Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BM3856

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-04-2010
Datum publicatie
11-05-2010
Zaaknummer
08-2081 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag om bijzondere bijstand in de kosten van huisraad in verband de brandschade aan een woonwagen, omdat appellante onvolledige inlichtingen heeft gegeven over haar woonadres als gevolg waarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Woonadres beoordelen aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. Appellante heeft gegevens overgelegd waaruit blijkt dat zij vaste lasten voor de woonwagen op haar adres betaalt. Ondeugdelijke motivering. Vernietiging bestreden besluit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2010/179
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/2081 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 14 maart 2008, 07/2559 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente ’s-Gravenhage (hierna: College)

Datum uitspraak: 27 april 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.L. Plokker, advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op 16 maart 2010. Partijen zijn niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Op 13 november 2006 heeft appellante een aanvraag om bijzondere bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) ingediend voor de kosten van een combiketel en een wasmachine. Nadien heeft appellante een aanvraag om bijzondere bijstand voor kosten van woninginrichting ingediend.

1.2. Bij besluit van 23 januari 2007 heeft het College de aanvraag om bijzondere bijstand in de kosten van huisraad afgewezen op de grond dat zij onvolledige inlichtingen heeft gegeven over haar woonadres. Bij brief van 4 februari 2007 heeft appellante tegen dat besluit bezwaar gemaakt.

1.3. Bij besluit van 19 maart 2007 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van

23 januari 2007 ongegrond verklaard. Daaraan heeft het College ten grondslag gelegd dat appellante onvolledige informatie heeft verstrekt over haar woonadres en dat als gevolg daarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Het College is er daarbij van uit gegaan dat appellante om bijzondere bijstand heeft gevraagd in verband met de brandschade aan een woonwagen ontstaan op 17 december 2006.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van

19 maart 2007 ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.1. De Raad begrijpt, gelet op de gedingstukken, het besluit van 23 januari 2007 aldus dat daarbij zowel de aanvraag om bijzondere bijstand voor de kosten van een combiketel en een wasmachine als de aanvraag om bijzondere bijstand voor inrichtingskosten is afgewezen. De Raad begrijpt de brief van 4 februari 2007 aldus dat appellante tegen de afwijzing van beide aanvragen bezwaar maakt.

4.1.2. De Raad stelt vervolgens vast dat het College bij het besluit van 19 maart 2007 geen beslissing heeft genomen op het bezwaar van appellante tegen de afwijzing van de aanvraag om bijzondere bijstand voor de kosten van een combiketel en een wasmachine, zodat van een volledige heroverweging van het besluit van 23 januari 2007 geen sprake is geweest.

4.1.3. Hetgeen onder 4.1.1 en 4.1.2 is overwogen betekent dat het besluit van

19 maart 2007 wegens strijd met artikel 7:11, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet in stand kan blijven voor zover daarbij niet is beslist op het bezwaar van appellante tegen de afwijzing van de aanvraag om bijzondere bijstand in de kosten van een combiketel en een wasmachine.

4.2.1. Met betrekking tot de handhaving van de afwijzing van de aanvraag om bijzondere bijstand voor inrichtingskosten overweegt de Raad als volgt.

4.2.2. De vraag waar iemand zijn woonadres heeft, dient naar vaste rechtspraak te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. De belanghebbende is verplicht juiste en volledige informatie over zijn woonadres te verstrekken, aangezien dat gegeven van essentieel belang is voor de verlening van bijstand.

4.2.3. De Raad stelt voorop dat appellante ten tijde hier van belang in de gemeentelijke basisadministratie stond ingeschreven op het [adres A] te [plaatsnaam] en dat appellante bij haar aanvraag om bijzondere bijstand dat adres als woonadres heeft opgegeven.

4.2.4. Het College heeft zijn standpunt dat onvoldoende duidelijkheid bestaat over de woonsituatie van appellante gebaseerd op de omstandigheid dat de kleinzoon van appellante blijkens een proces-verbaal van aangifte van 20 december 2006 op17 december 2006 tegenover de politie heeft verklaard dat hij aangifte wenst te doen van brandstichting aan zijn woonwagen op het [adres A] te [plaatsnaam] en op de omstandigheid dat uit een rapport van de brandweer van 12 januari 2007 blijkt dat een brand aan [adres B] te [plaatsnaam] is geblust.

4.2.5. De Raad volgt het College niet in dit standpunt. Hij neemt daarbij allereerst in aanmerking dat uit een door appellante in hoger beroep overgelegde brief van de brandweer van 18 april 2008 blijkt dat op 27 december 2007 (lees: 17 december 2006) een brand is geblust op het adres van appellante. Voorts acht de Raad van belang dat appellante blijkens een proces-verbaal van aangifte van 1 februari 2007 tegenover de politie heeft verklaard dat haar kleinzoon zich per abuis heeft uitgegeven als eigenaar en hoofdbewoner van de woonwagen aan de [adres A] te [plaatsnaam] en dat zij eigenaar en hoofdbewoonster van de woonwagen is. De Raad merkt in dat verband nog op dat appellante heeft verklaard dat zij op het tijdstip van de brand bij kennissen verbleef en dat, anders dan de rechtbank heeft aangenomen, de kleinzoon van appellante, die destijds minderjarig was en stond ingeschreven op het adres naast dat van appellante, zijn verklaring op de dag van de brand heeft afgelegd. Ten slotte acht de Raad van belang dat appellante gegevens heeft overgelegd waaruit blijkt dat zij vaste lasten voor de woonwagen op haar adres betaalt.

4.2.6. Hetgeen onder 4.2.1 tot en met 4.2.5 is overwogen betekent dat de handhaving van de afwijzing van de aanvraag om bijzondere bijstand om inrichtingskosten in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb niet op een deugdelijke motivering berust, zodat het besluit van 19 maart 2007 ook in zoverre niet in stand kan blijven.

4.3. De rechtbank heeft hetgeen onder 4.1.3 en 4.2.6 is overwogen niet onderkend, zodat de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het besluit van 19 maart 2007 vernietigen en het College opdragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.

5. De Raad ziet aanleiding om het College te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze kosten worden begroot op € 644,-- in beroep en op € 322,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het besluit van 19 maart 2007;

Bepaalt dat het College een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;

Veroordeelt het College in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 966,--, waarvan € 322,-- te betalen aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat het College aan appellante het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 146,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J.J.A. Kooijman als voorzitter en J.F. Bandringa en O.L.H.W.I. Korte als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van C. de Blaeij als griffier, uitgesproken in het openbaar op 27 april 2010.

(get.) J.J.A. Kooijman

(get.) C. de Blaeij

AV