Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BM3890

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-05-2010
Datum publicatie
12-05-2010
Zaaknummer
08-6423 Wajong
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering AAW en WAO toe te kennen met ingang van 1 augustus 1994. Afwijzing aanvraag om een Wajong- uitkering toe te kennen. Het Uwv de onderhavige aanvraag van appellant terecht aangemerkt als een verzoek om terug te komen van het besluit van 1 juli 1994. In dat kader dient vervolgens beoordeeld te worden of er sprake is van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden die aanleiding geven om te twijfelen aan de juistheid van het besluit van 1 juli 1994. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat hiervan geen sprake is. Daarbij neemt de Raad in aanmerking dat ten tijde van het besluit van 1 juli 1994 de diagnose schizo-affectieve stoornis al was gesteld, zoals naar voren komt uit de brief van 2 augustus 2005 van de Bavo RNO Groep.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/6423 Wajong

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant)

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 3 november 2008, 08/1912 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

(hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 7 mei 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A. den Arend-de Winter, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 maart 2010. Namens appellant is zijn gemachtigde verschenen. Het Uwv heeft zich met voorafgaande kennisgeving niet laten vertegenwoordigen.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant, geboren [in] 1964 en laatstelijk werkzaam als horecahulp, is op 2 augustus 1993 voor deze werkzaamheden uitgevallen als gevolg van psychische klachten. Op 5 augustus 1993 heeft appellant een aanvraag ingediend bij het Uwv om toekenning van een uitkering ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO).

1.2. Bij besluit van 1 juli 1994 is geweigerd appellant, na het doorlopen van de wettelijke wachttijd, met ingang van 1 augustus 1994 een uitkering ingevolge de AAW en WAO toe te kennen op de grond dat de mate van zijn arbeidsongeschiktheid per die datum minder dan 25% dan wel minder dan 15% bedroeg. Bij uitspraak van 21 september 1995 van de rechtbank Rotterdam (94/3593) is het beroep van appellant tegen dit besluit ongegrond verklaard.

1.3. Op 5 november 2007, door het Uwv ontvangen op 7 november 2007, heeft appellant een aanvraag ingediend om in aanmerking te komen voor een uitkering ingevolge de - destijds zogeheten - Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) wegens (klachten van) schizofrenie.

1.4. Bij besluit van 19 november 2007 heeft het Uwv de aanvraag van appellant aangemerkt als een verzoek om terug te komen van het besluit van 1 juli 1994 en beslist dat deze aanvraag dient te worden afgewezen aangezien uit het ingestelde onderzoek is gebleken dat er geen nieuwe feiten of omstandigheden waren die tot de conclusie leiden dat het besluit van 1 juli 1994 onjuist zou zijn.

1.5. Bij besluit van 25 april 2008 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 19 november 2007 ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het Uwv ter beoordeling van het recht van appellant op een arbeidsongeschiktheidsuitkering terecht is uitgegaan van de AAW. Voorts heeft de rechtbank zich verenigd met het standpunt van het Uwv dat als er sprake zou zijn van arbeidsongeschiktheid per 28 augustus 1982, de 18de verjaardag van appellant, deze zou zijn geƫindigd per 1 augustus 1994, gelet op het besluit van 1 juli 1994. Gelet hierop heeft het Uwv zich naar het oordeel van de rechtbank terecht op het standpunt gesteld dat de aanvraag van appellant moet worden geduid als een verzoek om terug te komen van het besluit van 1 juli 1994.

3. In hoger beroep heeft appellant - kort samengevat - aangevoerd dat het Uwv de aanvraag van appellant ten onrechte heeft aangemerkt als een verzoek om terug te komen van het besluit van 1 juli 1994. Naar mening van appellant moet er naar aanleiding van zijn aanvraag een einde wachttijd beoordeling plaatsvinden op grond van de bepalingen van de destijds geldende AAW.

4.1. De Raad overweegt als volgt.

4.2. In artikel 29, tweede lid, eerste zin, van de Wajong, is bepaald dat de uitkering niet vroeger kan ingaan dan een jaar voor de dag waarop de aanvraag om toekenning werd ingediend. In bijzondere gevallen kan van het bepaalde in de vorige volzin worden afgeweken. Zoals naar voren komt uit een telefoonnotitie van 26 maart 2008 van een gesprek tussen de gemachtigde van appellant en een medewerker van de afdeling Bezwaar en Beroep claimt appellant betaling van een Wajong-uitkering vanaf een jaar voor de datum van de aanvraag. Overigens geldt dat niet is kunnen blijken van omstandigheden waardoor appellant niet in staat zou zijn geweest tijdig een aanvraag in te dienen. Gelet op het voorgaande is er in het geval van appellant geen sprake van een bijzonder geval, zodat aan appellant naar aanleiding van de onderhavige aanvraag niet eerder een arbeidsongeschiktheidsuitkering kan worden toegekend dan met ingang van 5 november 2006.

4.3. De beslissing van 1 juli 1994 staat echter in de weg aan toekenning van een arbeidsongeschiktheidsuitkering met ingang van 5 november 2006, zoals ook door het Uwv nader is gemotiveerd in het verweerschrift van 17 september 2008 bij de rechtbank. Met de rechtbank is de Raad verder van oordeel dat de aanspraak van appellant op toekenning van een arbeidsongeschiktheidsuitkering met ingang van 28 augustus 1982 dient te worden beoordeeld aan de hand van de destijds geldende bepalingen van de AAW. Indien deze beoordeling tot de conclusie zou leiden dat appellant met ingang van 28 augustus 1982 recht had op een AAW-uitkering, dan zou die uitkering in ieder geval beƫindigd zijn met ingang van 1 augustus 1994, gelet op het besluit van 1 juli 1994. Met het besluit van 1 juli 1994 en de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 21 september 1995, is in rechte vast komen te staan dat appellant op en na 1 augustus 1994 geen recht had op een AAW-uitkering. Nu appellant eerst aanspraak kan maken op toekenning van een arbeidsongeschiktheidsuitkering met ingang van 5 november 2006 als hij vanaf 28 augustus 1982 (doorlopend) arbeidsongeschikt is geweest, staat de beslissing van 1 juli 1994 daaraan in de weg. Ten slotte is gesteld noch gebleken dat er sprake is geweest van een situatie van toegenomen beperkingen ten gevolge van dezelfde ziekteoorzaak binnen vijf jaar na 1 augustus 1994 op grond waarvan mogelijk sprake zou kunnen zijn geweest van toekenning van een Wajong-uitkering.

4.4. Gelet op overweging 4.2 en 4.3 heeft het Uwv de onderhavige aanvraag van appellant terecht aangemerkt als een verzoek om terug te komen van het besluit van 1 juli 1994. In dat kader dient vervolgens beoordeeld te worden of er sprake is van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden die aanleiding geven om te twijfelen aan de juistheid van het besluit van 1 juli 1994. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat hiervan geen sprake is. Daarbij neemt de Raad in aanmerking dat ten tijde van het besluit van 1 juli 1994 de diagnose schizo-affectieve stoornis al was gesteld, zoals naar voren komt uit de brief van 2 augustus 2005 van de Bavo RNO Groep.

4.5. Uit de overwegingen 4.2 tot en met 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en C.W.J. Schoor en J.P.M. Zeijen als leden, in tegenwoordigheid van I. Mos als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 mei 2010.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) I. Mos.

TM