Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BM3927

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-04-2010
Datum publicatie
12-05-2010
Zaaknummer
09-2849 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WAO-uirkering toe te kennen. In een eerder tussen partijen gewezen uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 15 mei 2008, 07/3831, is door de rechtbank als haar oordeel gegeven dat betrokkene geacht moet worden de wachttijd van (toen) 52 weken als bedoeld in de WAO te hebben vervuld en dat, voor zover ten gevolge van de late aanvang van de WAO-beoordeling twijfel bestaat omtrent de medische situatie van betrokkene, deze gelet op het gegeven dat betrokkene in 1991 vrijwel maandelijks is verschenen op het speekuur van de CNSS zodat niet valt in te zien dat het Uwv niet tijdig de beoordeling van de mate van betrokkenes arbeidsongeschiktheid in het kader van de WAO kon aanvangen, deze twijfel niet voor rekening van betrokkene kan worden gelaten. Tevens heeft de rechtbank geoordeeld dat het standpunt van het Uwv dat tot aan de datum in geding op geen enkel moment een psychische problematiek aan de orde komt, voldoende onderbouwd is. Appellant is toen door de rechtbank opgedragen de betreffende maagklachten alsnog te beoordelen. Partijen hebben berust in deze uitspraak, zodat, gelet op het thans bestreden besluit waarbij beslist is dat per 23 januari 1992 geen recht bestaat op WAO-uitkering omdat betrokkene geschikt wordt geacht tot het verrichten van de door hem laatstelijk verrichte werkzaamheden in een bamikokerij, de vraag aan de orde is of appellant met het belastbaarheidspatroon van 4 juni 2008 de medische beperkingen van betrokkene op juiste wijze in kaart heeft gebracht en of betrokkene terecht geschikt is geacht tot het verrichten van zijn eigen werk per 23 januari 1992. De Raad kan zich vinden in het standpunt van appellant dat in de voorhanden zijnde medische informatie uit 1991/1992 weliswaar naar voren komt dat betrokkene op 23 januari 1991 is uitgevallen ter zake van borst- en maagklachten, op grond waarvan toen door een verzekeringsarts van (een rechtsvoorganger van) appellant is geoordeeld dat betrokkene ongeschikt was voor zijn arbeid en dat uit de medische verklaringen uit Marokko. Aldus ziet de Raad geen aanknopingspunt te twijfelen aan de juistheid van het belastbaarheidspatroon van 4 juni 2008. De weigering van appellant om betrokkene een WAO-uitkering toe te kennen per 23 januari 1992 op de grond dat betrokkene geschikt moet worden geacht zijn eigen werk te verrichten, kan de rechterlijke toets derhalve doorstaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/2849 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 16 april 2009, 08/3061

(hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

de erven van [betrokkene], wonende te [woonplaats], Marokko (hierna: de erven)

en

appellant.

Datum uitspraak: 29 april 2010

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld. Ter onderbouwing van het hoger beroep is op 30 juni 2009 een rapportage van 17 juni 2009 van bezwaarverzekeringsarts W.M. Koek ingediend.

Namens de erven heeft mr. E.M. van den Brom, advocaat te Amsterdam, een verweerschrift ingediend. Op 18 september 2009 heeft medisch adviseur J.H. Schumacher, arts, een rapport uitgebracht.

Namens appellant heeft bezwaarverzekeringsarts Koek hier op 5 oktober 2009 op gereageerd.

Bij brief van 12 februari 2010 heeft Schumacher op deze rapportage commentaar geleverd, op 9 maart 2010 heeft Koek nogmaals gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 maart 2010. Appellant was vertegenwoordigd door A. Anandbahadoer. Namens de erven is verschenen mr. Van den Brom, voornoemd.

II. OVERWEGINGEN

1.1. De gegevens die als feiten in de aangevallen uitspraak zijn vermeld, worden door partijen niet betwist en vormen derhalve voor de Raad het uitgangspunt bij zijn oordeelsvorming.

1.2. De rechtbank heeft geoordeeld dat door appellant onvoldoende onderbouwd is dat de klachten van [betrokkene] (hierna: betrokkene), gegeven de omstreeks de datum in geding (23 januari 1992) door de arts A. Ben Bassir in Marokko gestelde diagnose, niet tot beperkingen in de zin van de WAO hebben geleid. Naar het oordeel van de rechtbank hebben voor appellant verschillende wegen opengestaan om tot een beoordeling van de aanspraken van betrokkene te komen en mag de onzekerheid omtrent de medische situatie van betrokkene omstreeks de datum in geding, niet voor zijn risico komen. De rechtbank heeft, voor zover in hoger beroep van belang, appellant opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van hetgeen in haar uitspraak is overwogen.

2.1. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft aangenomen dat door de arts Ben Bassir een diagnose is gesteld, waar de term ‘colopathie’ (slechts) staat voor een klacht aan het colon. Met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid is er op einde wachttijd geen sprake geweest van een dikke darmziekte, zodat terecht ter zake daarvan geen beperkingen zijn opgenomen in het belastbaarheidspatroon van 4 juni 2008. Bezwaarverzekeringsarts W.M. Koek heeft op 17 juni 2009 gerapporteerd dat een medische oorzaak van de klacht in de stukken niet wordt genoemd en dat ook na einde wachttijd deze klachten niet meer terug komen. Ter zake van deze klacht is geen medicatie voorgeschreven en van onderzoek of behandeling is niet gebleken.

2.2. Namens de erven is in hoger beroep aangevoerd dat betrokkene, die in 2003 is overleden, leed aan de ziekte van Crohn, een chronisch ontstekingsproces van meestal het laatste deel van de dunne darm en het colon. Het ziektebeloop (gedurende jaren) wordt gekenmerkt door opvlammingen van de ontstekingsprocessen met hier tussendoor perioden van betrekkelijke rust, aldus het rapport van 18 september 2009 van de arts Schumacher.

2.3. Van de kant van appellant wordt bestreden dat in de ziekenhuisverslagen uit 2003 de diagnose M. Crohn wordt genoemd en dat evenmin in 2003 afwijkingen worden gevonden of beschreven in het operatieverslag die de diagnose M. Crohn rechtvaardigen. Het wordt niet aannemelijk geacht dat betrokkene 11 jaar lijdende is geweest aan een ernstige chronische darmziekte zonder dat intensieve behandeling heeft plaatsgehad.

3. De Raad overweegt als volgt.

3.1. In een eerder tussen partijen gewezen uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

15 mei 2008, 07/3831, is door de rechtbank als haar oordeel gegeven dat betrokkene geacht moet worden de wachttijd van (toen) 52 weken als bedoeld in de WAO te hebben vervuld en dat, voor zover ten gevolge van de late aanvang van de WAO-beoordeling twijfel bestaat omtrent de medische situatie van betrokkene, deze gelet op het gegeven dat betrokkene in 1991 vrijwel maandelijks is verschenen op het speekuur van de CNSS zodat niet valt in te zien dat het Uwv niet tijdig de beoordeling van de mate van betrokkenes arbeidsongeschiktheid in het kader van de WAO kon aanvangen, deze twijfel niet voor rekening van betrokkene kan worden gelaten. Tevens heeft de rechtbank geoordeeld dat het standpunt van het Uwv dat tot aan de datum in geding op geen enkel moment een psychische problematiek aan de orde komt, voldoende onderbouwd is. Appellant is toen door de rechtbank opgedragen de betreffende maagklachten alsnog te beoordelen.

3.2. Partijen hebben berust in deze uitspraak, zodat, gelet op het thans bestreden besluit waarbij beslist is dat per 23 januari 1992 geen recht bestaat op WAO-uitkering omdat betrokkene geschikt wordt geacht tot het verrichten van de door hem laatstelijk verrichte werkzaamheden in een bamikokerij, de vraag aan de orde is of appellant met het belastbaarheidspatroon van 4 juni 2008 de medische beperkingen van betrokkene op juiste wijze in kaart heeft gebracht en of betrokkene terecht geschikt is geacht tot het verrichten van zijn eigen werk per 23 januari 1992.

3.3. In het belastbaarheidspatroon van 4 juni 2008, opgesteld door bezwaarverzekeringsarts Koek, zijn alleen beperkingen opgenomen ter zake van stof, rook, gas en damp met een korte toelichting. Als diagnose werd daarbij gehanteerd astmatische bronchitis. Uit het rapport van gelijke datum komt naar voren dat deze bezwaarverzekeringsarts van mening is dat de maagklachten niet leiden tot verdergaande beperkingen. Daarbij heeft zij erop gewezen dat betrokkene zich op 23 januari 1991 heeft ziekgemeld met borst- en maagklachten, dat, gelet op de medicijnen die betrokkene toen zijn voorgeschreven, gedacht moet worden aan een maagwandontsteking, welke aandoening met de toen voorgeschreven kuur van 30 dagen meestal binnen 4-6 weken geneest. Op 9 augustus 1991 is er een medicatievoorschrift afgegeven waarbij geen maagmedicatie meer wordt voorgeschreven, zodat aannemelijk is dat de maagwandontsteking over was en te dien aanzien geen sprake meer is arbeidsongeschiktheid. Uit het recept is wel op te maken dat betrokkene een antibioticumkuur heeft wegens een bronchitis. De maag/darmklachten zijn in de loop van 1991 geen reden (meer) geweest voor behandeling, zodat er geen reden is voor het aannemen van specifieke beperkingen op einde wachttijd. Dit wordt mede ondersteund door berichtgevingen vele jaren later waarin alleen de aanvalsgewijze longklachten worden genoemd en nimmer meer de maag/darmklachten, aldus Koek.

3.4. De Raad kan zich vinden in het standpunt van appellant dat in de voorhanden zijnde medische informatie uit 1991/1992 weliswaar naar voren komt dat betrokkene op 23 januari 1991 is uitgevallen ter zake van borst- en maagklachten, op grond waarvan toen door een verzekeringsarts van (een rechtsvoorganger van) appellant is geoordeeld dat betrokkene ongeschikt was voor zijn arbeid en dat uit de medische verklaringen uit Marokko, te weten de formulieren en verklaringen afkomstig van de CNSS – uit welke stukken niet blijkt van een oordeel omtrent arbeidsongeschiktheid –, de medische verklaringen vanaf 6 maart 1991 van de arts Ben Bassir en de verklaring van 9 augustus 1991 van de longarts M. Daoudi, naast chronische bronchiale astma, als ‘diagnose’ colopathie en gastritis worden genoemd, maar dat niet is kunnen blijken dat er een onderzoek heeft plaatsgevonden op grond waarvan deze diagnosen zijn gesteld. Ook is niet van een behandeling van maag/darmklachten gebleken en ziekteverschijnselen als bijvoorbeeld obstipatie of diarree worden niet vermeld. Ter zake van de colopathie en de gastritis zijn blijkbaar geen medicijnen voorgeschreven. In de verklaringen van latere datum, te weten de verklaring van 9 december 1992 vanwege het Hopital Ibn Al Hassan te Fès en van 16 augustus 1995 van longarts Daoudi wordt in het geheel geen melding (meer) gemaakt van maag/darmbezwaren.

3.5. De Raad ziet daarbij geen aanleiding betekenis toe te kennen aan de medische bevindingen uit Marokko in 2003 voor de vaststelling van de medische beperkingen van betrokkene per de datum in geding, nu ook door de arts Schumacher is erkend dat met het begrip ‘colopathie’ nog niet bekend is om welke specifieke darmaandoening het gaat en dat de diagnose M. Crohn vrijwel zeker niet meteen in 1991 kon worden gesteld.

3.6. Aldus ziet de Raad geen aanknopingspunt te twijfelen aan de juistheid van het belastbaarheidspatroon van 4 juni 2008. Niet gesteld of gebleken is dat betrokkene op basis van dit belastbaarheidspatroon niet in staat geacht kon worden zijn eigen werk in de bamikokerij – de omschrijving van 19 december 2001 van de belasting van dit werk door arbeidsdeskundige J. Zoetelief is eveneens niet in geschil – te hebben kunnen verrichten. De weigering van appellant om betrokkene een WAO-uitkering toe te kennen per 23 januari 1992 op de grond dat betrokkene geschikt moet worden geacht zijn eigen werk te verrichten, kan de rechterlijke toets derhalve doorstaan.

3.7. Gelet op het overwogene onder 3.1 tot en met 3.6 slaagt het hoger beroep, moet de aangevallen uitspraak worden vernietigd en moet het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond worden verklaard.

4. De Raad ziet geen aanleiding tot het uitspreken van een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door G. van der Wiel als voorzitter en G.J.H. Doornewaard en R. Kruisdijk als leden, in tegenwoordigheid van I. Mos als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 april 2010.

(get.) G. van der Wiel.

(get.) I. Mos.

TM