Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BM4118

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-04-2010
Datum publicatie
12-05-2010
Zaaknummer
06-4457 WAO-T + 08-4102 WAO-T
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Tussenuitspraak. Herziening WAO-uitkering. Deskundige wordt gevolgd. De Raad verwerpt het betoog van de bezwaarverzekeringsarts dat de psychische klachten niet tot beperkingen leiden omdat deze (slechts) het gevolg zouden zijn van sociale problematiek. Naar het oordeel van de Raad laat het rapport van Swinkels er geen twijfel over bestaan dat diens bevindingen op psychiatrisch gebied verband houden met beperkingen voortvloeiend uit ziekte of gebrek en niet (slechts) met sociale problematiek. De Raad ziet aanleiding met toepassing van artikel 21, zesde lid, van de Beroepswet het Uwv op te dragen de gebreken in de bestreden besluiten te herstellen. Gelet op het hiervoor weergegeven oordeel van de Raad dient het Uwv een FML per 28 oktober 2004 en een FML per 12 september 2005 op te stellen die in overeenstemming zijn met de conclusies en bevindingen van psychiater Swinkels en de door hem per 28 oktober 2004 aangenomen beperkingen. Voorts dient het Uwv functies te selecteren waartoe appellant gelet op deze FML-en in staat moet worden geacht en dient de mate van arbeidsongeschiktheid per beide data in geding te worden bepaald.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2010/198 met annotatie van A. Tollenaar
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/4457 WAO-T

08/4102 WAO-T

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

T U S S E N U I T S P R A A K

op de hoger beroepen van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraken van de rechtbank Utrecht van 21 juni 2006, 05/3843 (hierna: aangevallen uitspraak 1) en 23 mei 2008, 06/2652 (hierna: aangevallen uitspraak 2),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 29 april 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R.F.E. Frommé, werkzaam bij Juridische Dienstverlening Nederland B.V. te Apeldoorn, hoger beroep tegen de aangevallen uitspraken ingesteld.

Het Uwv heeft in beide gedingen een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 januari 2010. Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.A. Sowka.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Bij besluit van 29 november 2004 is appellant per 28 oktober 2004 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%. Bij besluit van 26 oktober 2005 is de uitkering per 12 september 2005 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van

45 tot 55%.

1.2. De bezwaren van appellant tegen deze besluiten zijn bij besluiten van 22 november 2005 (bestreden besluit 1) en 30 mei 2006 (bestreden besluit 2) ongegrond verklaard. Het Uwv heeft aan de genoemde besluiten rapportages van onder meer de (bezwaar)verzekeringsartsen ten grondslag gelegd. De bezwaarverzekeringsartsen hebben de belastbaarheid van appellant per 28 oktober 2004 en die per 12 september 2005 vastgelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML). In de FML per 28 oktober 2004 zijn geen beperkingen voor persoonlijk of sociaal functioneren gesteld. In de FML per 12 september 2005 zijn, rekening houdend met de afgenomen psychische belastbaarheid, enkele beperkingen voor persoonlijk en sociaal functioneren opgenomen.

2. Bij de aangevallen uitspraken zijn de beroepen van appellant ongegrond verklaard. Ten aanzien van zowel bestreden besluit 1 als bestreden besluit 2 heeft de rechtbank overwogen dat de medische grondslag toereikend is.

3.1. Appellant heeft het standpunt ingenomen dat in beide FML-en onvoldoende rekening is gehouden met zijn psychische klachten. Hij heeft een expertiserapport van psychiater A.A. van Loon ingediend. Het Uwv heeft zijn standpunt gehandhaafd.

3.2. In opdracht van de Raad heeft psychiater prof. dr. J.A. Swinkels op 21 november 2008 rapport uitgebracht. In het rapport is bij appellant de diagnose (depressieve stoornis, matig ernstig, chronisch) gesteld. Per 28 oktober 2004 had appellant depressieve symptomen en gelet op de latere ontwikkelingen acht Swinkels aannemelijk dat appellant al op 28 oktober 2004 voldeed aan de genoemde diagnose, dan wel aan de diagnose chronische aanpassingsstoornis met depressieve kenmerken. Het toen al aanwezige interesseverlies en de concentratiestoornissen zijn zeer a-typisch voor het eerdere functioneren van appellant. Swinkels heeft zich mede gebaseerd op een brief van 26 april 2006 van behandelend psychiater D.T.W. Kok van de RIAGG Amersfoort & omstreken, waar appellant op 4 oktober 2005 is aangemeld. Kok heeft het toestandsbeeld omschreven als een depressieve stoornis, ernstig, met geheugen- en concentratieproblemen, een slaapstoornis en een zeer sombere stemming. Swinkels heeft geconcludeerd dat rekening moet worden gehouden met beperkingen voor persoonlijk en sociaal functioneren, in het bijzonder voor concentreren en verdelen van de aandacht, doelmatig handelen, zelfstandig handelen, handelingstempo, lezen, hanteren van emotionele problemen van anderen, uiten van eigen gevoelens, omgaan met conflicten en samenwerken.

3.3. In reactie op het rapport van Swinkels heeft bezwaarverzekeringsarts W. Ebbelaar gesteld dat diens diagnose niet aannemelijk en inconsistent is. Volgens de bezwaarverzekeringsarts zijn de psychische klachten het gevolg van sociale problematiek en dienen deze niet tot beperkingen te leiden. Hij betoogt dat appellant een actief sociaal leven leidt. Swinkels heeft meegedeeld in de reactie van de bezwaarverzekeringsarts geen aanleiding te zien zijn conclusies te wijzigen.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. In vaste rechtspraak van de Raad ligt besloten dat de Raad het oordeel van een onafhankelijke door de hem ingeschakelde deskundige in beginsel pleegt te volgen. Psychiater Swinkels heeft onderzoek verricht en kennis genomen van de (medische) gedingstukken. De Raad ziet niet in dat de deskundige op basis hiervan niet tot een afgewogen beoordeling omtrent de beperkingen per 28 oktober 2004 heeft kunnen gekomen. Voorts verwerpt de Raad het betoog van de bezwaarverzekeringsarts dat de psychische klachten niet tot beperkingen leiden omdat deze (slechts) het gevolg zouden zijn van sociale problematiek. Naar het oordeel van de Raad laat het rapport van Swinkels er geen twijfel over bestaan dat diens bevindingen op psychiatrisch gebied verband houden met beperkingen voortvloeiend uit ziekte of gebrek en niet (slechts) met sociale problematiek. Aldus is niet gebleken van feiten of bijzondere omstandigheden op grond waarvan moet worden afgeweken van de conclusies van Swinkels.

4.2. Naar het oordeel van de Raad heeft het hiervoor gegeven oordeel over de situatie van appellant per 28 oktober 2004 tevens gevolgen voor zijn beperkingen per 12 september 2005. Daarbij heeft de Raad in aanmerking genomen dat het Uwv zich op ter zitting van de Raad het standpunt heeft gesteld dat de arbeidsongeschiktheidsbeoordelingen per beide in geding zijnde data als één samenhangend geheel moeten worden gezien. De Raad overweegt dat Swinkels per

28 oktober 2004 aanzienlijk meer beperkingen heeft aangenomen in vergelijking met de per 12 september 2005 geldende FML. Swinkels heeft overwogen dat de depressie een chronisch verloop kent en ook ten tijde van het onderzoek van Swinkels in 2008 nog aanwezig is. Appellant heeft tegenover Swinkels verklaard dat hij per een latere datum dan hier in geding alsnog volledig arbeidsongeschikt is verklaard. In een brief van 9 januari 2007 heeft een arbeidskundige verklaard dat op basis van de (per een latere datum geldende) FML geen functies kunnen worden geselecteerd die appellant kan verrichten en dat appellant in de arbeidsongeschiktheidsklasse van 80 tot 100% zal worden ingedeeld. Voorts constateert de Raad dat de verklaringen van de behandelend psychiater Kok mede betrekking hebben op de psychische toestand van appellant kort na 12 september 2005. De Raad concludeert dan ook dat door de bezwaarverzekeringsarts per 12 september 2005 onvoldoende beperkingen zijn aangenomen.

5. Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat sprake is van gebreken in de motivering van de bestreden besluiten. Deze besluiten zijn derhalve in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

6. De Raad ziet aanleiding met toepassing van artikel 21, zesde lid, van de Beroepswet het Uwv op te dragen de gebreken in de bestreden besluiten te herstellen. Gelet op het hiervoor weergegeven oordeel van de Raad dient het Uwv een FML per 28 oktober 2004 en een FML per 12 september 2005 op te stellen die in overeenstemming zijn met de conclusies en bevindingen van psychiater Swinkels en de door hem per 28 oktober 2004 aangenomen beperkingen. Voorts dient het Uwv functies te selecteren waartoe appellant gelet op deze FML-en in staat moet worden geacht en dient de mate van arbeidsongeschiktheid per beide data in geding te worden bepaald.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Draagt het Uwv op binnen acht weken na verzending van deze tussenuitspraak de gebreken in de bestreden besluiten te herstellen met inachtneming van hetgeen de Raad heeft overwogen.

Deze uitspraak is gedaan door G. van der Wiel als voorzitter en I.M.J. Hilhorst-Hagen en J.P.M. Zeijen als leden, in tegenwoordigheid van A.E. van Rooij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 april 2010.

(get.) G. van der Wiel.

(get.) A.E. van Rooij.

JL