Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BM4034

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-05-2010
Datum publicatie
26-05-2010
Zaaknummer
09/3266 BESLU t/m 3273 BESLU
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

1. Een schadeprocedure als de onderhavige, waarin uitsluitend de schade in verband met overschrijding van de redelijke termijn aan de orde is, dient niet langer in aanmerking te worden genomen bij de vaststelling van de schadevergoeding in verband met overschrijding van de redelijke termijn. Indien een rechtbank of de Raad in een separate procedure de hoogte van de schadevergoeding vaststelt, mag deze procedure niet onnodig lang duren.

Dit leidt ertoe dat de hoogte van de schadevergoeding moet worden beoordeeld naar de toestand ten tijde van de uitspraak van de Raad van 25 juni 2009. De separate procedure voor de vaststelling van de hoogte van de schadevergoeding heeft niet onnodig lang geduurd.

2. Een langere behandelingsduur is gerechtvaardigd nu de hoorzitting op verzoek van betrokkene drie maal is uitgesteld.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 8:73
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2010/180
RZA 2010/85
AB 2010/296 met annotatie van A.M.L. Jansen
NJB 2010, 1237
ABkort 2010/202
JB 2010/185 met annotatie van Red.
USZ 2010/223 met annotatie van Red.
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/3266 t/m 3273 BESLU (Gerectificeerde uitspraak)

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het verzoek om schadevergoeding van:

[betrokkene], wonende te [woonplaats], Turkije (hierna: betrokkene),

met als partijen:

betrokkene

en

de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie) (hierna: Staat)

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 4 mei 2010

I. PROCESVERLOOP

Betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraken van de rechtbank Amsterdam van 30 mei 2005, 03/2304, 27 oktober 2006, 05/3179 en 28 januari 2008, 06/2173, in de gedingen tussen betrokkene en het Uwv.

Bij uitspraak van 25 juni 2009 (LJN BJ2085) heeft de Raad uitspraak gedaan op dit hoger beroep. Daarbij heeft de Raad bepaald dat het onderzoek onder de in de aanhef van deze uitspraak genoemde nummers wordt heropend ter voorbereiding van een nadere uitspraak over het verzoek van betrokkene om schadevergoeding met betrekking tot de mogelijke overschrijding van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), en heeft de Raad naast het Uwv de Staat aangemerkt als partij in die procedure.

Namens de Staat heeft mr. drs. E.C. Gijselaar, advocaat te ’s-Gravenhage, een schriftelijke uiteenzetting gegeven en namens het Uwv F. Steeman. Namens betrokkene heeft mr. I.H.M. Hest, advocaat te Eindhoven, daarop schriftelijk gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 januari 2010. Voor betrokkene is mr. Hest verschenen. De Staat heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. Gijselaar en het Uwv door A.P. Prinsen.

Omdat de Raad van oordeel was dat het onderzoek niet volledig was geweest, is het onderzoek heropend. Daarbij is de zaak voor verdere behandeling verwezen naar een meervoudige kamer van de Raad.

Met toestemming van partijen heeft de Raad bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft, waarna het onderzoek is gesloten.

II. OVERWEGINGEN

1.1. De uitspraak van de Raad van 25 juni 2009 betrof een drietal procedures tussen betrokkene en het Uwv, die betrekking hadden op betrokkenes aanspraken op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering. De procedures hadden ten tijde van de uitspraak van de Raad van 25 juni 2009 respectievelijk ruim negen jaar, zes jaar en negen maanden en vier jaar en zeven maanden geduurd. In genoemde uitspraak heeft de Raad overwogen dat in de eerste twee procedures het vermoeden bestaat dat de redelijke termijn zowel in de bestuurlijke als in de rechterlijke fase is overschreden. In de derde procedure heeft de Raad overwogen dat het vermoeden bestaat dat de redelijke termijn in de bestuurlijke fase is overschreden en dat er aanleiding is de schadevergoeding in die procedure in samenhang met de andere procedures te bezien. De Raad heeft vervolgens het onderzoek heropend.

1.2. Namens de Staat is - kort weergegeven - uiteengezet dat wordt onderschreven dat in de eerste twee procedures de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM, in de rechterlijke fase is overschreden en dat betrokkene in aanmerking komt voor een vergoeding van immateriële schade. Daarbij is aangegeven dat een vergoeding van € 1.500,– redelijk kan worden geacht, welke vergoeding aan betrokkene zal worden betaald. De Staat wijst er daarbij op dat het hier parallelle procedures betreft, die alle betrekking hebben op betrokkenes aanspraak op grond van de WAO, zodat kan worden volstaan met schadevergoeding in verband met de eerste procedure.

Ter zitting is namens de Staat € 500,– aan de toegekende schadevergoeding toegevoegd.

1.3. Namens het Uwv is - zoals ter zitting van de Raad nader toegelicht - in de eerste plaats het standpunt ingenomen dat in de eerste procedure aan de behandelingsduur voor het bezwaar, door de Raad in beginsel gesteld op zes maanden, een periode van drie maanden en 27 dagen dient te worden toegevoegd, nu de hoorzitting op betrokkenes verzoek driemaal is uitgesteld. Voorts heeft het Uwv aangevoerd niet in te zien dat - zoals in de rechtspraak van de Raad is neergelegd - de schadevergoeding voor de overschrijding van de redelijke termijn in een geval als het voorliggende grotendeels ten laste van het bestuursorgaan moet komen. Ten slotte heeft het Uwv zich op het standpunt gesteld dat de overschrijding van de redelijke termijn moet worden bezien op het moment van de uitspraak van de Raad van 25 juni 2009, nu het inhoudelijke geschil tussen partijen op die datum is geëindigd.

1.4. Betrokkenes gemachtigde heeft naar voren gebracht dat voor de drie procedures apart een schadevergoeding dient te worden toegekend.

2. De Raad overweegt het volgende.

2.1. De vraag of de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM, is overschreden moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Daarbij zijn van betekenis de ingewikkeldheid van de zaak, de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld, het processuele gedrag van de betrokkene gedurende de gehele rechtsgang en de aard van de maatregel en het daardoor getroffen belang van betrokkene, zoals ook uit de rechtspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens naar voren komt.

2.2. Zoals de Raad heeft overwogen in zijn uitspraak van 25 juni 2009 is de redelijke termijn voor een procedure in drie instanties in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar in beslag heeft genomen. Daarbij geldt dat de behandeling van het bezwaar ten hoogste een half jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar mag duren, terwijl doorgaans geen sprake zal zijn van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd. De in 2.1 vermelde criteria kunnen onder omstandigheden aanleiding geven overschrijding van deze behandelingsduren gerechtvaardigd te achten.

2.3. Door het Uwv is aangevoerd dat er in de eerste procedure aanleiding is een langere behandelingsduur dan in 2.2 weergegeven, gerechtvaardigd te achten nu de hoorzitting in de eerste bezwaarfase op verzoek van betrokkene tot driemaal toe is uitgesteld. De Raad kan zich hierin vinden en gaat op grond hiervan uit van een totale behandelingsduur van (afgerond) vier jaar en vier maanden.

2.4. Voor de wijze van beoordeling van een verzoek als het voorliggende verwijst de Raad naar zijn uitspraak van 25 maart 2009 (LJN BH9991). Zoals de Raad in die uitspraak heeft overwogen moet in een geval waarin een vernietiging van een besluit op bezwaar leidt tot een hernieuwde behandeling van het bewaar en - eventueel - een hernieuwde behandeling door de rechter, de overschrijding van de redelijke termijn in beginsel volledig aan het bestuursorgaan worden toegerekend. Indien echter in de loop van de hele procedure een of meer keren sprake is (geweest) van een langere behandelingsduur bij een rechterlijke instantie dan gerechtvaardigd, dan komt de periode waarmee die rechterlijke instantie de behandelingsduur heeft overschreden niet voor rekening van het bestuursorgaan maar van de Staat (het ministerie van Justitie). Daarbij is in aanmerking genomen dat de vervolgprocedure(s) noodzakelijk zijn geworden doordat het oorspronkelijke besluit op bezwaar de rechterlijke toetsing niet kon doorstaan.

2.5. Met het Uwv is de Raad van oordeel dat een schadeprocedure als deze, waarin uitsluitend de schade in verband met overschrijding van de redelijke termijn aan de orde is, niet langer in aanmerking dient te worden genomen bij de vaststelling van de schadevergoeding in verband met overschrijding van de redelijke termijn. De Raad neemt daarbij in aanmerking dat de rechtspraak omtrent de vergoeding van schade wegens overschrijding van de redelijke termijn inmiddels is uitgekristalliseerd, zowel wat betreft de hoogte van de te vergoeden schade als wat betreft de te volgen procedure. Zoals uit de rechtspraak van de Raad volgt, moet iedere instantie waar een verzoek om schadevergoeding voorligt, naar het moment van zijn beslissing in het geding beoordelen of de redelijke termijn op dat moment is overschreden en of er aanleiding is tot vergoeding van schade. Indien de procedure daarna nog wordt voortgezet, bijvoorbeeld doordat hoger beroep wordt ingesteld of doordat een bestuursorgaan na de vernietiging van een besluit een nieuwe beslissing dient te nemen, zal een volgende instantie - desgevraagd - moeten oordelen over de aanspraak op schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. In het voorliggende geding speelt daarbij nog mee dat bij de uitspraak van de Raad van 25 juni 2009 onherroepelijk is vastgesteld dat betrokkene geen aanspraak op een arbeidsongeschiktheidsuitkering had, zodat aan de met de procedure gepaard gaande spanning en frustratie op dat moment een einde is gekomen. De Raad tekent hierbij wel aan dat, indien een rechtbank of de Raad in een separate procedure de hoogte van de schadevergoeding vaststelt, deze procedure niet onnodig lang mag duren.

2.6. Voor de voorliggende zaken leidt dit ertoe dat de hoogte van de schadevergoeding moet worden beoordeeld naar de toestand ten tijde van de uitspraak van de Raad van 25 juni 2009. De eerste procedure had ten tijde van die uitspraak negen jaar en een halve maand geduurd. De redelijke termijn van - in dit geval - vier jaar en vier maanden is daarmee met vier jaar en ruim acht maanden overschreden. Dit leidt, bij een vergoeding van € 500,– per half jaar of gedeelte daarvan, tot een schadevergoeding van € 5.000,–. De behandeling door rechtbank en Raad tezamen heeft in de eerste rechterlijke fase vier jaar en vijf maanden en in de tweede rechterlijke fase drie jaar en ruim zes maanden geduurd, waarmee de rechter de hem toekomende behandelingsduur van drie en een half jaar in de eerste fase met bijna een jaar en in de tweede fase met enkele weken heeft overschreden. Gezien deze overschrijding is de door de Staat toegekende schadevergoeding van € 2.000,– niet te laag. De resterende € 3.000,– komt ten laste van het Uwv. De Raad zal het Uwv en de Staat tot vergoeding van deze bedragen veroordelen. De separate procedure voor de vaststelling van de hoogte van de schadevergoeding heeft niet onnodig lang geduurd.

2.7. Onder verwijzing naar overweging 6.7 in zijn uitspraak van 30 juni 2009 (LJN BJ2125) is de Raad van oordeel dat in de overige procedures kan worden volstaan met de vaststelling dat de redelijke termijn is overschreden. De Raad neemt daarbij in aanmerking dat ook in het voorliggende geval zowel de eerste als de tweede en de derde procedure betrekking had op betrokkenes recht op een WAO-uitkering, zodat deze procedures in hoofdzaak betrekking hadden op hetzelfde onderwerp. Van extra spanning en frustratie was door de tweede en de derde procedure derhalve geen sprake.

3. De Raad ziet ten slotte aanleiding om de Staat en het Uwv te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in deze schadeprocedure. Deze kosten worden begroot op € 322,– ten laste van de Staat en € 322,– ten laste van het Uwv, voor verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Veroordeelt de Staat der Nederlanden (het ministerie van Justitie) tot betaling aan betrokkene van een schadevergoeding ten bedrage van € 2.000,–;

Veroordeelt het Uwv tot betaling aan betrokkene van een schadevergoeding ten bedrage van € 3.000,–;

Veroordeelt de Staat der Nederlanden (het ministerie van Justitie) in de proceskosten van betrokkene tot een bedrag van € 322,–;

Veroordeelt het Uwv in de proceskosten van betrokkene tot een bedrag van € 322,–.

Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade als voorzitter en H.J. Simon en H.J. de Mooij als leden, in tegenwoordigheid van W. Altenaar als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 mei 2010.

(get.) M.M. van der Kade.

(get.) W. Altenaar.

RH