Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BM3861

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-05-2010
Datum publicatie
11-05-2010
Zaaknummer
09-3017 WSF
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vaststelling draagkracht op basis van haar verzamelinkomen in 2007 en vaststelling dat appellante vanaf 1 januari 2009 € 366,17 per maand terug kan betalen. De wetgever heeft er nadrukkelijk niet voor gekozen dat rekening wordt gehouden met het besteedbaar inkomen dan wel met de hoogte van het individuele uitgavenpatroon van de debiteur. De Raad merkt op dat appellante de mogelijkheid heeft (gehad) haar verzamelinkomen te verlagen en daarmee het bedrag van haar draagkracht te verlagen, door af te zien van privégebruik van de leaseauto.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/3017 WSF

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Utrecht van 21 april 2009, 09/822 en 08/3417 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de hoofddirectie van de Informatie Beheer Groep (hierna: IB-Groep).

Datum uitspraak: 7 mei 2010

I. PROCESVERLOOP

In dit geding is een uitspraak aan de orde over een besluit dat is genomen door de IB-Groep. Op 1 januari 2010 is de Wet van 15 oktober 2009 tot intrekking van de Wet verzelfstandiging informatiseringsbank en wijziging van diverse wetten in verband met de oprichting van de Dienst Uitvoering Onderwijs in werking getreden. Als gevolg hiervan is de IB-Groep opgehouden te bestaan. Ingevolge artikel XXI, eerste lid, van de wet treedt in dit geding de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (hierna: de Minister) in de plaats van de IB-Groep. In deze uitspraak wordt onder de Minister tevens verstaan de IB-Groep.

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

De Minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 maart 2010. Appellante is in persoon verschenen. De Minister was vertegenwoordigd door mr. drs. E.H.A. van den Berg.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Bij besluit van 6 oktober 2008 heeft de Minister de draagkracht van appellante voor 2009 bepaald op basis van haar verzamelinkomen in 2007 en vastgesteld dat zij vanaf 1 januari 2009 € 366,17 per maand terug kan betalen.

1.2. Bij besluit van 5 november 2008 heeft de Minister het bezwaar van appellante tegen het besluit van 6 oktober 2008 ongegrond verklaard.

2.1. De voorzieningenrechter van de rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het besluit van 5 november 2008 ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen.

2.2. De voorzieningenrechter heeft vastgesteld dat bij het besluit van 5 november 2008 in overeenstemming met het bepaalde in artikel 6:11, eerste lid, van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000) gelezen in samenhang met artikel 1.1 van de Wsf 2000 en artikel 8, eerste lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen, de draagkracht van appellante voor 2009 is berekend op basis van het door de Belastingdienst vastgestelde verzamelinkomen in 2007. De voorzieningenrechter is vervolgens tot het oordeel gekomen dat de Minister terecht geen aanleiding heeft gezien voor toepassing van de hardheidsclausule als opgenomen in artikel 11.5 van de Wsf 2000. Daartoe is overwogen dat blijkens de wettelijke bepalingen en de ontstaansgeschiedenis van de wet de wetgever bij het vaststellen van de draagkracht expliciet uitgaat van het verzamelinkomen, en de wetgever er derhalve nadrukkelijk niet voor heeft gekozen dat rekening wordt gehouden met het besteedbaar inkomen dan wel met de hoogte van het individuele uitgavenpatroon van de debiteur. De voorzieningenrechter heeft hieraan toegevoegd dat een aanpassing van haar uitgavenpatroon een mogelijkheid zou kunnen zijn om het vastgestelde bedrag te betalen. Aan bijvoorbeeld de inhouding op het salaris ten behoeve van het privégebruik van haar leaseauto ligt namelijk haar eigen keuze ten grondslag.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd voor zover daarbij het beroep ongegrond is verklaard. Ze heeft gesteld dat ze geen brief heeft ontvangen met een uitnodiging voor de zitting bij de voorzieningenrechter. Verder heeft appellante haar in beroep geponeerde stelling herhaald dat zij gelet op de omvang van haar overige maandelijkse betalingsverplichtingen het vastgestelde aflossingsbedrag van € 366,17 per maand niet kan betalen. In dit verband is door haar gesteld dat het gebruik van de leaseauto voor haar geen luxe is doch noodzakelijk is voor de uitoefening van haar functie.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. De Raad overweegt op de eerste plaats dat de gedingstukken genoegzaam aantonen dat zowel de oproeping als de uitnodiging voor de zitting bij de voorzieningenrechter aangetekend is verzonden en deze stukken bij de rechtbank niet retour zijn gekomen. De Raad gaat dan ook voorbij aan appellantes grief dat zij niet wist van de zitting bij de rechtbank.

4.2. De Raad overweegt vervolgens dat de rechtbank de hiervoor onder 3 weergegeven herhaalde grief van appellante afdoende heeft besproken en genoegzaam heeft gemotiveerd dat daarin geen grond is gelegen om het besluit van 5 november 2008 rechtens onjuist te achten. De Raad onderschrijft de overwegingen van de rechtbank volledig.

De Raad merkt op dat appellante de mogelijkheid heeft (gehad) haar verzamelinkomen te verlagen en daarmee het bedrag van haar draagkracht te verlagen, door af te zien van privégebruik van de leaseauto.

4.3. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door G. van der Wiel als voorzitter en G.J.H. Doornewaard en J. Brand als leden, in tegenwoordigheid van R.L. Venneman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 mei 2010.

(get.) G. van der Wiel.

(get.) R.L. Venneman.

GdJ