Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BM3875

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-05-2010
Datum publicatie
11-05-2010
Zaaknummer
08-4108 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering. Geen aanknopingspunten voor het oordeel dat voor appellante ten tijde hier van belang verdergaande beperkingen hebben te gelden dan de beperkingen waarvan de verzekeringsartsen zijn uitgegaan. Geschiktheid geduide functies.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/4108 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 29 mei 2008, 06/6475 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 7 mei 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. H. Mollema-de Jong, advocaat te Amersfoort, hoger beroep ingesteld.

Bij het beroepschrift waren onder meer gevoegd een op 10 maart 2008 door de bedrijfsarts H. Brouwer ondertekende rapportage medisch belastbaarheidsonderzoek met een daarbij behorende, eveneens op 10 maart 2008 ondertekende, functionele mogelijkhedenlijst en een op 28 januari 2008 door psycholoog M.J.G. Hanneman ondertekend verslag psychologisch onderzoek.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Als bijlage daarbij was gevoegd een rapport van bezwaarverzekeringsarts A.D.C. Huijsmans, gedateerd 2 januari 2009.

Namens appellante zijn nadere stukken in het geding gebracht, onder meer een schrijven van 6 januari 2009 en daarbij behorend verslag van Vital Human Resource, opgesteld door de psycholoog C.A.H. Buijtenhuis, bevattende de resultaten van onderzoek naar de psychische weerbaarheid van appellante, een eindrapportage “traject verhogen van de psychische weerbaarheid” van Vital Human Resource, opgesteld door GZ-psycholoog M. Eisink, een door appellante opgesteld dagverhaal en een rapport van 12 oktober 2009 van neuroloog dr. J.W. Stenvers.

Het Uwv heeft desgevraagd op deze nadere stukken gereageerd bij brief van 22 oktober 2009 en een daarbij als bijlage gevoegd rapport van bezwaarverzekeringsarts J.A.M.M. Sijben van 21 oktober 2009.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 oktober 2009. Appellante is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Het Uwv was vertegenwoordigd door mr. W.J. Belder.

Bij schrijven van 4 november 2009 heeft de Raad partijen meegedeeld dat het onderzoek niet volledig is geweest en wordt heropend.

Ter voortzetting van het onderzoek heeft de Raad de gemachtigde van appellante verzocht het commentaar van bezwaarverzekeringsarts Sijben van 21 oktober 2009 op het rapport van neuroloog Stenvers ter kennisname van die arts te brengen en hem te verzoeken een reactie op dat commentaar te geven. Tevens heeft de Raad verzocht om een nadere medische onderbouwing voor het standpunt van Stenvers dat er voor appellante onverkort een urenbeperking heeft te gelden.

Bij brief van 16 december 2009 heeft de gemachtigde van appellante een nader rapport van neuroloog Stenvers van 11 december 2009 ingezonden.

Desgevraagd is hierop van de zijde van het Uwv gereageerd met een rapport van bezwaarverzekeringsarts Sijben van 1 februari 2010.

Het onderzoek ter zitting heeft - na verwijzing van de Enkelvoudige naar de Meervoudige Kamer - opnieuw plaatsgevonden op 1 april 2010. Appellante is wederom verschenen met bijstand van haar gemachtigde. Het Uwv was vertegenwoordigd door J. de Graaf.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellante is als gevolg van een haar op 16 juli 1998 overkomen verkeersongeval uitgevallen voor haar in een voltijdse omvang verrichte werkzaamheden als productiemedewerkster. In aansluiting op de toenmalige wettelijke wachttijd van 52 weken is appellante in aanmerking gebracht voor een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

1.2. Uit onder meer een verzekeringsgeneeskundig rapport van 15 augustus 2000 en een arbeidskundig rapport van 14 september 2000 komt naar voren dat appellante, met inachtneming van diverse beperkingen weliswaar belastbaar werd geacht met arbeid in een maximum omvang van vier uur per dag en twintig uur per week, maar tevens dat er onvoldoende passende functies waren aan te geven, in verband waarmee appellante (ongewijzigd) volledig arbeidsongeschikt werd geacht.

1.3. In het kader van een herbeoordeling is appellante op 15 mei 2006 onderzocht door verzekeringsarts H.R.E. de Wild. Als claimklachten van appellante worden onder meer aangegeven pijnklachten in nek, rug, schouders en benen, alsmede vermoeidheidsklachten. De verzekeringsarts heeft geen evidente aanwijzingen kunnen vinden voor psychische problematiek bij appellante. Van een concentratiestoornis bleek De Wild niets. Voorts konden er - ook - bij lichamelijk onderzoek, behoudens een rotatiebeperking van het hoofd naar links, geen objectiveerbare afwijkingen worden vastgesteld. Niettemin heeft de verzekeringsarts enige beperkingen aangenomen in verband met appellantes pijnklachten en haar problemen met fel licht en veel lawaai. Deze zijn vastgelegd in een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 15 mei 2006. In deze FML zijn niet langer beperkingen opgenomen wat betreft de dagelijkse en wekelijkse arbeidsduur.

1.4. Bij arbeidskundig onderzoek is geconcludeerd dat er, uitgaande van de FML van

15 mei 2006, nog voldoende functies voor appellante vallen aan te wijzen waarmee zij ten opzichte van het maatgevende inkomen geen voor de toepassing van de WAO relevant verlies aan verdiencapaciteit lijdt.

2.1. Bij besluit van 28 juni 2006 is de WAO-uitkering van appellante met ingang van 29 augustus 2006 ingetrokken, op de grond dat zij niet langer arbeidsongeschikt werd geacht voor de WAO.

2.2. In bezwaar tegen dit besluit heeft appellante, onder verwijzing naar verschillende medische en andere stukken, naar voren doen brengen dat de door de verzekeringsarts opgestelde FML haar beperkingen onvoldoende weergeeft. Onder meer bestrijdt appellante ook de opvatting dat zij in staat is in een voltijdse werkweek aan het arbeidsproces deel te nemen.

2.3. De bezwaarverzekeringsarts heeft op basis van het door hem ingestelde onderzoek, waarvan deel uitmaakte kennisname van de door appellante in bezwaar aangeleverde stukken, geconcludeerd dat de weergave van de beperkingen zoals opgesteld door de primaire verzekeringsarts in voldoende mate wordt gedragen door de beschikbare medisch objectiveerbare gegevens. Er is in ruim voldoende mate meegegaan met de klachten van appellante. Ook de geclaimde urenbeperking is volgens de bezwaarverzekeringsarts niet aan de orde, nu appellante niet om medische redenen verplicht is een deel van de dag te rusten of een medische behandeling te volgen.

2.4. Nadat ook de bezwaararbeidsdeskundige had geconcludeerd dat de arbeidskundige beoordeling in primo kon worden gehandhaafd, is bij besluit van 16 november 2006 (hierna: het bestreden besluit), het tegen het besluit van 28 juni 2006 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

3. In beroep tegen het bestreden besluit heeft appellante staande gehouden op tal van onderdelen ernstiger beperkt te zijn dan door de (bezwaar)verzekeringsarts is aangenomen en aangegeven niet in staat te zijn tot het vervullen van de bij de schatting in aanmerking genomen functies.

4.1. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geen aanknopingspunten aanwezig geacht voor het oordeel dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek op ondeskundige of onzorgvuldige wijze is verricht. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat door het Uwv terecht is geoordeeld dat voor appellante ten tijde hier van belang geen medisch objectiveerbare gronden aanwezig waren voor het aannemen van verdergaande beperkingen dan die welke tot uitdrukking zijn gebracht in de FML. Aanknopingspunten voor een ander oordeel achtte de rechtbank met name ook niet gelegen in de door appellante in beroep (nogmaals) overgelegde brief van de medisch psycholoog dr. J.M.S.P. Quirijnen van 15 augustus 2006 en de rapportage van neuroloog G.N. Mallo van 9 oktober 2007, nu deze informatie grotendeels overeenkomt met de bevindingen van de verzekeringsartsen van het Uwv. De rechtbank heeft zich aldus kunnen stellen achter het medische oordeel van de verzekeringsartsen, inbegrepen de afwezigheid van een medische noodzaak voor een urenbeperking.

4.2. Ook heeft de rechtbank zich kunnen verenigen met de aan de schatting ten grondslag gelegde functies.

5. Hetgeen appellante in hoger beroep heeft doen aanvoeren, vormt in essentie een herhaling van de in bezwaar en beroep naar voren gebrachte gronden. Ter nadere onderbouwing van haar eigen opvatting inzake de ernst van haar aandoening en de daaruit voor haar voortvloeiende beperkingen bij het verrichten van arbeid heeft appellante een beroep gedaan op de hiervoor in rubriek I vermelde verslagen van Vital Human Resource en - in het bijzonder - op het eveneens in rubriek I vermelde rapport van neuroloog Stenvers.

6.1. Ten aanzien van het partijen verdeeld houdende geschilpunt inzake de medische grondslag van het bestreden besluit, stelt de Raad voorop dat in artikel 18 van de WAO, voor zover in dit verband van belang, is bepaald dat arbeidsongeschikt is degene die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebreken, zwangerschap of bevalling niet in staat is om met arbeid te verdienen hetgeen gezonde personen met soortgelijke opleiding en ervaring met arbeid gewoonlijk verdienen. Naar vaste rechtspraak van de Raad dient dit artikel aldus uitgelegd te worden dat slechts sprake is van arbeidsongeschiktheid als een verzekerde op medische gronden naar objectieve maatstaven gemeten de in aanmerking komende arbeid niet kan of mag verrichten. Voorts is in de jurisprudentie van de Raad tot uitdrukking gebracht dat in bijzondere gevallen kan worden aangenomen dat aan laatstgenoemde eis is voldaan, ook al is niet geheel duidelijk aan welke ziekte of aan welk gebrek het onvermogen om arbeid te verrichten valt toe te schrijven. In die bijzondere gevallen stelt de Raad dan wel als (minimum) eis dat bij de (onafhankelijke) medische deskundigen een vrijwel eenduidige, consistente en naar behoren medisch gemotiveerde en verantwoorde opvatting bestaat dat de verzekerde als gevolg van ziekte of gebrek niet in staat is de desbetreffende arbeid te verrichten.

6.2. In dit licht bezien kan de Raad zich niet verenigen met de opvatting van appellante dat door het Uwv in strijd is gehandeld met de in artikelen 3 en 4 van het Schattingsbesluit gecodificeerde richtlijn medisch arbeidsongeschiktheidscriterium (MAOC). In die richtlijn is immers nadrukkelijk aansluiting gezocht bij de hiervoor in overweging 6.1 weergegeven rechtspraak van de Raad inzake het wettelijk arbeidsongeschiktheidsbegrip. Onder verwijzing naar het verhandelde ter zitting, merkt de Raad op dat genoemde richtlijn verzekeringsartsen ertoe verplicht om, ook in gevallen waarin het gaat om moeilijker te objectiveren gezondheidsklachten, serieus te onderzoeken of voor de door een betrokkene in een voorliggend geval gepresenteerde subjectieve klachten een genoegzaam te achten medisch substraat valt aan te wijzen, maar voor zover appellante wil doen betogen dat onder de werking van de richtlijn MAOC niet langer de eis geldt dat beperkingen, willen deze tot uitkering leiden, aantoonbaar dienen te berusten op ziekte of gebrek, dan berust dat betoog op een onjuist uitgangspunt.

6.3. De Raad stelt vast dat in het geval van appellante een voldoende zorgvuldig en serieus op objectivering gericht verzekeringsgeneeskundig onderzoek heeft plaatsgevonden maar dat, mede gezien het in overweging 6.1 weergegeven kader voor de beoordeling van in de FML neergelegde beperkingen, noch bij dat onderzoek, noch overigens - gelet op het geheel van de omtrent appellante beschikbare medische informatie - is kunnen blijken van gegevens die een genoegzame objectief-medische steun verlenen aan haar eigen opvatting met betrekking tot de voor haar ten tijde van de datum in geding geldende beperkingen, in het bijzonder ook de door haar bepleite urenbeperking.

6.4. De Raad neemt hierbij in aanmerking dat bij de diverse medische onderzoeken van appellante geen wezenlijke afwijkingen konden worden geobjectiveerd. Dit geldt in het bijzonder ook voor de door neuroloog Mallo en neuroloog Stenvers verrichte onderzoeken. Mallo heeft blijkens zijn rapport van 9 oktober 2007 bij neurologisch onderzoek van appellante geen objectiveerbare afwijkingen vastgesteld. Ook Stenvers heeft blijkens zijn rapport van 12 oktober 2009 geen cervicale bewegingsbeperking en geen ernstige cognitieve functiestoornissen bij appellante kunnen vaststellen.

6.5. De door Stenvers gestelde diagnose postwhiplash syndroom heeft hij gebaseerd op enkel de anamnese. Naar Stenvers in zijn rapport aangeeft, wordt deze diagnose evenwel niet onderuit gehaald door de omstandigheid dat bij appellante nooit enige fysieke of psychologische afwijking is vastgesteld, nu bij dit syndroom immer sprake is van de afwezigheid van dergelijke afwijkingen. De Raad overweegt dat juist in het licht hiervan van Stenvers mocht worden verwacht voldoende inzicht te verschaffen in zijn conclusie dat de door de verzekeringsartsen vastgestelde beperkingen niet ver genoeg gaan en dat, met name, appellante niet in staat is tot een arbeidsverrichting van meer dan vier keer vijf uur per week.

6.6. De Raad is met bezwaarverzekeringsarts Sijben, gelet op diens rapporten van 1 februari en 15 oktober 2010, van oordeel dat met de door Stenvers gegeven onderbouwing een voldoende inzicht in vorenomschreven zin niet is verschaft. Stenvers doet zijn conclusies namelijk uitsluitend steunen op zijn oordeel dat in het algemeen twee tot twee en een half jaar na een doorgemaakt ongeval een medische eindsituatie is ingetreden en dat verwacht mag worden dat bij een postwhiplash syndroom de situatie in de toekomst niet meer verandert. Op basis van dit algemene uitgangspunt gaat Stenvers er vanuit dat ook de medische situatie van appellante vanaf 2000 tot aan de datum van zijn onderzoek in overwegende mate ongewijzigd is gebleven, zodat er geen aanknopingspunten zijn om de beperkingen die destijds - zie overweging 1.2 - bij de beoordeling in 2000 door de verzekeringsartsen zijn aangenomen, waaronder een urenbeperking tot halve dagen, thans in neerwaartse zin bij te stellen.

6.7. Die onderbouwing gaat eraan voorbij, naar door bezwaarverzekeringsarts Sijben alsmede ter zitting door de gemachtigde van het Uwv is opgemerkt, dat de destijds in 2000 aangenomen beperkingen, in het bijzonder ook de urenbeperking, niet aan de hand van de thans geldende richtlijnen en inzichten vallen te onderbouwen. Met het Uwv is de Raad van oordeel dat niet valt in te zien dat een eenmaal ingenomen, maar volgens de huidige inzichten niet goed gemotiveerd en ook niet goed te motiveren standpunt, nadien niet zou mogen worden verlaten.

6.8. De Raad concludeert dat noch in de rapporten van Stenvers van 12 oktober en 11 december 2009, noch - daarbij mede gelet op het rapport van bezwaarverzekeringsarts Huijsmans van 2 januari 2009 en het rapport van bezwaarverzekeringsarts Sijben van 21 oktober 2009 - in de overige voorhanden medische gegevens voldoende aanknopingspunten zijn gelegen voor het oordeel dat voor appellante ten tijde hier van belang verdergaande beperkingen hebben te gelden dan de beperkingen waarvan de verzekeringsartsen zijn uitgegaan.

6.9. Aldus ervan uitgaande dat de belastbaarheid van appellante niet is overschat, staat voor de Raad ten slotte tevens genoegzaam vast dat appellante op de datum in geding in staat was tot het vervullen van de bij de schatting in aanmerking genomen functies.

7. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

8. Er zijn geen termen voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en C.W.J. Schoor en J. Brand als leden, in tegenwoordigheid T.J. van der Torn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 mei 2010.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) T.J. van der Torn.

JL