Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BM3888

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-05-2010
Datum publicatie
12-05-2010
Zaaknummer
09/3934 WAO en 09/3935 WAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

1. Bezwaar gegrond. Toekenning WAO-uitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%. 2. Ter uitvoering van de uitspraak van de Raad heeft appellant op 15 augustus 2008 een nieuw besluit op bezwaar genomen (bestreden besluit 1), waarbij het bezwaar van betrokkene tegen het besluit van 2 augustus 2004 wederom gegrond is verklaard en aan betrokkene met ingang van 18 juni 2004 een WAO-uitkering is toegekend, (ongewijzigd) berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%. De Raad heeft in zijn uitspraak van 25 april 2008 geoordeeld dat, nu bij een aantal items in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) is aangegeven dat de normaalwaarde geldt, maar daarbij in een toelichting door de verzekeringsarts is vermeld dat rechts licht dan wel sterk beperkt is, de medische geschiktheid van de geduide functies niet afdoende inzichtelijk en verifieerbaar was gemaakt door appellant. De Raad gaf derhalve geen oordeel over de medische grondslag van bestreden besluit 1 als zodanig. Evenmin leest de Raad in zijn uitspraak van 25 april 2008 - anders dan de rechtbank - dat er een nieuw medisch onderzoek door appellant had moeten plaatsvinden. Wat betreft de arbeidskundige grondslag van bestreden besluit 1 is de Raad van oordeel dat appellant met het arbeidskundige rapport van 8 augustus 2008 genoegzaam heeft toegelicht dat de aan de schatting ten grondslag gelegde functies. Nu het er aldus voor moet worden gehouden dat de uitkering van betrokkene terecht met ingang van 18 juni 2004 is vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%, staat tevens vast dat hetgeen vanaf die datum tot en met 31 augustus 2004 meer is betaald dan overeenkomstig die klasse, onverschuldigd aan betrokkene is betaald. Appellant was op grond van artikel 57 van de WAO gehouden tot terugvordering daarvan. Evenmin als de rechtbank ziet de Raad dringende redenen op grond waarvan het Uwv geheel of gedeeltelijk van terugvordering had dienen af te zien.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/3934 en 09/3935 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 5 juni 2009, 08/3742 en 08/3743 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[Betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene)

en

appellant.

Datum uitspraak: 7 mei 2010

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Bij schrijven van 28 juli 2009 heeft appellant de gronden van het hoger beroep ingediend, met daarbij gevoegd een rapport van 21 juli 2009 van bezwaarverzekeringsarts W.M. Koek.

Namens betrokkene heeft mr. drs. W. Hoebba, advocaat te Amsterdam, een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 5 maart 2010. Namens appellant is verschenen mr. M.H.A.H. Smithuysen. Betrokkene is in persoon verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Voor een overzicht van de relevante feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar hetgeen de rechtbank hieromtrent in de aangevallen uitspraak heeft overwogen. Hier volstaat de Raad met het volgende.

1.2. Bij besluit van 9 december 2004 heeft appellant het bezwaar van betrokkene tegen het besluit van 2 augustus 2004 gegrond verklaard en aan betrokkene met ingang van 18 juni 2004 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%.

1.3. Bij besluit van 26 april 2005 heeft appellant ongegrond verklaard het bezwaar van betrokkene tegen het besluit van 10 februari 2005, waarbij van betrokkene een bedrag van € 2.711,29 bruto aan onverschuldigd betaalde WAO-uitkering over de periode van 18 juni 2004 tot en met 31 augustus 2004 is teruggevorderd.

1.4. Bij uitspraak van de Raad van 25 april 2008 (LJN BD1581) heeft de Raad de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 28 juni 2006, 05/566, vernietigd, het beroep tegen het besluit van 9 december 2004 gegrond verklaard en dat besluit vernietigd. Tevens is bij voormelde uitspraak van de Raad de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 3 mei 2006, 05/1288, vernietigd, het beroep tegen het besluit van 26 april 2005 gegrond verklaard en dat besluit vernietigd. De Raad heeft aan appellant opdracht gegeven om met inachtneming van zijn uitspraak nieuwe besluiten op bezwaar te nemen.

1.5. Ter uitvoering van de in 1.4 vermelde uitspraak van de Raad heeft appellant op 15 augustus 2008 een nieuw besluit op bezwaar genomen (bestreden besluit 1), waarbij het bezwaar van betrokkene tegen het besluit van 2 augustus 2004 wederom gegrond is verklaard en aan betrokkene met ingang van 18 juni 2004 een WAO-uitkering is toegekend, (ongewijzigd) berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%.

1.6. Bij afzonderlijk besluit van eveneens 15 augustus 2008 (bestreden besluit 2) heeft appellant het bezwaar van betrokkene tegen het besluit van 10 februari 2005 ongegrond verklaard.

2.1. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen de bestreden besluiten 1 en 2 gegrond verklaard, de bestreden besluiten vernietigd en het Uwv opgedragen nieuwe besluiten op bezwaar te nemen met inachtneming van hetgeen in haar uitspraak is overwogen. Verder heeft de rechtbank beslissingen gegeven over vergoeding aan betrokkene van het griffierecht en de proceskosten.

2.2. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat uit de in 1.4 vermelde uitspraak van de Raad van 25 april 2008 is af te leiden dat de beslissing op bezwaar van 9 december 2004 op zowel medische als arbeidskundige gronden is vernietigd. Naar het oordeel van de rechtbank heeft appellant met de motivering in bestreden besluit 1 en de nadere arbeidskundige rapportage van 8 augustus 2008 onvoldoende uitvoering gegeven aan de overwegingen in de uitspraak van de Raad van 25 april 2008. De rechtbank heeft vastgesteld dat appellant geen nader medisch onderzoek heeft laten verrichten maar heeft volstaan met het vermelden van een nadere toelichting ten aanzien van een aantal beperkingen van de rechterarm in het bestreden besluit. Wat betreft het rapport van 8 augustus 2008 van bezwaararbeidsdeskundige G.J.W. van der Hulst heeft de rechtbank overwogen dat deze bezwaararbeidsdeskundige al eerder in de procedure een nadere toelichting heeft gegeven op de signaleringen bij de geduide functies, welke door de Raad in zijn uitspraak van 25 april 2008 onvoldoende is geacht. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat in het rapport van 8 augustus 2008 weliswaar diverse nadere toelichtingen zijn gegeven, maar de rechtbank heeft reeds bij gebreke aan een nader medisch onderzoek niet kunnen beoordelen of de geduide functies in medisch opzicht geschikt te achten zijn voor betrokkene, waarbij voldoende rekening is gehouden met het beperkte gebruik van de (dominante) rechterarm.

2.3. Gelet op overweging 2.2 heeft de rechtbank bestreden besluit 1 vernietigd wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Dientengevolge is aan bestreden besluit 2 inzake de terugvordering van de onverschuldigd betaalde WAO-uitkering de grondslag komen te ontvallen, zodat dat besluit eveneens is vernietigd. Voorts heeft de rechtbank appellant opgedragen opnieuw te beslissen op de bezwaren van appellant. De rechtbank heeft met het oog op die opdracht overwogen dat appellant een zorgvuldig nader medisch en arbeidskundig onderzoek dient te verrichten. Daarbij heeft de rechtbank appellant in overweging gegeven dat het ten behoeve van de transparantie en zorgvuldigheid is aan te bevelen als het nadere arbeidskundige onderzoek verricht wordt door een andere arbeidsdeskundige, die niet reeds eerder bij de procedure betrokken is geweest.

3.1. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd - kort samengevat - dat in de uitspraak van de Raad van 25 april 2008 niet valt te lezen dat een nieuw medisch onderzoek is aangewezen. Naar de mening van appellant heeft de Raad alleen geoordeeld dat onvoldoende inzichtelijk en verifieerbaar is gemaakt dat betrokkene in medisch opzicht in staat moet worden geacht de geduide functies te verrichten. Naar aanleiding van de uitspraak van de Raad heeft het Uwv de arbeidskundige grondslag van bestreden besluit 1 nader gemotiveerd met het arbeidskundige rapport van 8 augustus 2008, waarin een nadere toelichting is gegeven op de signaleringen bij de geduide functies. Tevens heeft appellant in de nieuwe beslissing op bezwaar van 15 augustus 2008 een nadere toelichting gegeven met betrekking tot de door de verzekeringsarts aangegeven beperkingen van de rechterarm.

3.2. Betrokkene heeft zelf geen hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank. Betrokkene heeft zich in verweer gesteld achter het oordeel van de rechtbank.

4.1. De Raad overweegt als volgt.

4.2.1. De Raad heeft in zijn uitspraak van 25 april 2008 geoordeeld dat, nu bij een aantal items in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) is aangegeven dat de normaalwaarde geldt, maar daarbij in een toelichting door de verzekeringsarts is vermeld dat rechts licht dan wel sterk beperkt is, de medische geschiktheid van de geduide functies niet afdoende inzichtelijk en verifieerbaar was gemaakt door appellant. De Raad gaf derhalve geen oordeel over de medische grondslag van bestreden besluit 1 als zodanig. Evenmin leest de Raad in zijn uitspraak van 25 april 2008 - anders dan de rechtbank - dat er een nieuw medisch onderzoek door appellant had moeten plaatsvinden.

4.2.2. Wat betreft de arbeidskundige grondslag van bestreden besluit 1 is de Raad van oordeel dat appellant met het arbeidskundige rapport van 8 augustus 2008 genoegzaam heeft toegelicht dat de aan de schatting ten grondslag gelegde functies van sociaal raadsvrouw (sbc-code 763050), commercieel administratief medewerkster (sbc-code 516110) en arbeidsbemiddelaar, personeelsfunctionaris (sbc-code 763100) in medisch opzicht geschikt te achten zijn voor betrokkene. Daarbij neemt de Raad in aanmerking dat in dit rapport de belastbaarheid volgens de FML ten aanzien van de items, waarvoor wat betreft het gebruik van de rechterarm een toelichting op de normaalwaarde is gegeven, is vergeleken met de belasting in de betreffende functies. Deze belastbaarheid komt overeen met de omschrijving van de waarden van de betreffende items in de destijds geldende Gebruikershandleiding CBBS. De in hoger beroep overgelegde medische rapportage van 21 juli 2009 geeft een nadere verduidelijking van hetgeen reeds in het rapport van

8 augustus 2008 door het Uwv was toegelicht inzake de belastbaarheid van de rechterarm van betrokkene en de belasting van de rechterarm in de geduide functies. In dit verband heeft het Uwv ter zitting nog opgemerkt dat de toelichting ‘rechts sterk beperkt’ op het item frequent reiken tijdens het werk inhoudt dat met de rechterarm ongeveer 300 maal per uur mag worden gereikt, en niet 50 maal per uur, zoals kennelijk per abuis is vermeld in de medische rapportage van 21 juli 2009.

4.3. Nu het er aldus voor moet worden gehouden dat de uitkering van betrokkene terecht met ingang van 18 juni 2004 is vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%, staat tevens vast dat hetgeen vanaf die datum tot en met 31 augustus 2004 meer is betaald dan overeenkomstig die klasse, onverschuldigd aan betrokkene is betaald. Appellant was op grond van artikel 57 van de WAO gehouden tot terugvordering daarvan. Evenmin als de rechtbank ziet de Raad dringende redenen op grond waarvan het Uwv geheel of gedeeltelijk van terugvordering had dienen af te zien.

4.4. Uit de overwegingen 4.1 tot en met 4.3 volgt dat het hoger beroep slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Tevens dienen de beroepen tegen de bestreden besluiten 1 en 2 ongegrond te worden verklaard.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart de beroepen tegen de bestreden besluiten 1 en 2 ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en C.W.J. Schoor en J.P.M. Zeijen als leden, in tegenwoordigheid van I. Mos als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 mei 2010.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) I. Mos.

TM