Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BM3908

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-05-2010
Datum publicatie
11-05-2010
Zaaknummer
09-2499 WIA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen recht op een WIA- uitkering omdat op theoretische en praktische gronden een verlies aan verdiencapaciteit is berekend van minder dan 35%. Medisch onderzoek voldoende zorgvuldig. Juistheid FML. Voorgehouden functies in medisch opzicht geschikt. Alle mogelijke overschrijdingen zijn voldoende toegelicht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/2499 WIA

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 24 maart 2009, 08/2031 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

(hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 7 mei 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. S.G.C. van Ingen, werkzaam bij ARAG Rechtsbijstand te Leusden, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 april 2010, waar appellant is verschenen samen met zijn gemachtigde. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.W.A. Blind.

II. OVERWEGINGEN

1. Appellant, die laatstelijk werkzaam was als medewerker papierproject in WSW-verband, is op 26 juni 2006 uitgevallen wegens nekklachten en hoofdpijn na een auto-ongeval met kop-staartbotsing.

2.1. Het beroep van appellant richtte zich tegen het besluit van 10 oktober 2008 (hierna: bestreden besluit) waarbij het Uwv heeft gehandhaafd zijn besluit van 8 mei 2008, strekkende tot de vaststelling dat appellant geen recht heeft op een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) per 23 juni 2008 omdat op theoretische en praktische gronden een verlies aan verdiencapaciteit is berekend van minder dan 35%.

2.2. De rechtbank heeft het beroep van appellant ongegrond verklaard. De rechtbank kan zich blijkens de overwegingen van de aangevallen uitspraak verenigen met de medische en arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit.

3. Namens appellant zijn de beroepsgronden herhaald. Appellant blijft - kort samengevat - van mening dat hij meer beperkt is dan is aangenomen en dat ten onrechte geen urenbeperking is aangenomen. Ter ondersteuning is verwezen naar het rapport van de arts J.G. van der Vlier en is verzocht om inschakeling van een deskundige. Ten slotte zijn beroepsgronden naar voren gebracht met betrekking tot de geschiktheid van het eigen werk en de geselecteerde functies. Appellant heeft gesteld dat zijn eigen werk niet geschikt is omdat hij niet kan autorijden.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. De Raad is van oordeel dat het medisch onderzoek voldoende zorgvuldig is geweest. Hij heeft geen reden om de onderzoeksbevindingen van de (bezwaar)verzekeringsartsen met betrekking tot de klachten en de daaruit voortvloeiende beperkingen in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) voor onjuist te houden. De Raad neemt hierbij in aanmerking dat appellant door beide artsen is onderzocht en dat de informatie van de behandelende sector, huisarts, bedrijfsarts en het deskundigenoordeel van G.J. de Gier afdoende zijn meegewogen. Ook is door de bezwaarverzekeringsarts voldoende gereageerd op de bevindingen van de arts Van der Vlier. Nu appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn beperkingen in de FML onjuist zijn vastgesteld, is voor de Raad aldus genoegzaam vast komen te staan dat de medische grondslag van het bestreden besluit juist is. Het verzoek om inschakeling van een deskundige wijst de Raad dan ook af.

4.2. Voor wat betreft de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit, overweegt de Raad als volgt. De Raad wijst de beroepsgrond af dat appellant niet kan autorijden, nu dit niet is onderbouwd met medische stukken. De Raad acht het, gelet op de verklaringen van appellant ter zitting, aannemelijk dat appellant in het (aangepaste) eigen werk wel heeft autogereden. Wat daar verder ook van zij, in ieder geval heeft de Raad geen aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat de aan appellant voorgehouden functies voor hem in medisch opzicht niet geschikt zouden zijn. De Raad is van oordeel dat alle mogelijke overschrijdingen voldoende zijn toegelicht.

5. Het vorenstaande betekent dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M. Greebe, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 mei 2010.

(get.) M. Greebe.

(get.) M.A. van Amerongen.

CVG