgeen onder 4.3 tot en met 4.5 is overwogen en in aanmerking genomen dat ook overigens niet is gebleken dat appellante schulden had waarmee bij de vaststelling van haar vermogen rekening had moeten worden gehouden, is de Raad van oordeel dat appellante (in elk geval) van 6 oktober 2004 tot 30 januari 2006 beschikte of redelijkerwijs kon beschikken over een vermogen dat hoger was dan de op haar toepasselijke grens van het vrij te laten vermogen ter hoogte van € 5.065,-- (op 6 oktober 2004) en € 5.180,-- (op 30 januari 2006).

4.7. Hetgeen in 4.6 is overwogen betekent dat appellante in de periodes van zestig maanden die aan haar aanvragen van 31 oktober 2006 en 10 maart 2008 voorafgingen een in aanmerking te nemen vermogen had, zodat zij op die grond niet voldeed aan de in artikel 36, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB genoemde voorwaarde. De vraag of appellant ook op grond van de hoogte van haar inkomen gedurende betreffende periodes niet aan de in artikel 36, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB genoemde voorwaarde voldeed, behoeft derhalve geen bespreking.

4.8. Uit het voorgaande vloeit voort dat de hogere beroepen van appellante niet slagen, zodat de aangevallen uitspraken voor bevestiging in aanmerking komen.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraken.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en J.J.A. Kooijman en E.E.V. Lenos als leden, in tegenwoordigheid van J.M. Tason Avila als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 mei 2010.

(get.) A.B.J. van der Ham

(get.) J.M. Tason Avila

AV