Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BM3860

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-05-2010
Datum publicatie
11-05-2010
Zaaknummer
09-2704 WSF
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Terugvordering ten onrechte ontvangen toeslag voor een één-oudergezin. Gezien het wettelijke regime ten aanzien van de eisen die worden gesteld aan het aannemen van een gezamenlijke huishouding, berust het bestreden besluit op een onvoldoende draagkrachtige motivering. Vernietiging besluit met instandlating rechtsgevolgen omdat de Raad voldoende feitelijke grondslag aanwezig acht om aan te nemen dat appellante en K. hun hoofdverblijf hadden in dezelfde woning.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/2704 WSF

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 31 maart 2009, 07/1080 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de hoofddirectie van de Informatie Beheer Groep (hierna: IB-Groep).

Datum uitspraak: 7 mei 2010

I. PROCESVERLOOP

In dit geding is een uitspraak aan de orde over een besluit dat is genomen door de IB-Groep. Op 1 januari 2010 is de Wet van 15 oktober 2009 tot intrekking van de Wet verzelfstandiging informatiseringsbank en wijziging van diverse wetten in verband met de oprichting van de Dienst Uitvoering Onderwijs in werking getreden. Als gevolg hiervan is de IB-Groep opgehouden te bestaan. Ingevolge artikel XXI, eerste lid, van de wet treedt in dit geding de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (hierna: de Minister) in de plaats van de IB-Groep. In deze uitspraak wordt onder de Minister tevens verstaan de IB-Groep.

Namens appellante heeft mr. dr. G.P. Dayala, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

De Minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 maart 2010. Appellante is niet verschenen. De Minister was vertegenwoordigd door mr. drs. E.H.A. van den Berg.

II. OVERWEGINGEN

1. Bij besluit op bezwaar van 23 mei 2007 heeft de Minister gehandhaafd zijn besluit van 3 december 2006 (Bericht 2005, nr. 8), waarbij is vastgesteld dat appellante over de periode van 1 januari 2005 tot en met 31 december 2005 ten onrechte een toeslag voor een één-oudergezin heeft ontvangen en dat deze toeslag wordt teruggevorderd. De Minister heeft zijn conclusie dat appellante in het jaar 2005 geen alleenstaande huishouding heeft gevoerd, gebaseerd op een desgevraagd verkregen verklaring van de Sociale Verzekeringsbank (SVB) van 19 februari 2007 waarop is aangegeven dat appellante in het jaar 2005 samenwonend was met [naam K.] (hierna: [naam K.]) en appellante geen nadere verklaring van de SVB heeft overgelegd waaruit blijkt dat de door de Minister verkregen informatie onjuist is.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het besluit van 23 mei 2007 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft hiertoe -kort samengevat- overwogen dat nu appellante geen gegevens heeft overgelegd waaruit kan worden afgeleid dat zij in 2005 niet met een partner samenwoonde, de beschikbare feiten, bestaande uit de verklaring van de SVB van 19 februari 2007 en het feit dat appellante en haar partner, [naam K.], in 2005 in de Gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (GBA) op dezelfde adressen geregistreerd stonden, voldoende grondslag vormen voor de intrekking van de over 2005 aan appellante toegekende toeslag voor een één-oudergezin.

3. Appellante heeft in hoger beroep herhaald dat ze in 2005 niet samenwonend was met [naam K.]. Weliswaar waren appellante en [naam K.] in de GBA ingeschreven op dezelfde adressen in 2005, maar ten aanzien van [naam K.] betrof dit slechts een formele inschrijving.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Ingevolge artikel 3.5, eerste lid, van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000) wordt aan een studerende zonder partner die een of meer kinderen heeft van jonger dan 18 jaar die niet tot het huishouden van een ander behoren, voor wie deze op grond van de Algemene Kinderbijslagwet aanspraak op kinderbijslag heeft, een toeslag voor een

één-oudergezin toegekend.

Ingevolge artikel 1.1, eerste lid, van de Wsf 2000, zoals deze bepaling gold ten tijde hier van belang, wordt verstaan onder partner -voor zover hier relevant- de persoon van verschillend geslacht met wie de studerende duurzaam een gezamenlijke huishouding voert. Het voor de onderhavige beoordeling van toepassing zijnde artikel 1.1, tweede lid, van de Wsf 2000 bepaalt vervolgens in welk geval sprake is van een gezamenlijke huishouding:

“In de begripsbepaling ‘partner’ is sprake van een gezamenlijke huishouding, indien 2 personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding of anderszins. Een gezamenlijke huishouding wordt in ieder geval aanwezig geacht indien de belanghebbenden hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en:

a. zij met elkaar gehuwd zijn geweest of eerder voor de toekenning van studiefinanciering als gehuwden zijn aangemerkt,

b. uit hun relatie een kind is geboren of erkenning heeft plaatsgevonden van een kind van de een door de ander,

c. zij zich wederzijds verplicht hebben tot een bijdrage aan de huishouding krachtens een geldend samenlevingscontract, of d. zij op grond van een registratie worden aangemerkt als een gezamenlijke huishouding die naar aard en strekking overeenkomt met een gezamenlijke huishouding als bedoeld in de eerste volzin.”

4.2. De Raad concludeert dat het besluit van 23 mei 2007 dat enkel is gebaseerd op de verklaring van de SVB van 19 februari 2007 in het licht van het hiervoor omschreven van toepassing zijnde wettelijke regime ten aanzien van de eisen die worden gesteld aan het aannemen van een gezamenlijke huishouding, berust op een onvoldoende draagkrachtige motivering, en dat dit besluit in zoverre wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dient te worden vernietigd. Nu de rechtbank het voorgaande niet heeft onderkend, dient ook de aangevallen uitspraak te worden vernietigd.

4.3. De Raad ziet zich vervolgens gesteld voor de vraag of er aanleiding is om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit in stand te laten en overweegt daartoe als volgt.

4.4. Uit de beschikbare gegevens valt af te leiden dat uit de relatie van appellante en [naam K.] een kind is geboren, zodat ingevolge artikel 1.1, tweede lid, tweede volzin en onder b, van de Wsf 2000 voor de beantwoording van de vraag of ten tijde in geding sprake was van een gezamenlijke huishouding doorslaggevend is of appellante en [naam K.] hun hoofdverblijf hadden in dezelfde woning. De vraag waar iemand zijn hoofdverblijf heeft, dient te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. De Raad acht voldoende feitelijke grondslag aanwezig om aan te nemen dat appellante en [naam K.] in het jaar 2005 hun hoofdverblijf hadden in dezelfde woning. De Raad acht daarbij van belang dat uit de zich in het dossier bevindende gegevens vanuit de GBA volgt dat appellante en [naam K.] van 1 januari 2005 tot 18 mei 2005 en van 18 mei 2005 tot en met 31 december 2005 op dezelfde adressen in achtereenvolgens [paatsnaam A] en [plaatsnaam B] in de GBA stonden ingeschreven. Voorts blijkt uit de verklaring van de SVB van 19 februari 2007 dat appellante en [naam K.] in het jaar 2005 geregistreerd stonden als samenwonend. Door appellante is niet met enig verifieerbaar gegeven gestaafd dat zij en [naam K.] in 2005 niet op hetzelfde adres woonden. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat appellante in het jaar 2005 een partner had in de zin van artikel 1.1 van de Wsf 2000 zodat de Minister terecht onder toepassing van de artikelen 7.1, tweede lid, onder c, en 7.4 van de Wsf 2000 heeft besloten tot herziening en terugvordering van de aan appellante over 2005 toegekende toeslag voor een

één-oudergezin.

4.5. De Raad komt gelet op hetgeen onder 4.4 is overwogen tot de conclusie dat de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit in stand kunnen worden gelaten.

5. De Raad ziet ten slotte aanleiding om de Minister te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze kosten worden begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in beroep en op € 322,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 23 mei 2007 gegrond en vernietigt dat besluit;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;

Veroordeelt de Minister in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep tot een bedrag van in totaal € 966,-;

Bepaalt dat de Minister aan appellante het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 149,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door G. van der Wiel als voorzitter en G.J.H. Doornewaard en

J. Brand als leden, in tegenwoordigheid van R.L. Venneman als griffier. De beslissing is is uitgesproken in het openbaar op 7 mei 2010.

(get.) G. van der Wiel.

(get.) R.L. Venneman.

JL